Het weekblad dat wetenschappelijke carrières kan breken

De power van Nature

Wetenschappers begaan desnoods een moord om te kunnen publiceren in Nature. Hoe is dat eigenlijk het belangrijkste wetenschappelijke tijdschrift ter wereld geworden? De Volkskrant ging langs bij de redactie in Londen.

Beeld Jiri Buller

Het is vroeg op de burelen van Nature, te vroeg voor de meeste van de pakweg honderdvijftig redacteuren. Maar dat geldt niet voor hoofdredacteur Philip Campbell, die in een hoekje van de nieuwsredactie al met opgestroopte hemdsmouwen achter een beeldscherm zit. Hij heeft, zegt Campbell met een schuine blik over zijn leesbril, geen eigen kantoor, nee.

Omdat hij als hoofdredacteur (sinds 1995) hoe dan ook meer reist dan op de zaak is en desnoods wel een vergaderzaaltje zoekt als er vergaderd of gebeld moet worden. En vanwege de dagelijkse opwinding van het nieuws. 'Het is bij de buitenwereld een beetje uit beeld geraakt, maar Nature is er voor het belangrijkste wetenschappelijke nieuws', zegt Campbell glimlachend.

Nature Magazine in Londen. Bijna iedere krantenlezer heeft er weleens van gehoord, van de keren dat er iets spectaculair wetenschappelijks in staat. Vrijwel niemand heeft het blad ooit in handen gehad. Een abonnement kost 210 euro per jaar voor 51 nummers, maar bij de AKO staat het niet in het schap. En wie het in de universiteitsbibliotheek nieuwsgierig opslaat, pakweg zeventig gladde pagina's per week met nieuws, beschouwingen én originele wetenschappelijke reseachartikelen, gaat het doorgaans snel boven de pet. Een blad door wetenschappers voor wetenschappers, dat is het, waarin hooguit de biochemicus het astronomische nieuws meepikt, en omgekeerd.

Maar met een status die vergelijkbaar is met de Olympische Spelen voor atleten. Een researchartikel in dit blad is goud op een koningsnummer. Goed voor interviews in de krant, praatjes op conferenties en belangstelling van collega's en wildvreemden.

Campbells blik gaat intussen alweer naar het scherm terug, waar de oud-astrofysicus met twee vingers de laatste zinnen tikt van alweer een redactioneel commentaar. Over de oorzaken en preventie van wetenschappelijk wangedrag, ditmaal. 'De belangrijkste oorzaak voor wangedrag is het gebrek aan concentratie, doordat men te veel projecten tegelijk heeft en te druk is. Klinkt dat als iemand die u kent?', lezen we een week later. Ironie en bloedige ernst ineen, het zijn Campbell en diens Nature ten voeten uit.

Beeld Jiri Buller

Gemiste Nobelprijzen

Hoe gezaghebbend ook, Nature heeft ook een indrukwekkende lijst van gemiste kansen. In 1937 weigerde het tijdschrift Krebs chemische ontrafeling van de citroenzuurcyclus, de motor van de fotosynthese (Nobelprijs 1953). De ontdekking van Tsjerenkovstraling, blauw licht in kernreactoren, in 1933 werd niet afgedrukt (Nobelprijs 1958), net als de ontdekking in 1935 van het meson, een familielid van het elektron (Nobelprijs Yukawa 1949) en de moleculaire structuur van bladgroen (Nobelprijs 1988). De uitvinding van de MRI-scanner (Nobelprijs 2003) werd geweigerd, na veel discussie later toch nog wel geplaatst. Ooki Stephen Hawkings voorspelling van straling uit zwarte gaten werd in eerste instantie afgewezen.

Het kantoor van Nature is gevestigd in een door kanalen doorsneden oude industriebuurt vlak naast Kings Cross-station in Londen. Ooit het domein van junks en straatprostitutie, nu zitten er hippe kroegen, biologische winkeltjes en foodtrucks met falafel. Even verderop huist de redactie van dagblad The Guardian in een imposant spiegelpaleis.

Nature zelf is verborgen in een steeg tussen industrieel erfgoed in een van de zijstraten. Via geruisloze glijdeuren opent zich opeens de glimmend lichte hal van uitgever McMillan, sinds vorig jaar onderdeel van het Duitse Springer Verlag. In de entree met tourniquets en een zitje voor bezoekers staat in een vitrine het jongste nummer van Nature, het paradepaard immers van de uitgever. Eromheen draaien op flatscreens promofilmpjes voor de talloze specialistische zusterbladen die hier ook worden geproduceerd. Woorden als 'betrouwbaar' en 'toonaangevend' en 'prijswinnend' komen voortdurend langs.

Een opvallend jong personeelsbestand komt binnenrennen, rugzakjes, windjacks en sneakers, koffie-to-go in de hand. De toegangspas in de aanslag, het poortje door, de lift naar boven. Goedemorgen. Weg zijn ze, naar de redacties van Nature en zusterbladen, de website, de podcasts, de publiciteitsafdelingen, de verkoopsecties.

Dit, realiseren we ons, is dus het mekka van de wetenschap wereldwijd. Hier wordt het weekblad gemaakt dat wetenschappelijke carrières kan breken (waarover later meer) maar vooral ook: carrières kan maken. Wetenschappers weten allemaal dat een artikel in Nature geldt als een professionele topprestatie en dus plegen ze er desnoods een spreekwoordelijke moord voor.

Hier ergens in dit gebouw van glas en systeemplafonds, vol lange rijen bureaus met beeldschermen, staat het hakblok waarop jaarlijks zo'n elfduizend wetenschappelijke manuscripten terechtkomen. Daarvan blijven er na selectie en beoordeling uiteindelijk zo'n achthonderd overeind die echt worden gepubliceerd, in het blad en (meer en meer) op de site. Voor de auteurs is dat doorgaans reden om de champagne open te trekken, persberichten te schrijven. Een artikel in Nature! Er zijn gevallen bekend van onderzoekers die na zo'n klapper door concurrerende universiteiten worden gepolst voor een nieuwe baan.

Nature is geen tijdschrift, hebben de kenners gezegd, het is een grootmacht. Van de twintig best geciteerde tijdschriften komen er maar liefst tien uit de stal van Nature, vakbladen met titels als Reviews in Drug Discovery, Molecular Cell Biology, Cancer, Nature Materials en Nature Nanotechnology.

Hoe, is de vraag waarmee we naar Londen zijn getrokken, heeft Nature de absolute scherprechter van wetenschappelijke kwaliteit kunnen worden? En hoe gaat de redactie met dat gegeven om?

Beeld Jiri Buller

De redactie, zegt hoofdredacteur Philip Campbell verrassend genoeg al in de eerste minuten van het vraaggesprek, zit daar eigenlijk behoorlijk mee in zijn maag. 'Nature is het surrogaat geworden voor serieuze kwaliteitsbeoordeling van onderzoekers. Wij betreuren dat, omdat voor ons de nieuwswaarde voor de wetenschap voorop staat. We brengen wat nieuw en opwindend is. Het moet wel goed zijn, maar het is niet per definitie ook de beste wetenschap.'

Iets vergelijkbaars zegt wat later op de ochtend Nature-redactiechef Ritu Dhand, een watersnelle frèle vrouw met Indische roots en een opleiding in de kankerresearch die al zo'n vijftien jaar bij het tijdschrift werkt. 'Wetenschap is een internationale onderneming geworden waar grote behoefte is aan een gemeenschappelijke maat. Nature is, of we nou willen of niet, die maat geworden.'

Dhand bestiert als oudgediende wat misschien wel de machinekamer van Nature mag heten. Een pr-assistent heeft ons eerder op de ochtend via alweer een wirwar van stegen en straatjes naar een tweede gebouw op de Nature Campus geleid, vergrendelde deuren en hekjes openend met zijn magnetische toegangspas. Dit is 'The Ward', De Afdeling. Bakstenen gangen en blinde stalen deuren leiden uiteindelijk naar het heiligste der heiligdommen: de Nature editors room.

Een zaal met een laag plafond en zuilen, waartussen dertig lichthouten bureaus staan, allemaal vol stapels papier en dossiermappen, allemaal met een forse monitor en toetsenbord. Anders dan op de haast klinische nieuwsvloer en de vakredacties in het hoofdgebouw heerst hier een vrolijke chaos, met oude kerstversieringen nog aan de wand en bureaus vol met alles van verdorde planten tot iemands fietshelm, een collectie gele miniatuur-Minions en een glimmende sportbeker. Het voelt er meer als een studentikoze leeszaal dan als een hedendaags kantoor.

Hier en daar staren de dertigers en veertigers geconcentreerd naar hun monitoren, overleggen soms al wijzend op elkaars scherm. Een enkeling zit onderuit en deint al lezende mee met de muziek op zijn koptelefoon. Maar lang niet alle plaatsen zijn bezet vandaag. Editors, heeft Campbell al gezegd, moeten wat hem betreft net als hij veel de deur uit, naar conferenties en instituten, om te weten wat er nieuw en hot is en dus in Nature hoort. Om talent te spotten, contacten te leggen. Soms zelfs om toekomstige doorbraken alvast voor Nature te claimen.

Tegen de achterwand van de editors room staan op planken alle 147 jaargangen van Nature, ingebonden in roodbruin leer. De roemruchte geschiedenis sinds 4 november 1869 kijkt mee hoe de redacteuren hun werk doen: het selecteren van interessante manuscripten, het uitzetten daarvan naar reviewers, wetenschappers die kunnen beoordelen of het onderzoek en het artikel goed genoeg in elkaar zitten, het begeleiden van auteurs bij het schaven aan stukken en uiteindelijk het afleveren van een afgewerkt artikel. Aan de eindredactieploeg van hoofd copy editing Paul Fletcher, die er dan ook nog eens overheen gaat, het beeldmateriaal laat bewerken en het ingewikkelde zetwerk met formules, indices en speciale tekens organiseert. 'In India, dat is goed en erg betaalbaar', zegt Fletcher.

Beeld Jiri Buller
Beeld Jiri Buller

Hier in de editors room, zegt chef Dhand, zijn er de verblufte momenten. 'Dat je denkt: O, my God, dit is groot en ik ben de eerste die dit hoort.' Maar hier gebeurt ook het vuile werk: het afwijzen van meer dan 90 procent van alle manuscripten die Nature binnenkrijgt. Zo'n zeven van de tien worden direct geweigerd, door de vakredacteuren, zonder experts te raadplegen. 'Met argumenten en respect, maar het kan wel neerkomen op een standaardbrief: ongeschikt voor een algemeen tijdschrift als Nature, te gedetailleerd, toch niet nieuw genoeg. We adviseren vaak ook waar een auteur misschien wel terecht zou kunnen.'

De overige manuscripten, 30 procent van wat er binnenkomt, gaan naar de reviewers, collegawetenschappers die anoniem hun oordeel en kanttekeningen geven. Ruwweg eenderde van wat er beoordeeld wordt, krijgt uiteindelijk echt groen licht. Ongeveer tien tot vijftien artikelen per week. Elke Nature-redacteur begeleidt wekelijks drie tot vier artikelen die uiteindelijk gepubliceerd zullen worden.

Nature, het kan niet genoeg worden benadrukt, is anders dan bijna alle andere wetenschappelijke tijdschriften. Het is geen neutrale uitstalkast van het werk van specialisten en dat is het nooit geweest ook, vertelde een week eerder de Amerikaanse historica Melinda Baldwin van de Harvard-universiteit. Zij schreef vorig jaar het buitengewoon lezenswaardige boek Making Nature over de roemruchte geschiedenis van het tijdschrift. Ze had, zegt ze aan de telefoon, in feite één vraag: hoe kon een Brits wetenschappelijk nieuwsblaadje gedurende de vorige eeuw zo belangrijk worden in het moderne wetenschapsbedrijf?

Het antwoord is een combinatie van factoren, weet Baldwin nu. 'Maar het belangrijkste is dat Nature van meet af aan nadrukkelijk een rol heeft willen spelen als plek waar de moderne wetenschap werd uitgevonden. Zelfs het woord scientist is in Nature uitgevonden. Voor die tijd heetten wetenschappers men of science, wat danig begon te knellen toen ook vrouwen wetenschap bleken te kunnen bedrijven.'

In eerste instantie was Nature vooral een blad over wetenschap, de auteurs waren wel geleerd, maar schreven niet veel over hun eigen werk. Populair wetenschappelijke bespiegeling op andermans werk was het uitgangspunt. Journalistiek haast. 'Waarbij de klacht vaak toch was dat het veel te technisch werd voor gewone lezers', las Baldwin in lezersbrieven in de oude jaargangen.

Beeld Jiri Buller

Maar Nature had ook geluk met een aantal baanbrekende wetenschappelijke artikelen. In 1911 publiceerde Ernest Rutherford er zijn ontdekking van de centrale atoomkern, enkele weken na zijn vondst. Dat tempo was uniek en het weekblad Nature versloeg er van meet af aan oerdegelijke maar trage vakbladen mee, als de Proceedings of the Royal Society.

In 1953 stuurden Watson en Crick hun ontdekking van de wenteltrap van het dna naar Nature. Het gaf het tijdschrift het imago van boodschapper van nieuwe en opwindende wetenschap, met name in de natuurwetenschappen. Dat maakte het blad een aantrekkelijk podium voor ambitieuze onderzoekers. En voor de redactie was het belangrijk om steeds voorop te blijven lopen, zegt Harvard-historica Balwin. 'In de eeuw van de nieuwe fysica had het steeds de nieuwe fysica. Daarna pakte het de golf van de moleculaire biologie feilloos op.' Een exact profiel, dat is de constante als het om research-papers gaat. Tegenwoordig is dat vooral in het biomedisch onderzoek en genetica. De eerste blauwdruk van het menselijke dna verscheen in 2001 uiteraard in Nature.

Maar vooral neemt Nature het heft in de wetenschap ook graag zelf in handen, zegt hoofdredacteur Campbell in zijn hoekje op de nieuwsvloer. 'Er is een lange traditie van bladen van geleerde societies die zo veel mogelijk goed werk van leden en anderen publiceren, maar zonder dat journalistiek te begeleiden. Wij hebben dat eigenlijk altijd anders gedaan. Nature heeft zelf ook een stem. Een duidelijke stem, soms.'

Beroemd is bijvoorbeeld de expeditie die de legendarische hoofdredacteur John Maddox (een theoretisch fysicus en voormalig Guardian-journalist) in 1988 naar Parijs ondernam. Daar claimde de Franse immunoloog Jacques Benveniste dat hij in homeopathisch verdunde oplossingen een moleculair geheugen had aangetoond. Benveniste stuurde zijn artikel naar Nature, dat het werk afdrukte. Maar Maddox vertrouwde de zaak toch niet. Hij trok met de Amerikaanse goochelaar en scepticus James Randi naar Parijs, en toonde in een hilarisch verslag aan dat Benveniste de boel fleste, of door zijn medewerkers werd beduveld. De trip was ook een mediafeestje, met verslaggevers en fotografen van andere bladen en kranten die de hoofdredacteur op de voet volgden.

Beeld Jiri Buller

Een jaar later speelde Nature een dubbelrol bij de vermeende ontdekking van koude kernfusie door de Amerikaan Steven Jones en het Brits-Amerikaanse duo Fleischmann-Pons. Nature publiceerde een artikel van Jones over versmeltende waterstofatomen in een bekerglas water, normaal het domein van immense reactoren met de temperatuur van de zon. Maar Stanley Pons en Martin Fleischmann claimden op een persconferentie in Salt Lake City meteen ook dat ze er het energieprobleem van de wereld mee hadden opgelost. Fysicus Maddox geloofde er niks van en schreef dat vanaf het begin op. Uiteindelijk bleek koude kernfusie een illusie op basis van klunzige experimenten.

Het zijn episodes uit de Nature-geschiedenis die niet iedereen kon waarderen. Te veel journalistieke ophef, was destijds het oordeel van veel lezers van het strengere snit, te meer omdat Nature eerst wel zelf de onzin had afgedrukt. John Maddox, voor geen kleintje vervaard, kreeg ervan langs en moest inbinden. In rechtlijnige kringen dankt het weekblad er nog steeds het imago aan van een sensatieblad. De Nieuwe Revu van de wetenschap, zeggen critici.

Dat klassieke bijterige is er onder Campbell trouwens weer een beetje af. Maar reflectie is er zeker nog, vooral in de sectie News & Views in het blad, dat wekelijks wetenschappelijke doorbraken bespreekt. Zowel over nieuw werk in Nature zelf als in andere wetenschappelijke tijdschriften. Door de redactie gevraagd worden om een snelle bespiegeling te schrijven, is voor menig wetenschapper een hele eer, weet chef News & Views Andrew Witchinson. 'Mensen zijn meestal wel bereid om alles opzij te zetten om zo'n stuk voor ons te maken.'

Hij noemt zijn sectie tussen het nieuws en de researchartikelen spottend het middle half en beschouwt het niet alleen zelf als de kern van Nature. 'Ik weet dat heel veel van onze lezers vooral dat deel spellen om op de hoogte te blijven van ontwikkelingen in andere vakgebieden dan die van henzelf.' Het is dezelfde bindende kracht tussen vakgebieden waarvoor in 1869 Norman Lockyer het blad opzette en drukker McMillan in Londen bereid vond het te financieren.

In de kantoortuin op de vierde verdieping van het Glass Building-hoofdgebouw van Nature, hangen her en der bordjes met tijdschrifttitels boven bureaublokken. Nature Reviews, Nature Communications. Die moeten al te veel ronddolen op de uitgestrekte werkvloeren voorkomen, ook van redacteuren en medewerkers zelf, want veel bezoekers komen hier niet.

Onder een ervan staat art director Wesley Fernandes voor een wand met probeersels voor de omslagen van de komende weken. De keuze gaat vandaag tussen een tamelijk inwisselbare microscoopfoto uit een van de researchartikelen, en een meer kunstzinnige foto van een dorre opengebarsten bodem bij een nieuwsverhaal over droogte en erosie. Fernandes weet wel welke hij wil, die laatste natuurlijk. Vooral ook omdat er zo'n mooie bloem uit die bodem opbloeit.

De Nature-covers zijn altijd een heikele kwestie. 'De cover is de hoofdprijs voor auteurs, er zijn groepen die ongevraagd een ontwerp aanleveren, soms zelfs al helemaal vormgegeven. Ik hoef ze gelukkig niet uit te kiezen, maar er wordt in de redactievergaderingen absoluut om de coverplek gevochten. Zoals over veel in Nature, trouwens. Alles is hier eigenlijk belangrijk.' Hij leunt er bij achterover in zijn stoel, de handen achter het tevreden hoofd. Een wereldbaan, zie je hem denken. De week erop blijkt het toch de microscoop-omslag geworden.

Ergens verderop rent hoofdredacteur Philip Campbell met wapperende jaspanden naar de lift. Op weg naar afspraken met de groten der aarde, in Davos, New York of waar nu weer, die willen weten wat er hot is in de wetenschap. Als iemand dat kan weten is hij het. Hij bepaalt het.

Philip Campbell, hoofdredacteur Nature. Beeld Jiri Buller

Nederlanders in Nature

Nederlandse academici staan er relatief vaak in.

Gemiddeld eens in de zes weken knalt aan een Nederlandse universiteit de champagne vanwege een publicatie in Nature. Nederlanders doen het daar relatief goed, met ongeveer acht researchartikelen per jaar. De Volkskrant sprak met de veertig auteurs van Nature-artikelen van de laatste vijf jaar. Een artikel in Nature, zeggen ze zonder uitzondering, is van groot belang. Weinig helpt de carrières van wetenschappers zo nadrukkelijk. Bij het aanvragen van subsidies en de bezoeken van visitatiecommissies laten publicaties in het blad zien dat een groep op topniveau opereert, baanbrekende dingen doet. Ook worden Nature-auteurs vaker voor congressen gevraagd en voor het beoordelen van andersmans werk. 'Nature halen is een kwaliteitskeurmerk. Het helpt zeker bij het beoordelingsgesprek', zegt een auteur. 'Het heeft me mijn promotie tot hoogleraar gebracht', zegt een ander.

Vooral de internationale zichtbaarheid van gepubliceerd onderzoek is voor veel auteurs de hoofdprijs. 'Online haal je zo 4.500 views, dat lukt je nergens anders', zegt een microbioloog.

Het is buitengewoon moeilijk een artikel in Nature gepubliceerd te krijgen, melden de Nederlanders ook allemaal. Over de gepubliceerde artikelen was vier maanden tot twee jaar met de redactie onderhandeld; soms deed men op verzoek zelfs extra experimenten.

Wie het blad eenmaal haalt, blijkt relatief goeie papieren voor meer Nature-publicaties te hebben. Manuscripten hebben normaal maar ongeveer 7 procent kans gepubliceerd te worden; voor auteurs met Nature-ervaring is dat liefst één op twee of drie, vertellen de Nederlanders. 'Het helpt als de redactie je kent en jij weet wat ze willen: echt nieuwe resultaten', zegt een bioloog.


Een beurs dankzij Nature?

De betekenis van het blad volgens bestuurders.

Helpt een publicatie in Nature je carrière? Concreet is dat niet aan te geven, zegt beleidsmedewerker Bernard Westerop van wetenschapsfinancier NWO in Den Haag, zelf ooit bladenredacteur bij Elsevier Science. 'Bij de beoordelingen van voorstellen voor NWO-beurzen als de VIDI zetten we geen vinkjes voor publicaties in Nature. Een publicatie in zo'n topblad laat wel zien dat iemand aan het front van zijn vak opereert en iets te melden heeft. Nature is geen voorwaarde, het helpt alleen wel, zeker in twijfelgevallen.' Bij de NWO-rankings voor beurzen telt het cv van een kandidaat voor 40 procent mee in de beoordeling. Publicaties vormen daarvan een onderdeel.

Bij fysica-organisatie FOM spelen impactfactoren van tijdschriften wel degelijk een rol bij beoordelingen en sollicitaties, zegt directeur Christa Hooijer. 'Maar dat is vooral omdat specialisten elkaars tijdschriften dan beter op waarde kunnen schatten. Wij hebben echt geen wiskundige formule waarmee iemands publicatielijst een cijfer krijgt. Geen toppublicaties kan namelijk ook betekenen dat iemand bezig is een heel nieuw veld op te starten. Waar het om gaat is dat een commissie een gevoel krijgt bij de kwaliteiten van een kandidaat. Publicatie in een toptijdschrift als Nature, of in ons vak PRL, vertelt dat de gemeenschap jouw werk interessant vindt.'

Ook op universiteiten gaat een nieuwe publicatie in Nature nooit ongemerkt voorbij, zegt de decaan van de Utrechtse bètafaculteit, Gerrit van Meer. 'Auteurs die de big three Cell, Nature en Science halen, kortweg CNS, zijn apetrots. Ze melden mij altijd direct als er iets geaccepteerd is en ik feliciteer hen ook altijd van harte. Maar we hebben geen beloningssysteem. Het is namelijk duidelijk dat CNS geen absoluut bewijs van kwaliteit is. Niet alle belangrijke papers verschijnen daar. Ik vind: je moet papers lézen, niet tellen. Wij letten bij beoordelingen op van alles, baanbrekende artikelen, zorgvuldig review-werk, bestuurlijke bijdragen en zeker ook excellent onderwijs.'

Piet Borst (81), Nederlands Kanker Instituut, 20 keer Nature

"Tegenwoordig is het onvoorstelbaar moeilijk om in Nature te komen. Maar die strenge beoordeling, dat is pas iets van de laatste 35 jaar - in ieder geval in mijn vakgebied, de biochemie.

In 1958, de eerste keer dat ik in het blad publiceerde, was die strengheid er nog nauwelijks. Ons wetenschappelijke kleine spul ging naar Nature. Ik peinsde er toen niet over om mijn meer substantiële onderzoek eerst naar hen op te sturen. Je bood het aan bij het tijdschrift Biochimica et Biofysica Acta bijvoorbeeld. Nature kon altijd nog, daar kwam het toen zonder moeite in. Dat was zelfs nog zo in 1980, toen mijn collega Weissmann voor het eerst een interferon gen kloneerde. Zijn artikel kon direct het blad in nadat een redacteur het even had doorgelezen.

De verandering kwam ergens in de jaren zeventig. Er kwamen nieuwe tijdschriften die zich niet per se richtten op goed onderzoek, alleen op het meest baanbrekende en vernieuwende. Citatie analyse werd mogelijk en tijdschrift Cell maakte daar als eerste gebruik van. Iedereen kon nu zien hoeveel impact dat blad had. Nature zag dat dat werkte, en besloot die tactiek over te nemen.

Helaas is het voor jonge onderzoekers nu ongelooflijk belangrijk om eens in Nature te staan. Terwijl het niet altijd veel zegt, hoor. Kwaliteitsonderzoek vind je net zo goed in minder selectieve bladen. Ik hoop dus dat deze focus op die paar toptijdschriften als Nature, Science en Cell nog eens afneemt."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.