Gids door de literatuur van de Oudheid

IN De Antieken - Een korte literatuurgeschiedenis biedt de Leidse classicus Ilja Leonard Pfeijffer een uitputtend overzicht van de klassieke literatuur....

Volgens Pfeijffer valt de antieke letterkunde in twee delen uiteen. Hij hanteert daarbij niet het gebruikelijke onderscheid tussen de Griekse en de Latijnse schrijvers, maar weet met overtuigende argumenten aan te tonen dat de ver overingen van Alexander de Grote het breekpunt in de klassieke geschiedenis vormen. Daardoor is op cultureel en sociaal terrein een ware aardverschuiving teweeggebracht.

Vóór 323 voor Christus, het sterfjaar van Alexander en dus vóór het ontstaan van de immense zogeheten diadochen-rijken, woonden de Grieken in betrekkelijk kleine stadstaten en was hun privé-leven geïntegreerd in het openbare leven. Vanaf het einde van de vierde eeuw voor Christus maakten zij, min of meer anoniem, deel uit van een centraal en absolutistisch bestuurde staat.

Dit heeft zijn weerslag op de literaire producten gehad, met name in de poëzie, die internationale allure kreeg en, zoals Pfeijffer schrijft, autonoom en schriftelijk werd, terwijl die voordien oraal en traditioneel was. De Latijnse literatuur, die pas met Livius Andronicus begint (ongeveer 284-204 voor Christus), valt natuurlijk in de tweede helft.

Pfeijffer heeft naar volledigheid gestreefd en dit geeft aan zijn boek op sommige plaatsen een hermetisch karakter. Zijn durf om het grote gebaar te maken heeft het nadeel dat de stijl weleens te kort ademig is geworden. De lezers krijgen op verschillende pagina's een waterval van nietszeggende namen over zich uitgestort en moeten dan maar op gezag van Pfeijffer aannemen dat de besproken schrijvers en hun werken het vermelden waard zijn.

Zo nu en dan wordt het oordeel tezeer door een persoonlijke voorkeur beïnvloed. Dit blijkt uit enkele apodictische uitspraken, zoals over de Megarenzische dichter Theognis, die waarschijnlijk in de tweede helft van de zesde eeuw actief was en op wiens naam een boek met homo-erotische gedichten is overgeleverd. Volgens Pfeijffer is het literaire niveau daarvan 'ronduit deplorabel'; een te strenge beoordeling, want onder de bewaard gebleven 1230 verzen zijn ook wel goed geslaagde en leesbare gedichten. Ook valt er heel wat af te dingen op de stelling dat de blijspelen van de Romeinse komediedichters Plautus en Terentius 'te flauw voor woorden' zijn.

Het is onvermijdelijk dat bij zo'n uitvoerig overzicht vergissingen worden gemaakt. Vooral in het hoofdstuk over het Attische toneel zijn onjuistheden geslopen. Zo is de hypothese dat het koor in de Griekse tragedies gezien moet worden als een verlengstuk van de toeschouwers, inmiddels achterhaald. Ook werden in de klassieke tijd op het Griekse toneel nooit cothurnen ('malle hoge toneellaarzen' volgens Pfeijffer) door de spelers gedragen, want die werden pas door de Romeinse acteurs in gebruik genomen.

In Sophokles' treurspel Vrouwen van Trachis komt de held Herakles niet om door een kleed dat door zijn vijand was gegeven, maar door zijn eigen vrouw. Antigone wordt in het gelijknamige drama niet ter dood gebracht, maar pleegt zelfmoord. Helena, de hoofdfiguur die Euripides' tragedie haar titel verleende, is nooit als schim in Egypte geweest; de clou is juist dat ze als schijnbeeld in Troje was beland. Oidipous is niet uit Korinthe gevlucht, maar ging daar uit vrije wil weg.

In de komedie van Aristophanes, Vrede, maakt de protagonist geen tocht door de lucht op de rug van een meikever, maar op die van een mestkever, en in het blijspel Plutus wordt de god van de rijkdom niet door de held van het stuk, maar door de god Asklepios genezen. De mededeling dat op het Atheense toneel openlijk werd gecopuleerd, is aan de fantasie ontsproten. Er kon in het Griekse theater veel schokkends gebeuren, maar zo bont hebben de antieke comici het nooit gemaakt.

Bij de interessante beschouwing over het vroege Latijnse heldendicht staat ten onrechte opgemerkt dat de versmaten van het klassieke Latijn niet, zoals in de Griekse poëzie, op de lengte van de lettergrepen zijn gebaseerd, maar op de woordaccenten. Het onderscheid tussen hard en zacht komt, naar algemeen wordt aangenomen, voor beide talen pas in de eerste eeuwen na Christus, toen het gevoel voor de kwantiteiten of lengteverschillen verloren was gegaan.

De toon die Pfeijffer aanslaat, is vaak colloquiaal, zijn doorgaans moderne woordkeuze is verfrissend en zijn stijl humoristisch, soms bij het studentikoze af. Dit laatste gebeurt bijvoorbeeld wanneer hij meedeelt dat er vele miljoenen boeken en artikelen over de Griekse en Latijnse literatuur zijn verschenen en dat hij die 'natuurlijk' allemaal heeft gelezen. Ook de openingszin van het boek - een lange opsomming van alle mogelijke talen uit de Oudheid, die alleen maar worden genoemd om 'voor het gemak te worden vergeten' - is oubollig, evenals de mededeling dat de eed van Hippokrates overal op de wereld in het Oud-Grieks moet worden afgelegd. Het al te kwistige gebruik van Engelse termen en tussenwerpsels komt de leesbaarheid niet ten goede.

Maar deze bezwaren worden rijkelijk gecompenseerd door de levendige verteltrant en de verbluffende kennis van zaken. Er staan fraaie opstellen in het boek, onder anderen over Pindaros, de Griekse dichter van zegezangen, en over de wijsgeren Plato en Aristoteles, wier bepaald niet eenvoudige theorieën op een aangename en instructieve manier worden uitgelegd. Daardoor is De Antieken een waardevolle leidraad geworden voor degenen die hun licht willen opsteken over de klassieke schrijvers of hun kennis willen opfrissen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden