Analyse depressie bij kinderen

Help, mijn kind heeft een depressie

Beeld Jan Rothuizen

Geen zin om te spelen, binnen willen blijven en zelfs dood willen; kinderen met een depressie vallen in Nederland veel te vaak tussen wal en schip. Artsen en ouders slaan alarm. ‘Ik heb echt gevreesd dat mijn 8-jarige kind zich van kant zou maken.’

Kian (8) zit op de bank in zijn gestreepte tijger-onesie. Hij frunnikt aan het oortje aan zijn capuchon en staart naar de tv, naar zijn favoriete Netflix-serie over stripfiguren. ‘Hij lééft in dat pak’, zegt zijn moeder Tahnee (32). ‘Hij heeft het elke dag aan.’

Sinds een paar weken zit Kian thuis. Als je zijn acht jaar durende leventje voorstelt als een emmer, dan is die nu overgelopen. De eerste druppel: zijn hoogbegaafdheid, die niemand op de peuterspeelzaal, op school of bij het consultatiebureau opmerkte. ‘Qua spraak was-ie gemiddeld, in zijn koppie was hij verder’, vertelt zijn moeder. ‘Niemand begreep hem en hij kon zich niet uitdrukken. Hij werd één bonk frustratie.’ Dat resulteerde in woede-uitbarstingen en tranen. Of hij ging op de grond zitten en deed niets meer.

'Dwangmatig'

Druppel nummer twee: de scheiding, net na de geboorte van zijn zusje. Tahnee: ‘Ik heb me daar lang schuldig over gevoeld. De thuissituatie was door de ruzies niet zoals die zijn moest, dus ging Kian voor zichzelf veiligheid creëren.’ Obsessief zette hij spullen - stoelen, autootjes, schoenen - terug, steeds op dezelfde plek, ‘op de centimeter af’. Iedere avond wilde hij van zijn gele bord eten. Klokslag 19.00 uur moest hij van zichzelf in bed liggen. ‘Heel dwangmatig.’

Druppel drie: pesterijen. Op school was de teruggetrokken Kian met z’n korte lontje een vreemde eend in de bijt. Niet zelden kwam hij met een blauw jukbeen thuis. Of was hij - klein van stuk - op school in de speelgoedkist opgesloten. ‘Er was een kind óp het deksel gaan zitten’, zegt Tahnee op fluistertoon. Vooroverbuigend, terwijl ze naar Kian kijkt, die nog steeds in dezelfde houding Netflixt. ‘Dat is toch niet te geloven?’

Intelligentietest

Om meer rust te creëren, verhuisde Tahnee met haar twee kinderen naar Gelderland, in de buurt van haar ouders. Kian volgde bij een kinderpsycholoog EMDR-therapie om de scheiding en het gepest te verwerken en ging naar een dagbehandeling voor kinderen met psychiatrische en gedragsproblemen en een laag IQ. ‘Ik heb moeten lullen als Brugman en een paar maanden moeten wachten voor hij een intelligentietest kreeg.’

De driftbuien bleven. Kian werd bleker, at slechter - zelfs zijn lievelingskostje lasagne liet hij onaangeroerd staan. Moeder Tahnee zag dat de schouders van haar zoon alleen nog maar hingen. ‘Door die lusteloosheid begon ik me af te vragen: zou hij misschien depressief zijn? Ik had geen idee dat het kon, kinderen hebben altijd zo’n vrolijke, nieuwsgierige glinstering in de ogen, maar die van mij dus niet meer. Buiten zag ik jongens voetballen, binnen sjokte mijn zoon door de woonkamer als een oude man, niet in staat één voet buiten de deur te zetten.’ Op de slechtste dagen moest Tahnee Kian uit bed tillen, hem aankleden en naar de taxi sturen die hem naar de dagbehandeling bracht. ‘Ik heb daar een paar keer aan de bel getrokken, net als bij de gemeente: ‘Mijn kind is depressief, dáár heeft hij hulp bij nodig’. Er gebeurde niets.’

Van de kinderen onder de 5 jaar is 1 procent depressief, van de 6- tot 12-jarigen is dat 2 procent. Bij jongeren tussen de 12 en 18 jaar ligt dat percentage op 4, zo meldt het Nederlands Jeugdinstituut. In 2016 was dat nog 1,8. ‘We kunnen ons moeilijk voorstellen dat kinderen, óók de kleintjes, depressief kunnen worden’, zegt Ramón Lindauer, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘We koppelen het kind automatisch aan een zekere onbezonnenheid. Maar dat is niet altijd realistisch. Een kind kan trauma’s of aanleg hebben, gepest zijn of depressief worden door hoogbegaafdheid of een stoornis, zoals autisme.’

Beeld Jan Rothuizen

Lindauer helpt kinderen onder de 7 jaar met ernstige psychische klachten. De patiëntjes die neerploffen op de vrolijke zitzakken in zijn behandel-kamer zijn in het dagelijks leven vaak futloos, prikkelbaar en kampen met oncontroleerbare woede.

‘Ik had laatst een kind dat altijd buitenproportioneel uit zijn slof schoot als papa of mama iets simpels vroeg als: ‘Wil je helpen met de afwas?’ Die ouders hadden geen idee waar het vandaan kwam, laat staan het kind zelf. Daardoor duurde het lang voordat ze bij ons aanklopten.’

Symptomen

Ook gewichtsverlies, slaapproblemen, concentratieproblemen, ondermaats presteren en amper dingen bijleren tijdens de reken- of taalles zijn symptomen van depressie. Net als niet meer groeien: uit onderzoek blijkt dat depressie bij kinderen kan leiden tot stagnatie in de groeicurve.

Lastig: het is niet altijd te zien aan een kind dat het niet goed gaat. Lindauer: ‘Bij een kind uit depressiviteit zich anders dan bij een volwassene. Ze kunnen soms echt nog wel spelen, even kind zijn, en zitten niet alleen maar op de bank. Daarbij staat bij een jong kind een geïrriteerde stemming meer op de voorgrond dan een depressieve, zoals bij adolescenten en volwassenen. Kinderen gaan zich anders gedragen, omdat ze niet weten wat ze moeten doen met hun gevoelens.’

Het allermoeilijkst: een kind kan best uitleggen dat zijn knie zeer doet of dat hij bang is voor groene monsters onder het bed, maar depressieve gevoelens onder woorden brengen? Voor volwassenen is dat al een opgave. ‘Jonge kinderen hebben de taal nog niet om een depressie onder woorden te brengen.’

Priscilla van Barlingen (34) liep en loopt daar tegenaan bij dochter Noëlle (14), die twee jaar geleden depressief werd. Op een doordeweekse dag zit Priscilla op de bank in haar Boskoopse appartement; haar mobieltje staat op de luidspreker, aan de andere kant is dochter Noëlle te horen.

‘Maar lieverd, die mevrouw van de krant is hier speciaal voor jou.’

‘Ik wil niet, ik ben moe. Ik blijf bij papa.’

‘Maar dan is die mevrouw helemaal voor niets gekomen.’

‘Nou en. Ik ben moe.’

‘Ze wil met jou praten over die nare dingen die soms door je hoofd flitsen.’

‘Ik ben moe. Ik ga slapen. Doei.’

Priscilla wrijft in haar ogen. ‘Dat is dus wat ik bedoel. Ze zegt dat ze moe is, maar het zijn die angsten. Het gaat beter, maar af en toe zijn ze er nog.’

'Naar gevoel'

Noëlle zat in groep 7 toen ze een ‘naar gevoel’ in haar lijf voelde ‘dat ze niet kon tegenhouden’, zo omschreef ze het eens tijdens therapie. Priscilla: ‘Ze was altijd een gevoelig kind, niet graag op de voorgrond. Toen ik er na de scheiding alleen voor kwam te staan, ging het hier een tijdje niet goed. Ik moest het in m’n eentje zien te rooien en met twee jonge kids is dat niet altijd makkelijk.’

Noëlle werd door Jeugdzorg uit huis geplaatst. Toen ze na een tijd weer terugkwam, herkende Priscilla haar dochter niet meer. ‘Ze vond het fijn terug te zijn, maar wilde niet meer naar school. Elke ochtend stond ze te schreeuwen in de deuropening, huilend, ‘ik wil niet, ik wil niet’.’ Noëlle had wel veel vriendinnetjes, maar ondernam niets meer. Eten lukte amper. ‘Ik was blij als ze op een dag drie boterhammen met pindakaas at. Voor ons huis is een speeltuintje waar altijd kinderen voetbalden, muziek op hun telefoontjes luisterden, stiekem rookten. Ik weet nog dat ik dacht: deed ze dát maar. Kwam ze maar twintig keer per week te laat thuis. Kón ik maar boos op haar worden omdat ze de puber uithing.’

Nergens goede hulp

Toen Noëlles lusteloosheid aanhield, trok Priscilla aan de bel. ‘Of het nou kwam door de uithuisplaatsing, de scheiding, school of aanleg: mijn kind had hulp nodig.’ Ze telt op haar vingers. Een, twee, drie - bij zes instanties heeft ze aangeklopt de afgelopen twee jaar. ‘Het was kastje, muur, kastje, muur, kastje. Nergens kon ik de goede hulp krijgen. Er waren wachtlijsten of we kregen na weken te horen: ‘We kunnen niets voor uw dochter doen’. Na een paar maanden had Noëlle nog steeds geen geschikte hulp en geloofde ze mij niet meer als ik zei dat het goed zou komen. Ik geloofde het zelf eigenlijk ook niet meer.’

Priscilla is niet de enige ouder die de wanhoop nabij is. Een op de drie ouders van kinderen met psychische problemen zegt dat het te veel moeite kost geschikte hulp voor hun kind te regelen. Dat bleek uit het SCP-rapport De eerste evaluatie Jeugdwet van begin dit jaar waarvoor ruim negenhonderd ouders zijn ondervraagd. Manon Hillegers, hoogleraar en afdelingshoofd kinder- en jeugdpsychiatrie aan het Erasmus MC-Sophia herkent het probleem. Om die reden besloten het Erasmus MC en het VU medisch centrum onlangs samen te werken en acht jaar lang bij achthonderd kinderen te kijken wat de vroege signalen van een depressie zijn; Hillegers leidt dit project. Wat zij vooralsnog ziet: wachttijden die de pan uitrijzen en wijkteams met onvoldoende of geen kennis om hulp te bieden aan kinderen met complexe problemen. Hilligers: ‘Je kind zo somber zien, maakt machteloos. Ouders vragen zich af wat ze fout doen, willen weten: wat moet ik doen om mijn zoon of dochter gelukkig te maken?’ Professionele hulp is schaars, of onvindbaar. ‘Ik maak regelmatig mee dat een kind met suïcidale gedachten moet worden opgenomen en dat er na úren bellen nog steeds geen bed is. Nergens. In heel Nederland niet.’

Ook Tahnee had grote zorgen over zoon Kian. Ze zegt: ‘Hij dacht na over dingen waarover hij niet na hoorde te denken. Ik dacht lang dat ik die driftbuien het ergste vond. Maar het dieptepunt was dat hij opgekruld op de badkamervloer lag. Hij huilde en riep ‘mama mama, ik wil liever dood’.

Zelf beschrijft Kian het als ‘heel erge pijn’ in zijn hart. ‘Net zo’n pijn als dat iemand je een elleboogje geeft.’

Even later, als Kian naar de wc is, zegt Tahnee fluisterend: ‘Ik heb toen echt gedacht, gevreesd: straks maakt mijn kind zich van kant, op 8-jarige leeftijd.’

Zelfdoding

‘Kinderen kunnen zeker denken: voor mij hoeft het niet meer’, hoogleraar Lindauer. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat zelfdoding met de leeftijd toeneemt. In 2016 waren er tussen de 10- tot 15-jarigen 9 zelfdodingen, onder de 15- tot 20-jarigen 39. ‘Heel jonge kinderen plegen geen zelfmoord, simpelweg omdat hun handelingsbereik nog niet zo groot is. Maar ze kunnen wel dénken: het hoeft voor mij niet meer. Die gedachte is al vreselijk genoeg. Kinderen worden er vaak bang van, dus ze duwen de gedachte weg.’

Lindauer leert zijn zijn aankomend hulpverleners altijd er naar te vragen. Schuw het onderwerp niet, ook niet - of juist niet - bij kinderen. ‘Kinderen en jongeren hebben makkelijke vragen nodig. Het woord ‘suïcide’ kennen ze niet. Dus dan vraag je: heb je nog plezier? Of je zegt: ‘Er zijn ook kinderen die zich net zo voelen als jij, en die denken wel eens: voor mij hoeft het niet meer, of was ik maar dood. Heb jij dat ook?’

Wrang voordeel bij jonge patiënten: ze geven vaak gewoon antwoord vanuit hun kinderlijke eerlijkheid. Waarna opluchting volgt. ‘Dat zie je in die ogen. Ik leg ze uit dat ze niet de enige zijn en vertel wat een depressie is. ‘Oh, heet dat zo?’, zeggen ze dan. Ik vind een positieve boodschap meegeven belangrijk. Zo van: je bent niet alleen. En we kunnen je helpen. Zelfs als je aan de dood denkt.’

Beeld Jan Rothuizen

Dat zijn de dingen die je wilt horen, vertelt Jonneke (18) in haar kamertje in een Zeeuws behandelcentrum voor jongeren met psychische problemen. Ze heeft het gezellig gemaakt met een roze bloemetjesdekbed, een grote knuffelbeer aan het voeteneind en vrolijke kaarten van vrienden aan de muur. Ze heeft iedereen verteld over haar depressies, waarmee ze al vanaf haar 12de kampt. ‘Waarom zou ik er een geheim van maken? Ik wil serieus genomen worden. Ik heb er als puber lang mee rondgelopen, durfde het niet te vertellen. En toen ik het eindelijk opbiechtte, dachten mijn ouders dat het ‘gewoon’ door de puberteit kwam. Ik houd veel van ze, maar dat deed echt zeer.’

Nu weet iedereen: Jonneke heeft een probleem. En dat moet opgelost. Dus is ze een paar maanden intern in behandeling, ‘een gevecht dat ze gaat winnen’, schreef ze in haar vwo-profielwerkstuk over depressies - waar ze trouwens een dikke 10 voor kreeg.

‘Het is levensgevaarlijk als je suïcidaal bent en weken moet wachten op hulp’, weet Jonneke. Ze klinkt vrolijk, helder. Maar dat is schijn, zegt ze. ‘Ik kan er goed over vertellen, zeker nu ik ouder ben.’ Twee keer zat ze in een ‘megadiep, superdonker dal’. ‘De eerste keer kreeg ik onmiddellijk hulp, de tweede keer moest ik maanden wachten. Als het zo lang duurt, zit je alleen maar te zenuwen. Of nou ja, zenuwen... Dat is zacht uitgedrukt. En ik dacht ook: iedereen weet het nu, ik hoef niets meer te verbergen. Het leek of mijn depressie daardoor vrij baan kreeg: ik ging bijna niet meer naar school, kwam mijn bed niet uit en mijn eetstoornis, die ik na mijn depressie had ontwikkeld, werd erger. Soms at ik één crackertje op een dag.’ En dan was er almaar dat stemmetje in haar hoofd: ‘Het heeft toch geen zin meer!’ Ook hoogleraar Hillegers in Rotterdam erkent dat het schadelijk is lang depressief te zijn: ‘Het is ontwrichtend, omdat een kind volop in ontwikkeling is. Hoe eerder je erbij bent, hoe sneller het kind herstelt en hoe minder kans op andere psychische problemen of terugval.’

Priscilla van Barlingen, de moeder van Noëlle, is vrijwilliger bij de Stichting SOS-Jeugdzorg, ‘Samen sterk voor rechtvaardige jeugdzorg’. Op haar dressoir ligt een folder over de workshop ‘Allemaal gekkies’, bedoeld voor contact tussen ouders, jongeren, hulpverleners en jeugdbeschermers. Ook is er een Facebookpagina, waarvan het ledenaantal de afgelopen twee jaar verdubbelde naar 6.200.

Priscilla: ‘We willen ouders bijstaan in hun zoektocht naar hulp. Ik wil dat ook zij hun kind zien opbloeien, zoals ik Noëlle nu langzaam uit haar cocon zie stappen, dankzij haar therapeut in het Leids Universitair Medisch Centrum.’

Lindauer ziet hoe met cognitieve gedragstherapie de sociale vaardigheden van een kind verbeterd kunnen worden en denkfouten opgespoord en gecorrigeerd. ‘Dan laat je een kind ervaren hoe je óók kunt denken en wat er dan gebeurt met je gevoel. Het is het principe van het halfvolle glas: kijk je daar positief of negatief naar?’

Beeld Jan Rothuizen

Medicatie

Jeugdpsychiaters zijn voorzichtig met het voorschrijven van antidepressiva: kinderhersenen zijn nog volop in ontwikkeling en er is nog weinig onderzoek naar het effect van pillen. Hillegers: ‘Die gebruik je pas als intensieve psychologische behandelingen onvoldoende effect hebben. Bij een depressieve adolescent die suïcidaal is en bij wie de psychologische aanpak onvoldoende werkt, worden wel antidepressiva voorgeschreven. Dan wegen de risico’s van de medicatie op tegen de ernst van het ziektebeeld.’

Soms denkt moeder Tahnee stiekem: kon ik maar een pilletje door Kians aardbeienyoghurtje doen. ‘Ik weet dat het niet realistisch is, maar dat-ie éven verlost is van zijn nare gevoelens.’ Ze heeft zoon Kian ingeschreven bij een nieuwe, speciale school en aangemeld bij een nieuwe behandelaar. ‘Het moet slagen. Het móét. Als moeder is niets erger dan toekijken hoe je kind wegzakt.’

Kian is naast haar komen staan. Hij knikt. Hij snapt alles van wat er is gezegd. Buiten klinken kinderstemmen: de school is uit. Het is mooi weer. De buurtkinderen gaan vast voetballen. Kian niet. Morgen misschien.

Inmiddels zit Kian op een in hoogbegaafdheid gepecialiseerde school.

Sommige namen van de geïnterviewde ouders en kinderen zijn veranderd in verband met de privacy van de kinderen. Hun werkelijke namen zijn bekend bij de redactie.

Hulp nodig? Dan kunt u op elk moment contact opnemen met Stichting 113 Zelfmoordpreventie via telefoonnummer 0900-0113 of via 113.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.