Vertrekkend voorzitter van de Gezondheidsraad Pim van Gool.

InterviewVertrekkend voorzitter Gezondheidsraad

Het mag best een tikkie saaier in de wetenschap, vindt Pim van Gool

Vertrekkend voorzitter van de Gezondheidsraad Pim van Gool.Beeld Pauline Niks

Als u Pim van Gool niet kent, is hij een tevreden man. Wetenschap moet je niet als amusement verkopen, vindt de vertrekkend voorzitter van de Gezondheidsraad.

Drie jaar geleden, op een zaterdagmorgen in februari, werd het leven van neuroloog Pim van Gool (62) gered door zijn vrouw – en haar kapper. Hij was net terug van het sporten toen hij in elkaar zakte, ‘een dijk van een hartinfarct’. Zijn vrouw Caroline was toevallig thuis, haar kapper had de afspraak afgezegd. Ze had nooit eerder gereanimeerd, maar dankzij de instructies van de centralist van 112 deed ze het juiste. 

Van Gool lag zes dagen in coma in het VU-ziekenhuis, er ging een zorgwekkend mailtje naar zijn medewerkers. ‘Iedereen dacht dat ik het niet zou overleven, maar er is toch een soort wondergenezing opgetreden.’ Een jaar later opende Pim van Gool zijn lezing op het Nederlands reanimatiecongres met het logo van die kapper. ‘Ik heb gezegd dat ik hem en alle andere betrokkenen heel dankbaar ben.’

Hij wil liever niet te uitgebreid stilstaan bij wat hem is overkomen, maar de vraag was waarom hij stopt als voorzitter van de Gezondheidsraad en of hij weer als neuroloog aan de slag gaat. Nee, antwoordt hij, vanaf volgend jaar gaat hij geen patiënten meer behandelen. Hij heeft ervoor gekozen zijn aandacht meer op onderzoek te richten en niet op de strenge eisen voor herregistratie, die voorschrijven dat een arts een minimum aantal patiënten moet zien om in het vak werkzaam te mogen blijven. ‘Het is mooi geweest. Ik rook niet, ben sportief, ik had nooit iets gemerkt van hartklachten maar toen het gebeurde, had ik wel drie banen. Ik was voorzitter van de Gezondheidsraad, neuroloog en onderzoeker in het AMC, en consulent neurologie in de ouderenpsychiatrie bij Parnassia in Castricum. Ik vind alles wat ik doe leuk, maar toen ben ik in Castricum toch een half dagje minder gaan werken.’

Een half dagje minder, toe maar.

‘Na dat hartinfarct ben ik tamelijk snel weer doorgegaan, ik wilde vooral laten zien dat ik het allemaal nog kon.’

Lachend: ‘Ja, ik ben een competitief mannetje. Bij de hartrevalidatie zat ik in een groep met allemaal oudere mannen en het is te kinderachtig voor woorden, maar ik wilde dan het hardst fietsen. Ik heb veel over mezelf geleerd. De maatschappelijk werker vroeg me: wanneer hoef jij van jezelf nou eens niet meer zo hard te werken? Ik antwoordde: als ik met een hartstilstand omval, dan is dat wel een moment om gas terug te nemen. Waarop zij zei: misschien moet je dat in het vervolg toch ietsje voor zijn.’

Daar heeft hij naar geluisterd. Toen hij in 2012 begon als voorzitter van de Gezondheidsraad had hij twee termijnen van vier jaar in zijn hoofd. Hij stopte begin dit jaar, acht maanden eerder dan gepland, waarbij zijn overvolle agenda een rol heeft gespeeld, zegt hij. Op zijn afscheidsbijeenkomst, donderdag in Den Haag, kwam hij nog heel even terug op die zaterdagochtend van drie jaar geleden. Daarna ging het gesprek over ‘wetenschap die er (niet) toe doet’: de dilemma’s die de Gezondheidsraad tegenkomt bij het schrijven van adviezen.

Die adviezen gaan vaak over prangende medische kwesties, zoals screening op kanker en vaccinaties, maar ook over voeding, milieu, arbeidsomstandigheden. Het zijn er twintig tot dertig per jaar, meestal op verzoek van de minister van Volksgezondheid, de adviezen worden praktisch altijd overgenomen.

Wat is het grootste dilemma bij dat werk?

‘Het is een andere manier van wetenschap bedrijven dan bij een universiteit. Onze adviezen zijn relevant voor het overheidsbeleid, het gaat bij ons nooit over zwarte gaten bijvoorbeeld. Wij buigen ons over de wetenschap die problemen van mensen beoogt op te lossen en dat betekent dat er altijd belanghebbenden zijn, mensen op wie het advies van toepassing is. Daarmee moeten we rekening houden, zonder onze onafhankelijkheid te verliezen.’

Hoe doe je dat?

‘Voorafgaand aan ons advies over prep, een preventief middel tegen hiv, hebben we bijvoorbeeld een avond georganiseerd met het Aidsfonds, het COC en de actiegroep PrEPnu. We zijn geen wetenschappers in een ivoren toren, we staan open voor geluiden uit de maatschappij maar dat betekent niet dat wij vervolgens de uitkomsten van studies anders gaan interpreteren.

‘De leden van de commissie zijn altijd ongebonden. Wie wordt gesponsord door de farmaceutische industrie komt niet aan tafel zitten. Maar niemand is helemaal zonder belangen, al zijn het intellectuele belangen, iedereen staat een bepaalde school voor. Daarom zetten we altijd wetenschappers met verschillende achtergronden bij elkaar zodat die elkaar in evenwicht houden.’

Het werk van de Gezondheidsraad is maar beperkt zichtbaar.

‘Dat vind ik een voordeel. Onafhankelijkheid vertaalt zich ook in niet meedoen aan wetenschap als amusement. Ik heb nooit bij een talkshow aan tafel gezeten, om uit dat gehypete krachtenveld te blijven. Ik heb ook nooit getwitterd, één uitglijder en je reputatie is weg. Stel dat door een verkeerde opmerking de bereidheid van ouders afneemt om hun kinderen te laten vaccineren? Voor dat soort gevolgen ben ik altijd beducht geweest.’

Wat is het onderwerp in de zorg dat u de afgelopen acht jaar het meest aan het hart is gegaan?

‘Dat gaat over een zaak waarover we ons met de Gezondheidsraad nooit hebben hoeven buigen, omdat die veel te simpel is: de gevolgen van roken. Het is hartstikke duidelijk dat je daarvan kanker krijgt. Iedere dag beginnen tweehonderd kinderen met roken en van hen zullen er later 35 door dat roken overlijden. Dat is een schoolklas per dag. Als een terrorist dagelijks een klas met kinderen zou doodschieten, zou de overheid ingrijpen. Hier is een terrorist aan het werk. Het is retoriek, dat besef ik ook wel, maar dat is wel wat er gebeurt. Het verdienmodel van de tabaksindustrie is om jonge mensen verslaafd te maken en dat laten we gewoon gebeuren.’

Pim van Gool.Beeld Pauline Niks

Vier opmerkelijke adviezen uit de periode-Van Gool

1. Screening

De Gezondheidsraad zei de afgelopen jaren vier keer nee tegen een voorstel voor een bevolkingsonderzoek, onder meer naar prostaatkanker en huidkanker.

Van Gool: ‘Het idee is: als je er vroeg bij bent, dan scheelt dat. Maar veel mensen realiseren zich niet hoe delicaat die winst is. Screenen is ook schadelijk, als je mazzel hebt wordt dat gecompenseerd door winst. Je maakt veel mensen ongerust en je vindt afwijkingen die later niks blijken voor te stellen.

‘Ik heb ooit een man behandeld die op de intensive care was beland nadat hij zich met een kromme pink bij de chirurg had gemeld. Ze hadden voorafgaand aan de operatie naar zijn halsslagader geluisterd, en die bleek vernauwd dus ze hadden eerst die vernauwing weggehaald. Daardoor had hij een beroerte gekregen. Toen ik bij hem wegging, zei ik: ‘Zorgt u dat ze ook nog even naar uw pink kijken?’ Moest-ie zelf wel om lachen. 

‘Van het een komt vaak het ander, dat zie je ook bij screenen. Toch klinkt de roep om een regelmatige scan. Het hangt samen met de behoefte aan controle, met zoiets vaags als de maakbare samenleving. Het contrast met die dagelijkse schoolklas aan longkankerdoden is dan wel heel groot.’

2. Het chronisch vermoeidheidssyndroom

Voor het eerst in de geschiedenis van de Gezondheidsraad kregen patiënten een plek in de commissie. 

Van Gool: ‘De adviesaanvraag was het gevolg van een burgerinitiatief waarvoor tienduizenden handtekeningen waren opgehaald. Wij vonden daarom dat we moesten afstappen van de conventionele aanpak. Dat is best een ingewikkeld traject geworden, dat ontken ik niet, maar ik ben tevreden over het resultaat. ‘De patiënten worden ontschuldigd’, zei een van de wetenschappers over het advies dat we samen schreven. Een mooie formulering, want mensen met dit soort klachten worden vaak van aanstellerij beschuldigd.

‘Er kwam kritiek op onze aanpak. We moesten patiënten niet laten meedenken over het effect van bewijs. Dat hebben we ook niet gedaan, de wetenschap is leidend gebleven. Maar dat betekent niet dat je geen gehoor kunt geven aan wat er leeft bij patiënten. Dan hoor je bijvoorbeeld dat in onderzoek naar het effect van behandelingen naar de verkeerde uitkomstmaten wordt gekeken, naar dingen die voor patiënten helemaal niet belangrijk zijn.’

3. Hersendood

Een actiegroep spande een tuchtzaak aan tegen Van Gool vanwege het standpunt van de Gezondheidsraad: ‘Hersendood is dood en onomkeerbaar.’

Van Gool: ‘Voor experts – en dit gaat over mijn vakgebied – is het zonneklaar. Maar er zijn mensen die er veel tijd in stoppen om een rookgordijn op te werpen. Ze halen duistere literatuur aan uit blaadjes waarvan ik het bestaan niet eens ken. Waarom? Angst, denk ik. Terwijl we hier zo behoedzaam zijn. Als het ergens niet klopt, dan is het eerder de andere kant op: er gaan soms potentiële donoren verloren doordat er te lang wordt gewacht om iemand dood te verklaren, dat is de prijs van de zorgvuldigheid. Maar we doen er beter aan om niet aan die zorgvuldigheid te tornen, juist om die angstgevoelens niet te vergroten.’

4. Nee zeggen

De Gezondheidsraad kwam op eigen initiatief met een advies over onnodige zorg, meer gericht op artsen dan op de overheid.

Van Gool: ‘Artsen willen graag behandelen, daarvoor zijn ze opgeleid en daarvoor worden ze betaald. Toch is dat lang niet altijd het beste. ‘Voorzichtig niets doen’, zei mijn opleider altijd: de zaak aankijken maar wel regelmatig toetsen of die koers het best is.

‘Niets doen is lastig, het vraagt tijd en vaardigheid. Ik zie veel jonge collega’s ermee worstelen. Je moet een instrumentarium aan taal hebben om het patiënten uit te kunnen leggen. Doorverwijzen, een foto laten maken, is makkelijker. Bij patiënten speelt een overwaardering van techniek. Dat zien we bij dementie, die diagnose kan heel goed in de spreekkamer worden gesteld, maar veel mensen willen toch graag een scan. Onderzoek door mijn eigen groep heeft laten zien dat het meestal niet veel bijdraagt aan wat we al weten.’ 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden