Het begin komt te laat

Het grootste raadsel van de eerste herinnering is dat er zoveel aan vooraf is gegaan. De meeste eerste herinneringen zijn van tussen de drie en vier jaar, terwijl het leven dan al een tijdje bezig is....

Het begin van Hendrikje Schipper was tegelijk ook bijna haar einde. Ze kwam in de zomer van 1890 ter wereld, veel te vroeg, ze woog amper drie pond. Couveuses bestonden nog niet. Haar overleving had ze te danken aan haar grootmoeder, die haar vier weken lang in een warme wollen schort op schoot hield, zittend bij het vuur. Hendrikje is nu de oudste van Nederland, ruim 113 jaar. Haar vroegste herinneringen, vertelde ze Steffie van den Oord, die haar interviewde voor het boek Eeuwelingen. Levensverhalen van honderdjarigen in Nederland, gaan terug naar diezelfde grootmoeder. Hendrikje zit op een stoof dicht bij het vuur en krijgt van oma een kluwen garen: 'Dat muj aoverdoen want dat is zo slordig oppewunnen'. Ze was toen een jaar of drie, denkt ze. Trek drie van 113 af: de oudste herinnering van het land is 110 jaar, nog levend in een kamer van verzorgingshuis De Westerkim te Hoogeveen.

Maar hoe leeft zo'n herinnering? Herinnert Hendrikje zich het beeld van zichzelf op de stoof, zoals het ooit in haar geheugen is vastgelegd? Of heeft ze het verhaal al zo vaak verteld dat ze zich eerder het verhaal herinnert? Of erger nog: is haar als kind ooit verteld dat oma haar dat garen op liet rollen en is dat verhaal in een herinnering veranderd? En als het toch het oorspronkelijke beeld is en niet een verhaal, van zichzelf of van anderen, slaat ze dan misschien telkens opnieuw het beeld op, zodat die eerste herinnering eigenlijk niet ouder is dan de laatste keer dat ze er aan dacht?

Dat laatste is de opvatting van sommige geheugenpsychologen: door je je iets te herinneren leg je opnieuw een neuronaal spoor aan en de volgende keer dat je je ogenschijnlijk hetzelfde herinnert, is het in feite het meest recente spoor dat geactiveerd wordt. Herinneringen, ook de oudste, reizen in je hersenweefsel mee in de tijd. Door terug te denken aan je eerste herinnering sluit je volgens deze theorie een merkwaardig contact in de neurologische circuits van je geheugen: het oudste is heel even het nieuwste, het eerste het laatste.

Verhalen die 'herinneringen' worden, ze komen voor. Nico Scheepmaker bundelde in 1988 ruim 350 eerste herinneringen in De eerste herinnering. Hij vroeg zes jaar lang allerlei mensen die hij tegenkwam, beroemd, bekend en onbekend, naar hun eerste herinnering. Vanaf het wel heel sterke verhaal van dirigent Claudio Abbado - 'Ik herinner mij nog de chaconne van Bach die mijn vader speelde toen ik twee maanden was' - komt er een reeks op gang waarin veel van de verschuivingen en vertekeningen zijn aan te wijzen die herinneringen nu eenmaal ondergaan. Soms bleken eerste herinneringen niet de eerste. Scheepmaker zelf dacht dat de herinnering aan het nog warme witbrood dat hij op vakantie mocht halen zijn eerste herinnering was, tot zijn moeder vertelde dat het gezin die vakantie voortijdig teruggekeerd was wegens het overlijden van opa en hij zich realiseerde ook nog herinneringen aan die opa te hebben. Uitgever Geert van Oorschot stuurde Scheepmaker per brief een eerste herinnering die nog ouder was dan de eerdere eerste herinnering. Veel mensen hebben drie, vier vroege herinneringen die bij elkaar horen, bijvoorbeeld omdat ze nog van voor een verhuizing zijn, maar waarvan ze de chronologie vergeten zijn.

Onzeker is soms ook wát de verteller zich herinnert - het oorspronkelijke beeld, een verhaal, een foto, een droom? Henk Hofland had jarenlang als eerste herinnering deze droom: in de sloot achter hun huis in Rotterdam komt zomaar de Statendam met zijn drie schoorsteenpijpen langsstomen. Veel later vertelt hij zijn vader over die droom en krijgt dan te horen dat dat helemaal geen droom was geweest: 'De Statendam hééft in die sloot gevaren. Onze buurman was modelbouwer, hij heeft een keer de Statendam nagebouwd en die toen in de sloot achter ons huis gezet! Dat heb je niet gedróómd, dat heb je gezíen!'

Berucht is ook de foto die herinnering wordt. Een zwart-witkiekje, ooit gezien, heel even getoond en een paar jaar later heeft het geheugen het stilstaande moment tot leven laten komen en er een kleurige herinnering van gemaakt, ongeveer zoals sommige films beginnen met een stilstaand beeld in sepia dat plotseling gaat bewegen. Wat zeker bijdraagt aan de verwarring is dat de meeste mensen zichzelf zien in hun eerste herinnering, van buitenaf, inderdaad zoals je op een foto naar jezelf zou kijken.

Vraag tien mensen naar hun eerste herinnering en je krijgt tien verhalen, vraag 350 mensen en je krijgt patronen. Talrijk zijn de ongelukjes. Frank Rijkaard viel als driejarige bij de buurvrouw in een teiltje met heet waswater en werd in het ziekenhuis opgenomen. Ton van Duinhoven moest na een val met een kapot gebit naar de tandarts. Jan Kal liep achteruit tegen een heet strijkijzer en verbrandde zijn kuit. Achtervolgd door een hond, overboord gevallen, uit het raam gevallen, een glasscherf in het been, al die ongelukken zijn bij tientallen vastgelegd in evenzovele eerste herinneringen.

Ook gevaar, echt of ingebeeld, vindt gemakkelijk zijn weg naar het geheugen. Alleen al de op drift geraakte kinder- en wandelwagens, met de angstige verteller er nog in, zijn goed voor zeker tien eerste herinneringen. Veel eerste herinneringen hebben te maken met plotseling alleen zijn: verdwaald, opgesloten in een kast, achtergebleven op zolder met het luik weer dicht. Truman Capote herinnerde zich dat het dienstmeisje dat hem had meegenomen naar de dierentuin van St. Louis hem op het pad liet staan en het zelf op een rennen zette toen er geschreeuwd werd dat er twee leeuwen waren ontsnapt. Minder spectaculair, maar een klassieker in de Nederlandse eerste herinneringen, is het amandelen pellen.

En dan de oorlog. Het is een uitgesproken leeftijdseffect in de verzameling van Scheepmaker. Zeker vijftig eerste herinneringen hebben met de oorlog te maken. Het verloop zou je bijna in eerste herinneringen kunnen vertellen: Gerben Hellinga die zich herinnert dat hij zijn vader ging opzoeken die tijdens de mobilisatie was ingekwartierd in een fort, de bombardementen op Schiphol en Middelburg, later op het Bezuidenhout (Max van Rooy) en de Philipsfabrieken, de razzia's rond vliegveld Ypenburg (Wim Hazeu), de angst voor het geluid van V-1's (Marijn de Koning), de mishandeling van een joodse stratenmaker, onderduikers zien slapen op zolder of angstig omhoogkijkend vanuit de kelder, de ondergedoken Lisette Lewin die als tweejarige argeloos aan voorbijgangers vertelde hoe ze heette, Ria Lubbers die zich herinnert hoe verwonderd ze was dat haar moeder loog toen Duitse soldaten vroegen of haar man thuis was, Rob van Gennep die brood ging jatten bij de stellingen van de V-2's, de zilverpapiertjes die geallieerde vliegtuigen uitwierpen om de Duitse radar te storen, overvliegende Engelse bommenwerpers (Wiegel) en voedselvliegtuigen (Jos Brink), later de bevrijding (zeker vijf eerste herinneringen aan binnentrekkende Canadezen), gehannes met het uitsteken van de vlag, afmarcherende Duitsers en nog weer later, na de oorlog, Jan Donkers die speelgoedautootjes vond in de ruïnes van gebombardeerde huizen.

De emotionele lading van de beelden in een eerste herinnering - want het zijn vrijwel altijd beelden, een heel enkele keer een smaak of een geur - lijkt vaak via de reactie van de ouders met de herinnering verbonden. Kinderen herinneren zich niet hun eigen angst bij het bombardement, maar wel de paniek van hun ouders, niet hun eigen verdriet als een broertje overlijdt, maar het huilen van volwassenen (Truus Menger). Walter Crommelin herkende zijn vader niet toen die na twee jaar terugkeerde uit Indië, het liefst wilde hij gewoon doorspelen, hij herinnerde zich later vooral het verdriet dat zijn moeder daarvan had. Kinderen taxeren hun wereld nog door de ogen van hun ouders.

Maar het grootste raadsel van de eerste herinnering is natuurlijk dat het een begin is waar zoveel aan voorafgaat. De meeste eerste herinneringen zijn van tussen de drie en vier jaar, met uitschieters naar vroeger, maar ook naar veel later, tot zeven, acht jaar aan toe. Het leven is al een tijdje bezig voor we er herinneringen aan vastleggen. 'We zijn laatkomers in onze eigen geschiedenis', schreef de filosoof Cornelis Verhoeven. De paradox is dat het geheugen van jonge kinderen, op het moment zelf, al prima lijkt te werken. Ze babbelen honderduit over wat ze hebben beleefd. Ze weten met wie ze plezier hebben gehad en met wie niet, ze zien uit naar het bezoek van de een en kruipen weg voor een ander. Ze moeten hun belevenissen hebben onthouden. En toch zijn die herinneringen een paar jaar later verdwenen. Ze raken alsnog zoek.

Bij al dat vergeten speelt taal onmiskenbaar een rol. Er zit een suggestieve gradatie in typen eerste herinneringen: eerste herinneringen die uit een losse flard, een enkel beeld bestaan zijn 'vroeger' (gemiddeld tweeënhalf jaar) dan herinneringen aan een korte scène. Eerste herinneringen die zich als een gebeurtenis laten vertellen zijn het laatst: drieënhalf jaar, ook de leeftijd waarop een kind zichzelf kan beginnen te vertellen wat het heeft beleefd. Maar wat ook de verklaring, de consequenties kunnen je met een diepe melancholie vervullen. Het begin komt te laat. Je ziet een jongetje van net twee zijn ouwe opa in de tuin spelen, je weet dat wat later zijn eerste herinnering zal zijn op zijn vroegst over een jaar of anderhalf wordt vastgelegd en je beseft grimmig wat er ontbreekt aan jonge kinderen: een knopje met rec. en een rood lampje dat geruststellend aangeeft dat de opname gemaakt wordt.

De evolutie had andere plannen met het geheugen. Het moet ons uit de moeilijkheden houden en heeft daarom zo zijn eigen prioriteiten. Het vereeuwigt in eerste herinneringen geen rollende opa's, maar hete strijkijzers, glasscherven, boze honden, donkere kasten met een deur die in het slot is gevallen, en dat allemaal voor ons eigen bestwil. Het geheugen gehoorzaamt zijn ontwerp, niet zijn bezitter. We kunnen ons eigen geheugen al niet commanderen, laat staan dat van een ander. In het boek van Scheepmaker vertelt de schilderes Arja van den Berg dat ze zich herinnert dat haar moeder zei 'Dit moet je je altijd blijven herinneren!' Nu herinnert ze zich die opdracht, niet meer wat ze zich moest blijven herinneren.

In A tale of two cities van Dickens krijgt de oude heer Lorry de vraag voorgelegd of de herinneringen aan zijn kinderjaren hem veraf lijken. Twintig jaar geleden zou hij daar nog 'ja' op geantwoord hebben, zegt hij, maar nu, in de jaren van zijn ouderdom, heeft hij het gevoel dat hij zich in zijn leven in een cirkel heeft bewogen en weer dichter bij het begin is gekomen: 'Mijn hart wordt nu getroffen door vele herinneringen, die lang gesluimerd hebben.'

Het is een verschijnsel dat de laatste tien jaar veel aandacht heeft gekregen in de geheugenpsychologie en daar bekend staat als het 'reminiscentie-effect': in het ouder wordende geheugen lijkt een trek te ontstaan naar herinneringen uit de jeugd. Het effect wordt in experimenten meetbaar vanaf een jaar of zestig en neemt daarna in kracht toe. Bij de eeuwelingen van Steffie van den Oord heeft het een haast lachwekkende omvang. Als ze het over 'de oorlog' hebben is dat niet de Tweede Wereldoorlog, maar de eerste. Meneer Hellebrekers, van 1901, vertelt dat zijn rechterarm wat minder begint te worden: daar heeft hij in 1916 te lang mee doorgetimmerd. Meneer Bos (1891) weet nog wel de dienstregeling van het beurtschip van zijn vader, maar is vergeten wanneer hij ook alweer trouwde ('op mijn negenendertigste, geloof ik'). Een Zeeuwse mevrouw vertelt huilend over de watersnood, ze blijkt het over een dijkdoorbraak uit 1906 te hebben.

Maar wat ook opvalt bij de eeuwelingen is de vasthoudendheid waarmee hun geheugen 'eerste keren' van allerlei slag en soort heeft opgeslagen: de eerste schooldag, de eerste dag bij een baas, de eerste ontmoeting met hun man of vrouw. Fietsenmaker Nijk uit Steggerda, van 1900, herinnert zich het kenteken van zijn eerste auto (B 12470, met de B van Friesland), zuster Finata, ook van 1900, dat ze in 1908 voor het eerst een non zag. Van der Goes van Naters (1900) had levendige herinneringen aan de eerste 'arbeider' die hij ontmoette. Hendrikje Schipper herinnert zich de eerste tomaten en de reactie van haar moeder: 'Dat spul eet ik niet, ut bint net pisappelties.' Ze mikte de hele oogst op de mesthoop. Een cirkel inderdaad, die reminiscenties, misschien niet helemaal terug naar de eerste herinnering, maar wel naar de eerste keren die je in je leven hebt meegemaakt.

Hendrikje Schipper was trouwens een paar weken geleden nog op tv, in een documentaire over de beleving van tijd. Ze was daarin de memorabele afsluiting: parmantig, spraakzaam, laconiek. 'Mogen we u filmen als u slaapt?' Het mocht. Even later zagen we haar op bed klauteren en zich neervlijen, het rimpelige hoofdje bijna verdwenen in het kussen. De associatie met een kleuter was onweerstaanbaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden