Het grijze kind van het eiland Wight

BIJ Swinburne denk ik aan Geerten Gossaert. In zijn in 1941 verschenen bundel Essays staan twee grote opstellen over Engelse poëzie: over A.C....

KEES FENS

Het essay verscheen oorspronkelijk in 1911, - in hetzelfde jaar als zijn enige dichterbundel, Experimenten. Swinburne was net twee jaar dood. Gossaert kent niet alleen het hele zeer omvangrijke oeuvre, maar ook nogal wat aan secundaire literatuur. Het essay is het product van een haast hartstochtelijk lezen van de Engelse dichter, - wat herkennning van eigen idealen doet veronderstellen. Maar ook hier is de hartstocht bedwongen, zoals de vele scherpzinnige technische opmerkingen bewijzen. Maar de toon van het geheel is groots, ook van bewondering.

Het mooie is dat de retoriek die Gossaert in de poëzie van Swinburne prijst - en dat is vooral de retoriek in de beelden - later tegen het werk van de Engelse dichter is uitgespeeld. Maar zoals meer het geval heeft het latere werk van Swinburne het vroege werk - zijn beste - aangetast: de retoriek in het latere maakt tenslotte die in het vroegere zichtbaar. Maar er is nog iets anders. Ik citeer nu uit de slotpassage van Gossaerts essay:

'Er zijn gedichten die, behalve als poëzie, nog uit andere oorzaken de belangstelling opwekken: om de denkbeelden b.v. die erin zijn uitgedrukt. Zij zijn het die de essayist bij voorkeur ter behandeling zal uitkiezen, die hem het geredelijkst toestaan de invallen te volgen van een speelsch intellect, dat meer met talrijke en onverwachte schamplichten, dan met één centralen stralenbundel zijn onderwerp tracht te doen kennen.

'Maar de aard zelf van Swinburne's persoonlijkheid maakt een dergelijke wijze van behandeling van zijn werken onmogelijk. Iedere schrijver die met ingewikkelde beschouwingen de belangstelling voor hem poogde aan te wakkeren, zoude hem onwillens onrecht doen. Hij is slechts een dichter in de naakte, oorspronkelijke beteekenis van dit woord: een door het rhytme bezetene.'

Als lyriek, zoals de gemeenplaats wil, het domein van de jeugdige auteur is (via het drama moet hij dan naar de epiek van de ouderdom) is de dichter Swinburne altijd jong gebleven, de door het ritme bezetene, een metrische virtuoos ook. Er is terecht opgemerkt dat zijn poëzie geen ontwikkeling vertoont. Dat betekent ook in dit geval dat het belanceren tussen sens en son - het kenmerk van alle grote poëzie - bij hem verstoord wordt naar de klank (en natuurlijk naar alle andere uiterlijke middelen). Het raffinement laat zich voortdurend bewonderen - als 'technicus' doet hij in geen enkele opzicht onder voor Tennyson - maar men krijgt van de muziek weinig of in elk geval te weinig gedachten terug. Gossaert spreekt dan ook over 'betoverende melodie', wanneer hij deze regels citeert:

Then star nor sun shall waken,

Nor any change of light;

Nor sound of waters shaken,

Nor any sound or sight;

Nor wintry leaves nor vernal,

Nor days nor things diurnal.

Only the sleep eternal

In an eternal night.

Juist de onmogelijkheid steeds opnieuw betekenis aan zijn gedichten te kunnen geven, zou wel eens kunnen verklaren dat Swinburne vergeten is en binnen zijn tijd een dichter van het tweede plan wordt geacht. Als alle technische opmerkingen en alle autobiografische verwijzingen zijn gemaakt, is de kritiek op het einde van haar weg.

SWINBURNE heeft twee levens gehad. Het eerste duurde van 1837 tot 1879, net veertig jaar dus; het tweede, dertig jaar lang, durend tot zijn dood in 1909, is de natijd van de eerste. Vanaf zijn tweede publicatie, een neo-Grieks drama, Atalanta in Calydon, dat in 1865 verscheen, is hij het wonderkind van de Engelse poëzie. Dat kind, aanstootgevend kind ook, bleef hij, ergernis gevend om anti-christelijke verzen en regels, om zijn vieren van de seksualiteit ook, maar bewonderd om zijn ongeëvenaarde technische vermogens, waarvan vooral zijn volmaakte beheersing van vele soorten metra werd geprezen. Hij, die zelf heel veel poëzie, Engelse en Franse, uit het hoofd kende, schreef poëzie die zeker door hun muzikaliteit in het geheugen van anderen bleef. Er zijn getuigenissen van latere lezers die ervaringen meteen in regels van Swinburne vertaalden. En er zijn ontelbare getuigenissen over de muziek van zijn voordracht van eigen werk. Hij was een dichter voor het oor.

Na zijn jeugd op het eiland Wight - die de zee tot de moederschoot in zijn leven en poëzie maakte - na Eton en Oxford (dat hij zonder titel verliet) begint al heel vroeg zijn literaire leven, dat hem, ook al vroeg, tot de traditionele figuur van de gedoemde dichter maakte: hij werd een groot drinker. Maar in de jaren op Eton moet ook zijn sadisme zijn ontstaan. De ranselpartijen daar werden door de om zijn uiterlijk engelachtig genoemde jongen met genot gadegeslagen (met excuses voor de schijnbare woordspeling).

Wat flagellantisme heet - de hang naar slaan en naar geslagen worden - zal zijn geest bezig blijven houden (naar eigen woorden zou hij zijn hele poëzie cadeau willen geven om nog een keer zo'n ranselpartij op Eton te zien en hij vraagt in zijn brieven soms vrienden hem een mooie beschrijving van een ranselpartij te sturen). Ook in zijn poëzie verzweeg hij zijn perversiteiten niet, wat, met de anti-christelijke uitlatingen, critici zijn poëzie (met bewondering) deed afwijzen. Het wonderkind was ook de schandelijke knaap van de Engelse poëzie.

Zijn alcoholisme, dat hem niet hinderde bij zijn zeer grote productie, ruïneerde zijn toch al niet sterke gestel. Op zijn tweeënveertigste moet hij de grens van de eeuwige nacht hebben gezien. Hij was op. De dichter en essayist Theodore Watts-Dunton nam hem in huis. Bij hem zou hij tot zijn dood blijven wonen. Watts hielp hem van de alcohol en van de poëzie af. Hij schreef nog heel veel, maar het meeste daarvan is, naar het oordeel van de geschiedenis, superieure verbositeit. Hij werd zo'n beetje de legende van zichzelf en zijn liefde voor kinderen en baby's deed hem op zijn dagelijkse wandeling in alle kinderwagens kijken, - hij werd een excentriek. Watts, nog altijd in veel beschouwingen over Swinburne, als een reddende engel voorgesteld, moet overigens ook niet vrij van sadistische trekken zijn geweest; vernederingen bleven Swinburne niet bespaard, misschien zelfs slaag ook niet. Watts hield zijn huisgenoot, voor wie hij overigens ook een voortreffelijk 'literair agent' was, voor eigen glorie. Met Swinburne werd hij in elk geval onsterfelijk, want ondanks zijn vele publicaties, waaronder de eerste biografie van Swinburne, wordt hij alleen nog als de broeder van barmhartigheid van de grote dichter herdacht.

Er zijn opvallend veel kleine geschreven portretten van Swinburne overgeleverd. Achter elkaar geplaatst kunnen zij misschien wel een biografie vervangen. Van het type van de bijna engelachtige jonge dichter - de gedroomde kunstenaar - over de beschrijvingen van geleidelijk verval (maar altijd blijft daar de fascinerende stem van de kennelijk altijd uit eigen werk reciterende dichter) naar deze wat ontluisterende indruk uit 1898:

'Het huis was o zo fatsoenlijk en midden-Victoriaans... Toen wij in de kamer kwamen - o de Victoriaanse mufheid ervan - stond Swinburne op, hij was heel charmant. Hij was gekleed in glimmend zwart, van kop tot teen. Zijn pandjes-jas paste slecht, zijn broek was zo hoog opgetrokken dat ze de elastieken bovenzijde van zijn laarsjes lieten zien. Zijn armen hingen zo lusteloos langs zijn lichaam, alsof zij beenderloos waren; maar zijn hoofd was wonderlijk en zijn ogen leken de strijd te verraden die ik uit zijn poëzie aflees.'

De fascinatie door de dichter is gebleven, maar de bohemien is een vertegenwoordiger geworden van de Victoriaanse wereld die hij in zijn poëzie bestreed.

NA een kwart eeuw is er weer een nieuwe biografie van Swinburne verschenen. Uiteraard ziet de auteur alom een herwaardering van de dichter. Maar die moet toch vooral blijken uit een door hemzelf in 1987 mede georganiseerd symposium. De biografie heet A.C. Swinburne/ A Poet's Life. En de schrijver is Rikky Rooksby. Wie de levensbeschrijving uit heeft, moet wel concluderen, dat het bekende beeld nagenoeg geheel door de nieuwe biografie bevestigd wordt. Waarmee de vraag naar het waarom van deze biografie zich aandient.

Met de tweede titel lijkt de schrijver een restrictie te willen maken: Swinburne de dichter krijgt alleen gestalte. Dat zou voor mij betekenen: we krijgen de gedaante van de dichter, zoals hij die in zijn poëzie heeft verbeeld, de tweede biografie die van alle schrijvers mogelijk is. Maar Rooksby is een biograaf die heel veel poëzie alleen verklaarbaar acht vanuit het leven en de levensgebeurtenissen van de dichter. Hij leest heel veel autobiografisch. En dan komt er van die tweede biografie niet veel terecht. Deze levensbeschrijving is traditioneler dan de tweede titel te vermoeden geeft.

Na een 'inleiding' waarin hij twee fictieve vroege sterfdata oproept en die zo tot de gedachte leidt dat de waardering dan een andere zou zijn dan de huidige - je kunt inderdaad beter als een belofte sterven - begint hij het eerste hoofdstuk zo:

'Zelfs op een kalme zomerdag is het geluid van de zee te horen door de halfgeopende ramen aan de voorzijde van East Dene, Bonchurch, op het eiland Wight, het huis waar Algernon Charles Swinburne een groot deel van zijn kinderjaren en jeugd doorbracht. In een heldere nacht verzilvert de maan een groot deel van het water, ten zuidoosten van het Kanaal. In de winter klinkt het geluid van de oceaan over het grasveld voor het huis en zoutaanslag maakt het glas vuil.'

Ik houd niet zo van dat soort lyrisch proza, maar ik moet zeggen: het is ongeveer het enige verbeeldende uit de biografie, waarin zelden iets gezien of beschreven wordt. De setting van de biografie is welhaast abstract, op de benaming na. En naarmate de biografie vordert, wordt het steeds erger.

Als bij veel niet geslaagde biografieën zijn de hoofdstukken over de jeugdjaren de beste. Er kan veel over het latere leven te vermoeden worden gegeven. Maar als het latere leven komt, zijn daar slechts de feiten. En die andere feiten: het werk. De poëzie staat centraal - de tweede titel krijgt dus toch nog betekenis - er wordt zeer veel geciteerd en becommentarieerd, te weinig voor het werk, te veel voor het leven.

Tussen 1959 en 1962 verscheen in zes delen de uitgave van Swinburnes brieven. Rooksby citeert daar zeer en zeer veel uit. En de vele precieze dateringen van ook de kleinste handelingen van Swinburne moeten op het gebruik van de brieven zijn terug te voeren. Gelukkig zijn er ook veel brieven van anderen bewaard - Swinburne had veel literaire vrienden, de Rossetti's bijvoorbeeld, maar ook Swinburnes moeder was een schrijfster van vaak ontroerende brieven - en ook die worden in uitvoerige citaten gebruikt. Voor de boven genoemde getuigenissen over Swinburnes persoon en leven geldt hetzelfde.

Ik heb zelden in een vrij beknopte biografie - driehonderd pagina's - zoveel geciteerd gelezen. De biografie krijgt daardoor het karakter van een beknopte documentaire. En naarmate het boek vordert, blijken die citaten belangrijker dan wat ik nu maar noem de 'tussenteksten' van de auteur. Zeker in het tweede deel bestaan hele pagina's uit beknopte gedateerde opsommingen van activiteiten, verslagen die uit een agenda lijken te komen. Het bezwaar is dan dat de vermelde feiten geen rangorde hebben en - hoofdbezwaar - wanneer een vermeld feit nieuwsgierigheid wekt, er geen verklaring komt.

Men kan natuurlijk zeggen dat de auteur slachtoffer is van Swinburnes tweedelig leven. Inderdaad heeft hij over het eerste deel het meest te zeggen; over het tweede deel steeds minder; de laatste tien jaar van Swinburnes leven lijken nauwelijks te hebben bestaan, zeker niet als deel van een 'poet's life'. Of misschien toch ook wel, want het gezang van eens is geneurie geworden.

Over de neergang van dat leven zeggen de portretten heel veel. Er is een prachtige foto uit het midden van de jaren zestig (hierbij afgedrukt): een trotse jonge kunstenaar, die zijn natuurlijke schuwheid even overwonnen heeft. Alle getuigen zijn lyrisch over zijn schitterende bos rood haar. Een eenling. Op foto's uit de middenjaren is de gloed van de haardos verdwenen, maar ook de streken lijken verloren. Een keurige burgerheer. En op de ouderdomsfoto's is een eenling van eens een van de velen geworden, al splintert de geest nog in de ogen.

Hoe meer brieven ik las, hoe meer getuigenissen, hoe meer ik naar de foto's keek, hoe meer ik van de grote mogelijkheden van een biografie van Swinburne overtuigd raakte. Helaas.

Dit is een der mooiste teksten. Hij is van Leonard Woolf, die als student met anderen op wandelingen poëzie 'zong' en bijna altijd Swinburne. De tekst komt uit zijn autobiografie; Woolf zit bij de kapper in Putney, waar Swinburne de laatste dertig jaar woonde:

'...de deur ging open en iedereen, inclusief de man die mijn haar knipte, keek naar de kleine, breekbaar ogende man in een mantel en met een brede hoed op die in de deur stond. Ik herinner mij heel levendig het beven van de handen en de angst en ellende in de ogen. Niemand zei iets, en even later ging de kleine man weer weg en sloot de deur achter zich. ''Dat'', zei de kapper, ''is de heer Swinburne.'''

En zijn dronken protesterende stem klonk eens hard door straten en lokalen.

Rikky Rooksby, A.C. Swinburne, A Poet's Life, Scolar Press, Aldershot, prijs ¿ 110,05.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden