Direct naar artikelinhoud

Grote grazers hebben nauwelijks effect op natuurherstel in de duinen

Grote grazers als gallowayrunderen of konikpaarden doen in de Nederlandse duingebieden niet helemaal waarvoor ze waren uitgezet: ze houden de duinen niet kaal. In plaats daarvan kunnen beheerders beter werken aan het herstel van de populaties konijnen, die al jaren bedreigd worden door virusziekten.

Schotse hooglanders in de duinen bij Wassenaar.
Schotse hooglanders in de duinen bij Wassenaar.Bron Marcel van den Bergh
Dit artikel is geschreven doorLeestijd 3 min

Dat concludeert Harrie van der Hagen, landschapsecoloog bij drinkwaterbedrijf en natuurbeheerder Dunea, na tien jaar onderzoek. Op dat onderzoek promoveerde hij dinsdag. Van der Hagen deed in opdracht van Dunea onderzoek in duingebied Meijendel, bij Den Haag en Wassenaar. Om het dichtgroeien van de open duinen daar tegen te gaan en de kenmerkende duinnatuur te beschermen, wordt het gebied sinds 1990 begraasd door 30 gallowayrunderen en konikpaarden. Dergelijke dieren zijn een bekende verschijning in veel natuurgebieden. Door de begrazing zou verstuiving op gang komen en zouden jonge planten van bomen en struiken geen kans krijgen, was het idee.

Van der Hagen stelt met zijn onderzoek vast dat dat een illusie is: de komst van de uitgezette dieren heeft ‘geen significant effect gehad’ op de ontwikkeling in de duinen. Veranderingen in het duinlandschap van de afgelopen 40 tot 60 jaar zijn in veel grotere mate het gevolg van stikstof (ook de daling van de depositie daarvan sinds 1990), klimaatverandering en – Van der Hagen spreekt van een ‘immens’ effect – het verdwijnen van het konijn in het duingebied.

Konijnen beperken zich voor hun eten tot hun eigen ‘tuintje’, waar ze al gravend op zoek gaan naar de eiwitrijke wortels en kiemplanten van jonge bomen en struiken. Door hun graafwerk (ook voor nestholten, die af en toe instorten) ontstaan kleine kale plekjes, die door hun grote aantal leiden tot grotere zandvlakten. Runderen gaan veel grover te werk, ze graven niet en eten slechts bij toeval de zaailingen van struik- en boomsoorten die het open duin laten dichtgroeien.

Het sterke effect van het konijn is terug te zien aan de meidoorn in Meijendel, zegt Van der Hagen: ‘85 procent van de volwassen struiken stammen uit de jaren 1955, 1956 en 1957. Precies de drie jaar nadat konijnen massaal stierven aan de ziekte myxomatose.’

Sterke populatie

De konijnenstand in de Nederlandse duingebieden al decennia bijzonder laag. Na de golf van myxomatose werd het dier in de jaren negentig getroffen door het virus van de zogeheten Rabbit Haemorrhagic Disease (RHD). Van herstel van de stand is nog altijd geen sprake.

Omdat de stand van het konijn door ziekten al zo lang laag is, zou de ecoloog graag een populatie opbouwen die sterk genoeg is om die te overleven. Eerdere pogingen in Nederland mislukten, erkent Van der Hagen. ‘Konijnen zijn zenuwachtige dieren. Als ze in een vreemde omgeving worden uitgezet, gaat het mis. Ze moeten het type gebied al kennen, en er moeten bij voorkeur al holen zijn die dekking geven.’

Een van de praktische problemen bij gekweekte konijnen is dat ze geen angstreflex voor roofdieren kennen, waardoor ze makkelijke prooien zijn voor vossen en roofvogels. Daarom is konijnen vangen op sportvelden een beter plan. Van der Hagen: ‘Daar mogen ze worden afgeschoten, vanwege de schade die ze daar aanrichten. Dat maakt ze schuwer, precies wat wij nodig hebben. Zo zijn ze al meer gewend aan een natuurlijker omgeving. Als wij ze daar vangen, scheelt dat ook weer afschot.’

Het regelen en aanvragen van de vereiste vergunningen vergt nog tijd. Dunea wil daarbij samenwerken met beheerders van andere duingebieden, zoals de Noord-Hollandse duinen. Hoewel Van der Hagen zijn onderzoek beperkte tot Meijendel, gelden zijn bevindingen volgens hem voor alle kalkrijke duingebieden, van de kop van Noord-Holland tot in het noorden van Frankrijk.

De uitgezette runderen van Meijendel worden niet werkloos: die zullen in wisselende hoeveelheden gerichter worden ingezet, verwacht Van der Hagen. ‘En zeker zolang er nog niet voldoende konijnen zijn, moeten we het vee gericht en op wisselende wijze inzetten’.

Help ons door uw ervaring te delen: