Harken tegen de stilte

EEN VERHAAL is wel het laatste wat de nieuwste roman van dichter/schrijver Kees Ouwens, Helis' mythe, te bieden heeft. In plaats daarvan bevat het een onstuitbare taalstroom....

Wel wordt duidelijk dat het gaat om een man die zichzelf aanduidt als Handigejongen. Verder zijn er nog diens jongere alter ego Obertop en een zekere Strohmian, de knecht. De locatie is landelijk, er is sprake van een grindperk, een kavel, een huis, een brug en een rij beukenbomen. De actie komt neer op een toenadering en verwijdering van de drie figuren.

Zo samengevat doet Ouwens' verhaal denken aan de verstilde toneelstukken van Beckett. Maar waar Beckett in het theater neigt naar zwijgen, overspoelt Ouwens zijn lezers met een stortvloed van woorden. Laten zijn gedichten met hun buitensporig lange regels geen spoortje wit toe, zijn roman kent nauwelijks adempauzes. Slechts af en toe onderbreekt hij zijn onmogelijk lange zinnen met vragen die hij tot zichzelf lijkt te richten: 'Kan hij een voorbeeld geven?', 'Wat ging vooraf?', of: 'Speelt het relaas dan niet de hoofdrol?' Wie een antwoord verwacht, komt bedrogen uit. Dit fascinerende verhaal is net zo in zichzelf gekeerd als Ouwens' personages, en lijkt niet bereid zijn geheimen prijs te geven.

Voor wie eerder een boek of dichtbundel van Ouwens las, zijn de thema's vertrouwd. Zo vertrouwd dat het erop gaat lijken dat hij hetzelfde verhaal steeds opnieuw en met dezelfde urgentie moet vertellen. Steeds is sprake van een vorm van roerloosheid in een landelijke omgeving waarin de ik een poging doet zijn eenzelvigheid op te heffen. Ook Handigejongen neemt om die reden de bus naar het 'kavel', een plek uit zijn jeugd waar hij de tien jaar jongere Obertop ontmoet. De seksuele spanning die ontstaat tussen hen en de almaar grind harkende knecht Strohmian, is eveneens een bekend gegeven bij Ouwens. Het gaat om een narcistische vorm van seksualiteit waarvoor in Ouwens' vorige roman, Een twee drie vier, de term 'retroseksualiteit' werd gemunt.

Net als bij Reve is sprake van religieuze toespelingen, moederbinding, jongensliefde en zelfverheerlijking. Soms worden de jongelingen zo geïdealiseerd dat Ouwens lijkt te variëren op het zeventiende-eeuwse genre van de pastorale. Net als in die arcadische taferelen dragen de personages ook hier soms andere, sprookjesachtige namen. Ze heten dan Ziesenis, Helis en Ernoul. Bovendien hebben deze 'herders' een sprookjesachtig voorkomen. Zo lijkt de tuinknecht meer op een prins, 'de ogen van een blauw dat aarzelt te gelijken de kalmte van een zee of de dakloze boog van een hemelgewelf en straalt tussen wimpers van zonlicht onder korenaren van wenkbrauwen'.

Net zo romantisch is Ouwens' beeld van de bezielde natuur, die tevens een spiegel is. Bomen, water of land dicht hij menselijke gevoelens toe, zoals in de beschrijving van een vlier die 'zwichtte' voor de kettingzaag en 'het vergaan betreurt van zijn zwaarmoedig geurende schermbloem elke volgende lente'. Omkeringen ('nu ze beroofd is van haar geborgenheid voor de helft') komen erg vaak voor, het enige aspect van Ouwens' virtuoze taalgebruik dat op den duur irritant wordt. Ook als die omgekeerde zinsbouw moet aangeven dat we in een omgekeerde wereld vertoeven, doet het vooral geaffecteerd aan.

Ouwens speelt met eindeloze reeksen metaforen en uitdrukkingen. Lichamen worden 'ingelijfd'; 'wie het grind aanharkt van een oprijlaan, timmert aan de weg'; iemand die de bomen aanraakt, 'palmt zich in aan de basten'. Soms legt hij zichzelf even het zwijgen op met een grimmig: 'Hou het kort', of: 'Genoeg, nogmaals!' Om vervolgens onverdroten door te gaan met woordspelingen.

In de chaotische taalstroom komt toch een zekere inhoud bovendrijven en blijkt de roman te gaan over naaktheid en schaamte, begeren en begeerd worden, jeugd en volwassenheid, eenzaamheid, weemoed en vooral vertwijfeling. De personages zitten gevangen in de coulissen, ze zijn personage, verteller en toeschouwer tegelijk. Het enige dat ze kunnen doen, is de eigen rol in dit theater, op deze 'plaats van handeling', voortdurend te beschouwen en elkaar vragen te stellen: 'Wie is wie? Is een van ons beiden? Zijn wij tweeën een (eentallig)?'

Zoals zijn personages opgesloten zitten in de kantlijn, zo lijkt ook Ouwens alleen rond te kunnen draaien in zijn eigen narcistische wereld. Als om dat te benadrukken, verwijst hij voortdurend naar thema's, gebeurtenissen en titels uit zijn eerdere werk. Daarmee laat hij zich duidelijk weinig gelegen liggen aan de lezer. Hij is te vergelijken met de tuinman die voortdurend het grind harkt om geen stilte toe te laten. Knecht en schrijver boeken hetzelfde resultaat.

Ouwens' romans zijn nog moeilijker dan zijn gedichten en Helis' mythe is raadselachtiger dan zijn vorige boeken. In zijn gespiegelde universum is het proza hermetisch als poëzie, en neemt de poëzie soms de vertellende rol van het proza over.

Stond in zijn vorige bundel, Van de verliezer & de lichtbron, bijvoorbeeld nog een prachtig gedicht over een stervende vader, in de romans is dat soort biografisch materiaal ver te zoeken. De cirkel waarin zijn proza zich beweegt, lijkt steeds kleiner te worden. De vraag is wat er gebeurt wanneer hij het middelpunt bereikt. Waarschijnlijk blijft Ouwens dan niets anders over dan te zwijgen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden