Glas en gietijzer HET VEEL TE VROEG TOT AS VERGANE PALEIS VOOR VOLKSVLIJT

Soms komen hout en steen, ijzer en glas tot leven. Dan krijgt een gebouw een geschiedenis die doet denken aan het levensverhaal van een mens....

ZOALS het altijd de verkeerde mensen zijn die te vroeg doodgaan, zo zijn het ook steevast de verkeerde, dat is: de goede, gebouwen die er door een noodlottig toeval of een fatale beslissing voortijdig aan moeten geloven. God en de dienst Openbare Werken, ze delen een beleid van nemen en laten waar soms geen peil op te trekken valt. Bij sommige gelegenheden lijken ze zelfs samen te spannen.

In de nacht van 17 op 18 april 1929 brandde op het Amsterdamse Frederiksplein een van de wonderbaarlijkste gebouwen af die ooit in Nederland verrezen zijn. Dat was het Paleis voor Volksvlijt, wat een eigenaardige benaming was voor een gebouw dat eruit moeten hebben gezien als de contaminatie van een negentiende-eeuws station en een kathedraal uit de Barok. Het was een groot gebouw en het was een lelijke brand. 'De lengte bedroeg 126 meter, ruim anderhalf keer zo lang als het Paleis op de Dam. In de breedte telde het Paleis maximaal 81 meter; het grondvlak van het gebouw was in omvang vergelijkbaar met het Damplein. De gemiddelde hoogte was ruim 31 meter, de koepel verrees circa 57 meter boven de straat, met het Victoriabeeld meegerekend was dit zelfs zo'n 62 meter.'

Dat zijn de woorden van de historicus: onaangedaan neemt hij de gegevens over. Even ter zake is zijn stijl als hij van de brand bericht; hij citeert twee zinnen van een ooggetuige en constateert vervolgens enigszins meesmuilend dat het Paleis voor Volksvlijt, 'dat onbrandbaar geachte gebouw', in enkele uren in vlammen opging. 'Een stevige zuidwestelijke wind wakkerde het vuur aan, de tocht in het gebouw waarover zo vaak geklaagd was, deed de rest.' Het puinruimen kon beginnen. Waar bijna vijfenzestig jaar lang de ruimte verkaveld was geweest door geordende materialen, waarvan Berlage de verhoudingen 'buitengewoon mooi' noemde, was opnieuw leegte.

Het Paleis voor Volksvlijt was weg, de democratisch gekozen bestuurders van de stad Amsterdam konden plannen gaan beramen voor wat er nu allemaal voor leuks met het Frederiksplein kon worden gedaan - maar het Paleis voor Volksvlijt leefde voort, op foto's, in de herinnering, in de verbeelding. En net zoals dat met ontijdig gestorvenen gaat, werd het kijken naar die foto's een allengs onthutsender aangelegenheid, werden die herinneringen weemoediger, de verbeeldingen mooier.

Dit is de dichter die spreekt, over datzelfde Paleis voor Volksvlijt dat de cultureel werker en muziekwetenschapper Emile Wennekes tot onderwerp voor zijn proefschrift koos: 'Toen het gebouwd werd/ toen het gebouwd was// toen de hoeden hoog/ toen de lonen laag waren// toen het ijzer onbrandbaar was/ toen het verbrandde// toen het goed was/ toen het geslecht werd// nu het weg is'.

De verleiding is groot om het hele gedicht weg/verdwenen over te schrijven, dat Gerrit Kouwenaar - want hij was het - rond 1960 schreef, toen wat er nog restte van het Paleis voor Volksvlijt, de zogenoemde Galerij, werd afgebroken. Zelfs wie ongeveer tegelijkertijd met die afbraak ter wereld kwam en dat Paleis of die Galerij dus nooit met eigen ogen heeft aanschouwd, kan dat niet lezen zonder een brok in zijn keel te krijgen. 'Het duurzaamst bouwen is het breken./ er is ochtend of avond. daartussen maken sekonden/ zich eeuwig. voortdurend/ moeten er foto's gemaakt: zoveel averechts steen/ is niet bij te houden met licht.'

Ochtend en avond en seconden die zich eeuwig maken: soms is een ding net een mens, komen hout en steen, ijzer en glas tot leven, heeft een gebouw een geschiedenis die doet denken aan het levensverhaal van een mens, verdient een staaltje architectuur geen monografie, maar een biografie. Het zoeken naar documenten, naar stichtingsakten als geboortebewijs, naar verslagen van activiteiten als levensberichten, maar ook naar herinneringen, naar beelden, kan beginnen.

En geloofd moeten al die fotografen worden die dat inderdaad hebben gedaan, voortdurend foto's maken, want wie een biografie doorneemt, wil weten hoe de gebiografeerde erbij liep - 'eerst steen, dan puin/ en zo is eensklaps afwezigheid/ leegte': het gedicht leest als het kaddisj voor een veel te vroeg tot as vergaan gebouw, stof tot stof, en de foto's zuigen je een wereld in waarvan de broosheid en schoonheid je zeventig jaar na dato nog door je ziel snijden. Wie ze ziet begrijpt waarom Nescio iemand gekend had die de Sarphatistraat de mooiste straat van Europa vond: dat moet de Sarphatistraat vanuit het oosten bezien zijn geweest, uitlopend op dat reusachtige gebouw dat daar tomeloos in de weg stond, het straat- en het stadsbeeld uitdagend domineerde.

'Dichters, kunstenaars en journalisten', schrijft de wetenschapper Wennekes zuinigjes, 'plengden denkbeeldige tranen om het verlies van een van de laatste herinneringen aan Sarphati's negentiende eeuw.' En hij vermeldt netjes het bestaan van Kouwenaars gedicht. Ook 'het fotoboekje' Het Paleis in de verbeelding, dat de Amsterdamse boekhandel De Verbeelding - ook al weg - in 1990 uitgaf, met een voorwoord van Rudy Kousbroek, kent hij. Kousbroek 'wond zich vreselijk op over de sloop', vindt hij. Want Kousbroek schreef: 'Dertig jaar gingen nog voorbij na de brand waaraan zij ontsnapt was, en toen, na een wereldoorlog heelhuids te zijn doorgekomen, is de Galerij alsnog vernietigd; kapotgeslagen in opdracht van Amsterdamse Ceausescu's om plaats te maken voor een oninteressant en talentloos bankgebouw.'

Denkbeeldige tranen, vreselijke opwinding: wie enigszins vertrouwd is met het venijn waarin Kousbroek zijn pen soms doopt en wie tegelijkertijd, zoals schrijver dezes, om redenen van levensonderhoud het huidige Frederiksplein, met dat 'oninteressante en talentloze bankgebouw' erop, tweemaal daags moet oversteken, weet dat die tranen echt zijn en dat er in dat citaat geen sprake is van vreselijke opwinding. Kousbroek is daar, gegeven de omstandigheden, voor zijn doen opmerkelijk mild, ja, op het weekhartige af. Wie er niet toevallig in de buurt moet zijn, kan om dat te verifiëren volstaan met het leggen van een foto van het Paleis naast een foto van de lugubere opstallen van het hoofdkwartier van nv De Nederlandsche Bank.

Een blik erop is genoeg: talentloos? Misdadig is een passender woord. Een brandstichter is nooit gevonden, de stichters van die naargeestige kolommen - het zijn er inmiddels twee: slechte smaak krijgt nooit genoeg van zichzelf - van beton, staal en glasvezelplaat stonden gewoon in het telefoonboek en in de adressenlijst van de BNA, en de portretten van hun opdrachtgevers hingen eens in de vier jaar op billboards door de hele stad. De vergelijking met Ceausescu, die Kousbroek maakte, getuigt van een opvallende vergevingsgezindheid. 'en zoals de killer nog éénmaal terugkeert/ naar de plaats van zijn misdrijf/ nemen wij afscheid', schreef Kouwenaar. 'Uiteindelijk kwam er het hoofdgebouw van de Nederlandse (sic!) Bank, naar een ontwerp van Duintjer', schrijft Wennekes.

'D INGEN die langer duren dan mensen', is de eerste regel van het laatste vers uit de cyclus weg/verdwenen. Daar gaat het om: om de duurzaamheid van bouwmaterialen, maar vooral: om de duurzaamheid van de herinneringen. Wie, zoals Wennekes voor ogen stond, de levensgeschiedenis, de biografie, schrijft van zo'n ding, staat voor een keuze: gaat het om het gebouw of om wat erin gebeurde, en het spreekt vanzelf dat dat geen exclusief 'of' is, want het een gaat niet zonder het ander. In het verlengde daarvan rijst de vraag of het gaat om die gebeurtenissen op zichzelf, of om hun uitwerking, hun doorwerking, hun plaats in de cultuur, hoeveel lastiger het ook is dat laatste te bepalen.

Het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt was zowel een gebouw, als een institutie - en het was daardoor een cultureel fenomeen. Het bestond uit een ontieglijke hoeveelheid glas en gietijzer (en toch ook nog vrij veel voor die tijd gebruikelijker materialen), maar het bestond bij gratie van een nog verbluffender hoeveelheid activiteiten die erin plaatsvonden. Dat waren tentoonstellingen - de aanvankelijke bedoeling van het gebouw en de vereniging die het stichtte, was het organiseren van tentoonstellingen van producten van nijverheid, industrie, 'volksvlijt' - en dat waren uitvoeringen, voorstellingen en optredens van de meest uiteenlopende vormen van kunst en amusement, kunstenaars en kunstenmakers.

Doordat met het gebouw ook talloze archiefstukken verloren gingen, kan ook de nauwgezet werkende historicus niet veel anders dan gissen naar het getal van die activiteiten. Wennekes komt al redenerend op 23.725 verschillende concerten, tentoonstellingen, theatervoorstellingen en andere vormen van al dan niet beschavend vermaak. Wat die elk voor zich betekenden, kan niemand reconstrueren; wat die alles bij elkaar betekend hebben, is het onderwerp van Wennekes' boek, of zou dat althans moeten zijn.

Die betekenis zou het resultaat hebben kunnen zijn van een vooropgezet plan. Het was de Amsterdamse dokter en idealist Samuel Sarphati die in 1851 het plan opvatte in zijn stad een gebouw op te richten ten behoeve van de 'volksvlijt'. Hij was aangeraakt door een van de talrijke sociaal-idealistische stromingen die in zijn tijd opgeld deden - Wennekes houdt het op het saint-simonisme, maar er waren er zoveel dat ieder alternatief of amalgaam van alternatieven vooralsnog even plausibel is - en die een verheffing van het volk ten behoeve van het opstoten van de natie door middel van verbetering van levensomstandigheden en onderwijs voorstonden.

In zijn dagelijkse praktijk kon Sarphati zich op de sociale kanten van de geneeskunde toeleggen, maar zijn ambities reikten verder en dus stond hij aan de wieg van een hele reeks ondernemingen. Daar hoorden een elementaire vuilnisophaaldienst bij, een hypotheekbank en een broodfabriek die het kartel van de bakkers moest breken en daarmee de broodprijs omlaag moest duwen.

Zoals bijna al het sociaal optimisme, gingen ook Sarphati's idealisme en drang tot het oprichten van ondernemingen, stichtingen en verenigingen terug op een vonkend vooruitgangsgeloof, geïnspireerd door vooral de technische ontwikkelingen uit de eerste helft van de negentiende eeuw. De spectaculair voortschrijdende techniek inspireerde ondernemers weer, de industrie, ofwel de nijverheid of 'volksvlijt', bloeide her en der in Europa op, zij het nog niet in Nederland.

Net als voor zijn tijdgenoten Karl Marx en Friedrich Engels, was Engeland voor Sarphati het voorbeeld van hoe het verder zou kunnen en moeten gaan met die industriële ontwikkeling. Daar bezocht hij in 1851 The Great Exhibition of the Works of Industry of All Nations, de eerste Wereldtentoonstelling. Die werd gehouden in het Crystal Palace, het eerste, door Joseph Paxton, ontworpen tentoonstellingsgebouw dat opgetrokken was op basis van de nieuwste vernuftige inzichten op het gebied van ijzer-skeletbouw, met toepassing van veel glas. Dat gebouw was semi-permanent bedoeld en stond op de hoek van Hyde Park, in het hart van Londen, maar het werd na de tentoonstelling en de afbraak elders in de stad in een herziene versie weer opgebouwd.

Goed voorbeeld doet goed volgen, en dus begon Sarphati vanaf zijn terugkomst te ijveren voor net zo'n gebouw in Amsterdam. Dat was, zoals dat altijd gaat, een kwestie van plannen maken, comités oprichten, mensen en vooral overheden bewerken, ontwerpwedstrijden voor architecten uitschrijven, een beetje sjoemelen en, vooral, stug en onverzettelijk volhouden. Uiteindelijk werd het ontwerp van Cornelis Outshoorn uitgekozen en viel de keus op de locatie aan de zuidkant van de toenmalige Utrechtse Poort, waar het ook toen een ratjetoe van onduidelijke activiteiten en bedroevende gebouwen te zien gaf.

H ET raadselachtige is, achteraf beschouwd, niet dat die locatie vijfenzestig jaar lang, de tijd dat het Paleis voor Volksvlijt er heeft gestaan, een sieraad voor stad, land en volk is geweest (kijk nog eens naar die foto's: je gelooft toch werkelijk niet dat die in Amsterdam genomen zijn; dat moet Lissabon zijn of Wenen, Szeged desnoods of Novi Sad, maar toch zeker niet de beroerdst bestuurde stad van Nederland), maar dat het er überhaupt gekomen is. Daar moet een hoogmoedig samenspel van tact, list en charme in de weer zijn geweest die zijn weerga niet gekend heeft, noch ook ooit nadien meer kende.

Wennekes beschrijft die wordingsgeschiedenis broodnuchter, zoals het de wetenschapper tegenwoordig kennelijk betaamt, in termen van notariële acten en notulen - en, terloops, in de karaktertrekken van een man met een idee. Je zit, als de levende geschiedenis je aan het hart gaat, te wippen op je stoel als je het leest: waarom schrijft hij niet, en passant, ook even de biografie van Sarphati? Want de doorslag voor iets moois wordt zelden door een commissie gegeven of door een vergadering, maar door een vonk van de geest. Die geest wil je nader leren kennen.

Datzelfde geldt voor de geest die in het gebouw heerste. Je wil er binnengaan, je wil er een concert meemaken, desnoods een indertijd dikwijls beschimpt 'bierconcert', waarbij de bezoekers rumoerig waren - zo rumoerig dat de artistieke leiding en de ingezondenstukkenschrijvers zich beklaagden, ongeveer zoals vandaag de dag de directeur van het Concertgebouw ook eens in de zoveel tijd moppert op de kuchers en de schrapers in zijn zaal. Je wilt er de koorddansers zien, die er hoog boven het publiek hun capriolen uithaalden, de ballonvaarder (en fotograaf) Nadar, die er zijn tochtje door de lucht naar Haarlem voorbereidde.

Je wilt bovendien weten wat dat allemaal te betekenen had, binnen de sociaal-culturele geschiedenis van Amsterdam. Was de programmering een prehistorische variant op de cultuurpolitieke ambities die, een halve eeuw na oprichting van het Paleis voor Volksvlijt, de jonge sociaal-democratie voor ogen stonden? Was er sprake van een burgerlijk beschavingsoffensief en zo ja waartoe en met welk resultaat? Wennekes houdt zich afzijdig van die meta-historische afwegingen; afgezien van een enkele lapidaire opmerking over Pierre Bourdieu en Norbert Elias ontbreekt de cultuursociologie in zijn studie. Dat is spijtig.

Het is bovendien jammer dat hij Amsterdam zo slecht kent (hij denkt dat het Stedelijk Museum 'op enkele meters' van het Rijksmuseum staat, verkeert in het ongewisse omtrent de spelling van 'Ceintuurbaan', gokt dat de Sarphatikade de straat is die de Sarphatistraat met het Oosteinde verbindt en meer van die malligheid) en soms rare dingen schrijft ('een dergelijk gebouw hing als het ware in de lucht'). Ook is hij sterk in het non sequitur, het maken van parmantige gevolgtrekkingen die helemaal niet worden gerechtvaardigd door het aangedragen materiaal, vooral bij betrekkelijke kleinigheden.

Het is nog spijtiger dat hij zo'n brave borst is, zo'n vlijtige leerling die wil laten zien hoe goed hij zijn best doet. Hij heeft de eigenaardigste blaadjes zitten lezen en waar hij ze slechts steekproefsgewijs heeft doorgebladerd zegt hij het er netjes bij. Maar hij heeft al die volgeschreven fiches en volgetikte files niet op tijd een eindje van zich afgeschoven om eens rustig na te denken over wat nu precies wat hij allemaal aan de weet was gekomen, te betekenen had. Het is vermoedelijk daarom dat hij zo weinig op heeft met het Paleis in de verbeelding.

Het zij hem allemaal vergeven. Wat hij gedaan heeft is als het werk van de paleontoloog: hij heeft de botjes bijeen gezocht en het skelet gereconstrueerd. Dus nu aan het werk, dichters onder de historici, om er het vermoedelijke vlees omheen te kneden - om te 'leven in een huis/ als in een lichaam'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden