Goochelen met amfibieën en inkt

Een Leidse bioloog en reptielenconversator hebben 'superbioloog' Paul Kammerer ontmaskerd. Die verwisselde amfibiesoorten naar hartenlust om 'aan te tonen' dat nieuw verworfen eigenschappen erfelijk zouden zijn.

Paul Kammerer. Beeld Science Photo Library

Op 23 september 1926 schoot de bekende Weense societyfiguur en bioloog Paul Kammerer zich een kogel door het hoofd in Puchberg am Schneeberg, zo'n 80 kilometer ten zuiden van de Oostenrijkse hoofdstad. Kort daarna publiceerde het Britse tijdschrift Nature een brief van Kammerer.

Hierin wierp hij beschuldigingen van wetenschappelijke bedrog verre van zich af en suggereerde dat iemand anders met zijn experimenten had geknoeid.

Onzin, zegt de Leidse emeritus hoogleraar Jacques van Alphen, die de zaak Kammerer de laatste jaren opnieuw grondig tegen het licht hield. 'Uit alles blijkt dat hij stelselmatig met zijn gegevens en proefdieren knoeide. Dat begint al in zijn proefschrift en het houdt nooit op.' Dat Kammerer tot fatale wanhoop was gedreven door fraudebeschuldigingen lijkt hem overigens ook overdreven. 'Hij was net afgewezen door zijn grote liefde en een prestigieuze baan in Moskou leek niet door te gegaan.'

Bioloog Van Alphen schreef samen met reptielenconservator Pim Arntzen van Naturalis in Leiden een lang artikel over de zaak. 'Vooral omdat ik nog steeds biologen tegenkom die menen dat Kammerer er is ingeluisd, terwijl hij toch zulk interessant werk deed', zegt hij.

Debet daaraan is in zijn ogen vooral het in 1979 verschenen boek The Case of the Midwife Toad, waarin journalist en parapsycholoog Arthur Koestler de Oostenrijker probeert vrij te pleiten. Vooral uit sympathie voor wat Kammerer een leven lang probeerde te bewijzen: dat tijdens het leven verworven kenmerken erfelijk kunnen zijn, zoals een gespierde smit die sterke zonen krijgt. 'Zonder Koestler waren we Kammerer allang vergeten.'

Flamboyante Bio-saboteur

Paul Kammerer (1880-1926) was een Oostenrijkse bioloog. Hij werd bekend om zijn experimenten met reptielen en amfibieën waarin hij de erfelijkheid van nieuw verworven eigenschappen aantoonde. Die trokken ondermeer aandacht in Stalins Sovjetunie. In 1926 beschuldigde Nature hem van gerommel met bewijsmateriaal. Kort daarna pleegde hij zelfmoord.

Soortverwisseling

Centraal in de kwestie van de Oostenrijkse bioloog staan diens experimenten met vuursalamanders en andere amfibieën, zoals padden en de blinde olm, een beestje dat in Europese grotten leeft. Die dieren houdt hij opzettelijk onder ongewone omstandigheden en hij observeert hoe zij en hun nageslacht van kleur veranderen, oogjes ontwikkelen en wratten om in water houvast te hebben. De Oostenrijker verzamelt en kweekt exemplaren in zijn Weense laboratorium en is daar onder vakgenoten vermaard om. 'Hij had een enorm netwerk en wist alles', zegt Van Alphen. 'Hij was als geen ander op de hoogte van bijzondere vondsten.'

Vermoedelijk speelde dat netwerk een wel heel wonderlijke rol in Kammerers proeven, die leken aan te tonen dat nieuwe eigenschappen van proefdieren ook overgingen op hun nageslacht. Van Alphen en Arntzen ontdekten op foto's dat de olm die oogjes zou hebben ontwikkeld, in werkelijkheid een andere soort is die wel ogen heeft. Kammerer rapporteert over proeven waarbij dieren ieder jaar nageslacht krijgen; maar uitgerekend olms doen dat zelden, misschien zelfs maar eens in de tien jaar.

Ook vuursalamanders die volgens Kammerer geler werden als ze op een gele ondergrond opgroeiden, waren in werkelijkheid op kleur geselecteerde dieren. Als student, vertelt Van Alphen, twijfelde hij al aan dit verhaal, omdat gele vuursalamanders geen gele vlekken hebben als schutkleur, maar als waarschuwing voor hun giftigheid.

Hetzelfde geldt voor de klimwratten die vroedvrouwpaddenmannetjes zouden ontwikkelen om in water vrouwtjes te kunnen bestijgen. 'Daar draait de selectie om kracht tegenover andere mannetjes, niet om het klimmen.'

Hetzelfde Nature dat Kammerers postume brief afdrukt, speelt eerder een centrale rol in de ontmaskering van zijn wetenschappelijke werk. In de zomer van 1926 had de Amerikaanse bioloog Gladwyn Noble met een microscoop naar de preparaten van vroedvrouwpadden gekeken die Kammerer bij lezingen liet zien. Hij stelde vast dat de vermeende extra wratten aan de pootjes van de dieren ingekleurde plekken waren, vermoedelijk met inkt. Zijn vermoedens, genoteerd in een brief aan Nature, sloegen in als een bom. Kammerer bleek een frauder.

Sovjet-Rusland

Para-psycholoog Koesteler schreef in de jaren '70 echter dat de bioloog een oor was aangenaaid door politieke tegenstanders in Wenen: nazi's die de flamboyante jood niet lustten. Daar kwam bij dat hij intensieve contacten met de communisten in Rusland onderhield, die wel gecharmeerd waren van zijn opvattingen.

Juist als in 1926 Kammerers wereld instort, laten de Russen weten dat een eerder aanbod van een eigen lab in Moskou toch maar niet doorgaat. In Sovjet-Rusland blijft zonder hém, maar mét Stalins beruchte bioloog Trofin Lysenko tot in de jaren zestig vasthouden aan de theorie van Lamarck van de maakbare biologie.

Dat Kammerer het slachtoffer van een blunderende assistent of anti-joods complot zou zijn geworden, wil er bij Van Alphen niet in. 'Hij wilde gewoon per se zijn gelijk als Lamarckiaan halen. Dat was dom. Als Kammerer als eerste met proeven had aangetoond dat verworven eigenschappen niet overerven, was hij wereldberoemd geworden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden