Grote Geschiedenis Quiz: De antwoorden!

Hij zit er weer op: De voorronde van de Grote Geschiedenis Quiz 2011. Zoals gewoonlijk was de ene vraag moeilijk dan de ander.

Joseph Luns

Zo wist maar liefst 84 procent van de inzenders door wie Bonifatius vermoord was, en ook de Bittereinders vormden voor de meesten geen probleem. De vraag over de herkomst van de belasting op onroerende goederen werd echter zeer lastig bevonden; slechts 31 procent van de lezers wist het goede antwoord. Van de ongeveer 500 mensen die alle 25 vragen invulden, deden er 16 dat foutloos.

De gelukkigen die aan de grote finale op televisie (uitzending op donderdag 2 juni om 20.30 uur op Nederland 2) mogen deelnemen, krijgen thuis bericht.

De winnaars van het historische verrassingspakket zijn:
Pim Beaart
Henny Beemsterboer
Christa Fontein
Peter van Genderen
Arie Kammeraat
Kees de Kievid
Dennis Kroese
Peter Leeuwendal
Frits van der Meer
Edvard Meijer
Elwin Moerkens
Joop Mulder
Willem van Norel
Eric Stap
Marc Storms
Henk Teunissen
S. Tolat
Hans Vrielink
Steven de Vries
Jan Zwiers

Hieronder kunt u alle juiste antwoorden met toelichting nog eens nakijken.

Vraag 1. De quiz trapte af met de vraag wie de Bittereinders nou eigenlijk waren. Het goede antwoord was Zuid-Afrikaanse Boeren, die tussen 1899 en 1902 een verbeten guerrillastrijd voerden tegen de troepen van het Britse Rijk. Na de verovering van Pretoria en Bloemfontijn door Britse troepen tijdens de Tweede Boerenoorlog begin 1900 leken de Britten aan de winnende hand. Toch wist een aantal Boeren nog niet van opgeven en begon een guerrillastrijd tegen de Britse troepen. Deze 'Bittereinders' leken voor de Britse legerleiders haast ongrijpbaar. Om de Boeren toch op de knieën te dwingen verbrandde het Britse leger de boerderijen van de Boeren en sloot men hun gezinnen op in concentratiekampen. Uiteindelijk tekenden de Boeren op 31 mei 1902 een vredesverdrag met de Britten.

Vraag 2. De tweede vraag was een echte instinker. Hoewel veel lezers dachten dat Joegoslavië zich tijdens de Koude Oorlog losmaakte uit het Warschaupact, was dit toch echt Albanië. Joegoslavië maakte namelijk nooit deel uit van het Warschaupact. Wat Albanië betreft: na de dood van Stalin in 1953 kwam in de Sovjet-Unie onder Chroesjtsjov een proces van destalinisatie op gang. Albanië, dat nog wel vasthield aan het stalinisme, begon zich hierop steeds meer te oriënteren op communistisch China. Toen Chroesjtsjov in 1961 definitief brak met het stalinisme, verbrak Albanië de banden met de Sovjet Unie. Pas na de Praagse Lente in 1968 echter, waarbij lidstaten van het Warschaupact Tsjecho-Slowakije waren binnengevallen, trok Albanië zich formeel terug uit het Warschaupact.

Vraag 3. Ook de derde vraag bleek voor sommigen lastig te beantwoorden. De Egyptenaren noemden de vruchtbare grond die de Nijl afzette tijdens overstromingen Kemet. Deze vruchtbare modder zorgde ervoor dat er in het Nijldal akkerbouw kon plaatsvinden, waardoor de Nijl de levensader van Egypte werd.

Vraag 4. Veel inzenders bleken wijnkenners; zij wisten dat de kwaliteit van Franse wijnen aan het begin van de negentiende eeuw afnam door de druifluis Phylloxera, die de wortels van de wijnstokken aantastte. Omdat veel druivensoorten uit Amerika resistent waren tegen deze luis, werden de Europese wijngaarden opnieuw beplant met Amerikaanse wortelstokken, waarop Europese druivenstokken werden geënt. Omdat deze nieuwe druivenstokken van inferieure kwaliteit waren vergeleken met die van vóór de epidemie, verminderde de kwaliteit van de wijn aan het eind van de negentiende eeuw. Zo werd de legendarische kwaliteit van beroemde wijnen uit Bordeaux nooit meer geëvenaard.

Vraag 5. De vijfde vraag zette veel lezers op het verkeerde been. De krant die in de Tweede Wereldoorlog eerlijk toegaf onder censuur van de Duitsers te staan was De Telegraaf. Op 16 mei 1940 kregen alle kranten de opdracht te vermelden dat zij verschenen zonder voorafgaande censuur. De Telegraaf vermeldde in plaats hiervan echter: 'De Telegraaf verschijnt met ingang van heden onder controle van de Duitse militaire bevelhebber in Nederland.' Hoewel De Telegraaf later alsnog moest schrijven dat er geen sprake was van censuur, maakte de krant vanaf dat moment duidelijk onderscheid tussen eigen en gecensureerde berichten. Opvallend is dat De Telegraaf na de oorlog de reputatie kreeg een 'Duitse krant' te zijn; dit gold echter alleen voor het laatste oorlogsjaar, toen de krant onder leiding van NSB'er Henri 'Hakkie' Holdert jr. kwam te staan.

Vraag 6. Door naar wat oudere Nederlandse geschiedenis: De zoen van Delft. Veel lezers wisten dat dit een vredesverdrag was tussen Jacoba van Beieren en haar neef Filips de Goede. Jacoba had als enige erfgenaam van haar vader Graaf Willem VI de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen gekregen. In deze tijd van Hoekse en Kabeljauwse Twisten in de Lage Landen, en de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk, aasden velen op Jacoba's erflanden. Haar leven werd dan ook getekend door twisten met menig machtig man. Na jaren van strijd dwong haar neef, Filips de Goede van Bourgondië, Jacoba uiteindelijk tot een vredesverdrag, waarbij ze bijna al haar macht aan hem afstond.

Vraag 7. Uit vraag 7 wordt duidelijk dat het eerste getto ontstond in Venetië. Hoewel Venetië relatief tolerant was ten opzichte van Joden, werd er vanwege de grote toestroom van uit Spanje verjaagde Sefardische Joden in 1516 een Joodse wijk ingesteld. De naam Getto komt van gheta, dat in het Venetiaanse dialect 'slak' betekent, een afvalproduct van ijzergieterij. In het gebied van het getto was voorheen namelijk een ijzergieterij gevestigd. Dit eerste getto gaf zijn naam aan latere getto's over de hele wereld, onder andere in Warschau en New York.

Vraag 8. De vraag over Razzle Dazzle zorgde bij velen voor verwarring. Razzle Dazzle was geen dansvorm uit Chicago, maar een camouflagetechniek voor schepen die in de Eerste Wereldoorlog in Engeland werd ontwikkeld. Deze camouflage verborg de schepen niet, maar maakte het moeilijk voor de vijand om het type, de grootte, snelheid en richting van een schip in te schatten. Een belangrijk doel was om de dodelijke Duitse torpedojagers van hun à propos te brengen. Heel effectief bleek Razzle Dazzle (of Dazzle Painting) trouwens niet; na een aantal jaar werd de techniek eigenlijk alleen nog toegepast ter decoratie.

Vraag 9. Voor vraag 9 was enige klassieke kennis was vereist. Onder keizer Theodosius I (ca. 346-395 na Chr.) werden alle vormen van heidendom in het Romeinse Rijk hard aangepakt. Niet alleen afwijkende stromingen binnen het christendom moesten er aan geloven, ook uitingen van de oude Romeinse en Griekse godsdienst werden onwettig. Zo werden de Olympische spelen, waarbij de Griekse god Zeus in het zonnetje werd gezet, in 393 na Chr. verboden.

Vraag 10. Met vraag tien doken we in de wetenschapsgeschiedenis. Antoni van leeuwenhoek was de eerste wetenschapper die zulke sterke lenzen wist te fabriceren dat hij enkele baanbrekende ontdekkingen deed op microscopisch niveau. Van Leeuwenhoek ontdekte onder andere de spermatozoa.

Vraag 11. Vraag elf ging over de Russische Goelag. De eerste interneringskampen van de Sovjet-Unie ontstonden in 1918 onder het communistische bewind van Lenin. Vanaf 1930 werden deze kampen centraal georganiseerd door de Goelag, de oorspronkelijke naam voor de kamporganisatie. Deze kampen waren bedoeld voor de internering van staatsvijanden en andere ongewenste groepen. Onder Stalin werden nog eens miljoenen mensen naar de kampen gestuurd. Onder andere filatelisten waren de pineut, vanwege hun 'verdachte belangstelling voor het buitenland'.

Vraag 12. Het antwoord op de vraag wat het batig slot nou precies was, vormde voor weinig lezers een probleem. Velen wisten dat het batig slot de winst was die voortkwam uit het cultuurstelsel in Nederlands-Indië, en ten goede kwam aan de Nederlandse schatkist. Het cultuurstelsel verplichtte de lokale bevolking een deel van hun land te gebruiken voor productie van goederen voor de Europese markt, zoals koffie, thee en suiker. De opbrengsten van het batig slot werden onder andere gebruikt om de staatsschuld af te lossen, belastingen te verlagen of uit te stellen, en om grote infrastructurele projecten als de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal te financieren.

Vraag 13. Vraag dertien stelde Europa-kennis van de lezers op de proef. Die bleek goed te zijn: velen wisten dat Oostenrijk geen lid is van de NAVO, omdat neutraliteit een voorwaarde voor onafhankelijkheid was in 1955. Na de Tweede Wereldoorlog werd Oostenrijk bezet door de vier geallieerde bondgenoten: de VS, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie. Toen de geallieerden Oostenrijk in 1955 verlieten moest het in de grondwet een permanente neutrale status vastleggen. Zo verzekerde zowel de NAVO als het Warschaupact zich ervan dat Oostenrijk zich niet bij de ander zou kunnen aansluiten. Bovendien kon Oostenrijk fungeren als neutraal 'doorgeefluik' tussen het Oosten en het Westen.

Vraag 14. Door naar vraag veertien: De eerste éminence grise was de kapucijner monnik François Leclerc du Tremblay (Père Joseph), de biechtvader van de beroemde Kardinaal de Richelieu. Père Joseph stond met zijn grijze gewaad als vertrouweling en raadgever achter De Richelieu, vandaar de term 'éminence grise'. Later werd de term in het Nederlands steeds meer gebruikt voor iemand met een lange staat van dienst en kennis van zaken, die om zijn mening gerespecteerd wordt.

Vraag 15. Vraag 15 testte wederom onze vaderlandse kennis. De Noordoostpolder werd tussen 1937 en 1942 drooggelegd, als onderdeel van het plan Lely. In de Tweede Wereldoorlog kwam deze nieuwe polder, die nog nauwelijks in cultuur gebracht was, meteen goed van pas. Omdat de arbeiders in de polder waren vrijgesteld van de Arbeitseinsatz, gingen veel onderduikers aan het werk in de polder om tewerkstelling in Duitsland te voorkomen. De afkorting voor de NoordOostPolder, NOP, werd in deze tijd ook wel gekscherend synoniem voor Nederlands Onderduikers Paradijs. Geschat wordt dat de polder tijdens de oorlogsjaren onderdak bood aan zo'n 20.000 onderduikers.

Vraag 16. Dat niemand belastingen leuk vindt, bleek wel uit vraag zestien. Maar weinig lezers wisten dat de overdrachtsbelasting ontstond tijdens de Tachtigjarige Oorlog, toen Alva de twintigste penning probeerde in te voeren op de verkoop van onroerende goederen. Hoewel dit geen groot succes was, voerde de Nederlandse overheid deze belasting in 1598 alsnog in om de kosten van het landleger te betalen. Na de oorlog bleef de belasting bestaan om de schatkist te spekken. In de loop van de tijd werd het tarief verhoogd van 5 procent naar 6 procent.

Vraag 17. Ook de democratie van Athene zorgde voor veel hoofdbrekens. In het klassieke Athene hadden alleen volwassen, vrije, mannelijke burgers stemrecht. Vrouwen, slaven en metoiken (vreemdelingen) mochten niet stemmen. De laatste berekeningen duiden erop dat zo'n 15 procent van de pakweg 300.000 inwoners van Athene stemrecht had.

Vraag 18. Vraag achttien werd verbazend goed gemaakt. Volgens de Dolkstootlegende stond Duitsland aan het eind van de oorlog militair nog sterk, maar verloor het de oorlog door een 'dolkstoot in de rug' van de regering. Na de Eerste Wereldoorlog ontstond het idee dat Duitsland niet door militair tekortkomen had verloren, maar door het optreden van de linkse regering die uiteindelijk vrede had gesloten met de geallieerden. Later bleek dat Duitsland er militair zeer slecht voor had gestaan en de regering geheel terecht een vredesverdrag had gesloten. Toch werd de Dolkstootlegende lange tijd nog door een groot deel van de bevolking geloofd.

Vraag 19. Over de herkomst van het Roelantslied waren de meningen verdeeld. Het Nederlandse Roelantslied is een bewerking van het Franse Chanson de Roland, dat waarschijnlijk tussen 1050 en 1150 voor het eerst opgetekend werd. Het lied is gebaseerd op Roland, een Frankisch legerleider in het leger van Karel de Grote. Na een verwoede strijd tegen de Basken trok het Frankische leger zich in 778 na Chr. terug uit Spanje. Roland liep echter met de achterhoede van het Frankische leger bij Roncesvalles in een hinderlaag van de Basken, en wachtte hierbij zo lang met het inroepen van hulptroepen dat hij en een groot deel van zijn soldaten het leven lieten.

Vraag 20. We bleven met vraag twintig nog even in de middeleeuwen, want hoe zat het nou ook alweer met Bonifatius? Voor de meeste lezers gesneden koek, Bonifatius werd vermoord door heidenen die zich niet hadden laten bekeren. In Friesland was het christendom ten tijde van Bonifatius nog niet al te stevig gevestigd. De vernietiging van heidense heiligdommen door Bonifatius en zijn volgelingen zou voor de heidense Friezen een reden tot vergelding zijn geweest. Het ging hierbij dus niet zozeer om een roofmoord, zoals vroeger wel geopperd werd, maar om een vergeldingsactie van ongekerstende Friezen.

Vraag 21. Vraag eenentwintig gaf ons een inkijkje in de wondere werking van politiek. In 1956 werd de katholieke Joseph Luns minister van Buitenlandse Zaken in het derde kabinet Drees. In de jaren zestig verkocht Luns onder invloed van de NAVO grote hoeveelheden Nederlands gas aan de Italianen, om zo te voorkomen dat Italië onder invloed van de Sovjet-Unie zou komen, een grote exporteur van gas. Deze leveringscontracten zorgden ervoor dat Italië nog lange tijd Nederlands gas tegen een spotprijs kon opkopen.

Vraag 22. De Phyrrusoverwinning zorgde bij de meeste lezers niet voor moeilijkheden. De uitdrukking verwijst naar koning Pyrrhus van Epirus (een provincie van het huidige Griekenland), die in 280-279 twee overwinningen op de Romeinen behaalde. Hoewel hij beide slagen won, verloor hij hierbij zoveel manschappen dat de overwinningen voelden als nederlagen. Toen een van zijn generaals hem met zijn overwinning wilde feliciteren zou hij in woede zijn uitgebarsten en opgemerkt hebben: 'Nog één zo'n overwinning en ik ben verloren.'

Vraag 23. De volgende vraag stond in het teken van het tweehonderdjarige jubileum van het Openbaar Ministerie. Voordat Napoleon in 1811 een rechterlijke organisatie naar Frans model invoerde, was verbanning de populairste straf. Dit was immers gemakkelijk, en goedkoop. Eind 1813 werd Nederland bevrijd en verdween de Franse overheerser. Wat wel bleef waren de Franse wetgeving en rechterlijke organisatie. Deze pasten namelijk perfect binnen de nieuwe staatsvorm van Nederland.

Vraag 24. Vraag 24 stelde onze kennis over zeeheld Michiel de Ruyter op de proef. Niet veel mensen weten dat hij tijdens zijn handelsreizen naar Marokko vele christenslaven vrijkocht, die vaak door schipbreuk of zeeroverij in de slavernij terecht waren gekomen. De losgelden hiervoor betaalde hij gedeeltelijk uit eigen zak; vaker nog echter werden de losgelden betaald door de naaste familie van het slachtoffer, of uit een speciaal liefdadigheidsfonds.

Vraag 25. De laatste vraag ten slotte vroeg ons naar de affaire-Westmeijer, waarbij minister Abraham Kuyper in 1909 in opspraak kwam. Hij zou de rijke zakenman Rudolp Lehman een officierskruis in de Orde van Oranje-Nassau hebben toegekend, in ruil voor een donatie van 11.000 gulden in de partijkas van de ARP. Kuypers' vermeende minnares Mathilde Westmeijer, een dame met een twijfelachtige reputatie, zou de twee met elkaar in contact hebben gebracht. Hoewel Kuyper uiteindelijk voor een groot deel van de blaam gezuiverd werd, had zijn reputatie toch schade opgelopen. Deze affaire wordt ook wel de 'Lintjesaffaire' genoemd.

Volg de Volkskrant op Twitter
Word vriend van de Volkskrant op Facebook

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.