Het bindende van een gedeeld verleden

D E GRAUWE MINNAAR, het personage dat de titel gaf aan de nieuwe verhalenbundel van Carl Friedman, staat op het omslag van het boek afgebeeld....

ALEID TRUIJENS

Plaats van handeling is het Poolse dorpje Slomniki, in een tijdloos vroeger, laten we zeggen ruim voor de Tweede Wereldoorlog. De joodse gemeenschap is er arm en hecht. Maar als de vrouw van Gersjom Katz sterft, is er niemand die zich over de meer dan honderd jaar oude boer wil ontfermen. Niemand, behalve de vrek Sam Petscher, die in ruil voor zijn nobele gebaar Katz' hele bezit opeist en hem op het land laat ploeteren. Sam koopt een ezel, die hij uit pure verveling afrost. De boer en de ezel sluiten vriendschap. Uit vriendschap bloeit liefde, en, wat de ezel betreft, laaiende hartstocht. Het beest bestijgt de inmiddels om troost balkende oude man, die tijdens de liefdesrit bezwijkt.

De grauwe minnaar is, zoals het een sprookje betaamt, een even vanzelfsprekend als ongeloofwaardig verhaal. Het wordt op laconieke, klassieke verteltoon ontrold. Alles gebeurt terloops, zoals het sterven van Hanna Katz: 'Ze waste zich, trok het doodskleed aan dat ze in de linnenkast bewaarde en ze strekte zich uit op bed.' Even achteloos zijn de grapjes - 'Sam Petscher had zo'n lelijke kop dat hij door de Poolse boeren uit de omtrek voor een der hunnen werd gehouden' - en de moraal: 'Joden waren de ezels onder de mensen, en ezels waren de joden onder de dieren.'

Het verhaal doet in zijn simpele doeltreffendheid denken aan de kinderverhalen van Isaac B. Singer. Deze schreef ooit dat 'hoe meer een schrijver is geworteld in zijn milieu, des te beter hij door iedereen wordt begrepen; hoe nationaler hij is, des te internationaler wordt hij'. Die stelling gaat zeker op voor de verhalen van Carl Friedman, en voor haar roman Twee koffers vol uit 1993. Alle personages zijn vanzelfsprekend joods, joodse gebruiken en wijsheden vormen de stoffering, maar 'joods zijn' is nooit het thema. Friedman schrijft over wat mensen bij elkaar aanrichten, ouders, kinderen en geliefden. Over verlies en verdriet, en de mogelijkheid die te overwinnen. Zulke emoties verschillen niet wezenlijk bij eskimo's, katholieken of joden, maar bij Friedman komen ze binnen de joodse cultuur die haar achtergrond vormt, nu eenmaal scherper uit de verf.

Ook in de twee andere, contemporaine verhalen in deze bundel is joods zijn, een gedeeld verleden, wat de personages bindt. Hier geen ezels, kromme boeren en bietensoep, maar drukbezette moderne mensen, die crisismanager zijn of journalist. In beide verhalen is er een gebeurtenis die hun leven ontregelt.

In 'Heilig vuur' is het de zoon van een bevriend echtpaar die een groep vrienden uiteendrijft. Mirjam en Alex, de Roemeense Roos en Isidoor, de Française Thérèse en de vertelster komen al zo'n twintig jaar lang regelmatig bijeen, 'om van gedachten te wisselen met gelijkgestemden', met mensen 'aan wie je met een gerust hart je beste joodse mop kunt vertellen'. Fanatiek religieus is geen van hen. Hun avondjes, waarop de gaskamers net zo makkelijk ter sprake komen als alledaagse beslommeringen, groeien uit tot een vereniging. Hun band is sterk. Totdat Hans, de zoon van Mirjam en Alex, een stuk onbenul dat 'Mozes en Abraham niet eens uit elkaar kan houden', aanvechtingen krijgt van 'Jiddischkeit'.

Hans wil naar een strenge joodse school, er moeten gescheiden serviezen komen, de 'onreine' papegaai moet de deur uit, en zijn moeder moet lange rokken dragen. Voor het vriendenclubje houdt de jonge schriftgeleerde een lezing waarin hij orakelt over hel en verdoemenis. Mooi laat Friedman zien hoe de ouders twijfelen tussen ferm optreden tegen dit geschifte pubergedrag en onderwerping, uit liefde, aan hun enige kind. Zij doen het laatste. Heimelijk zijn ze een beetje trots op hun jongen die niet kon leren en alleen interesse had voor voetbal en die nu zo hard studeert. Maar de vrienden wordt het te dol: er volgen knallende ruzies. Hans vertrekt als kolonist naar Hebron en schiet uit volle overtuiging een Palestijn dood. De vertelster stuurt pakjes met kauwgom en Suske en Wiske-strips naar zijn gevangenis.

Een mooi contrast met het verhaal over de jonge fundamentalist vormt de geschiedenis van de vertelster. Zij had zo'n fanatiek religieuze vader, die haar jeugd verpestte met bijbelstudie en strenge leefregels. Zij trouwt niet, zoals hij hoopte, met een rabbi, maar vlucht het huis uit en wordt journalist. Anders dan Mirjam en Alex toonden haar ouders geen begrip, maar beschouwden haar als jood, 'omdat het boek Leviticus dat rechtvaardigde'. Een verkeerde, onvergeeflijke keus.

In het derde en mooiste verhaal, 'Stilstaan bij Bette', komt het goed tussen moeder en dochter. Makkelijk gaat het niet. De moeder is stervende en de dochter vliegt heen en weer tussen Amsterdam en het Vlaamse dorpje waar haar moeder woont, om haar samen met haar broer te verzorgen. Vooral in dit verhaal blijkt de grote kracht van Friedmans rustige, verhalende stijl, gespeend van metaforen en analytisch commentaar, maar nooit 'droog': het verhaal is doortrokken van een ingehouden emotionaliteit.

Wat je ziet en hoort is genoeg. En voor een stervende tellen vooral daden. De vertelster en haar broer David houden de dood op afstand met praktische klusjes. Als bezetenen werken ze in de tuin die hun moeder aanlegde voor haar man om hem de ellende van de oorlog te doen vergeten. De dochter zingt liedjes, sleept boeken aan. Ze maakt lekkere dingen klaar, maar het is nooit goed: 'Voorgesneden uien', roept ze verontwaardigd. 'Dat is goed voor mensen die geen messen hebben en geen smaak. En wat zijn dat voor sperziebonen? Het lijken wel komkommers. Waar heb jij in je jeugd gegeten?' De stervende is geen heilige, en de dochter vertrekt naar huis om daar vol wrok de muren te witten.

Het ontroerendste tafereel in dit verhaal is de verrassing die de zoon en de dochter hebben bedacht voor Bette's laatste verjaardag. Zij was altijd dol op astronomie. Ze kopen een telescoop en in een gehuurd bed op wieltjes rijden ze haar de heldere nacht in. Maar Bette is al opgesloten in het heelal van haar eigen, door tumoren bezette hoofd en begrijpt niets van de hele onderneming. Na haar dood worden de twee volwassenen, na even weer broertje en zusje te zijn geweest, snel vreemden voor elkaar. De andere broer had zich gedurende het ziekbed al gedrukt.

Het is een verhaal van alle tijden, en van alle families. Van veertigers die hun ouders begraven. Dat is makkelijk gezegd, maar als Friedman het niet zo had opgeschreven, konden we niet zeggen: ja, zo gaat het. Ieder gezin kent zijn eigen wetten, iedere keer is het gewone verhaal bijzonder. Het bijzondere een schijn van algemene geldigheid geven, dat kan alleen een schrijver van het formaat van Friedman.

Aleid Truijens

Carl Friedman: De grauwe minnaar.

Van Oorschot; 180 pagina's; ¿ 32,50.

ISBN 90 282 0900 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden