Een hulpverlener van GGZ Breburg in Tilburg houdt toezicht op een agressieve 'patiënt' (de man op de foto is een medewerker).
Een hulpverlener van GGZ Breburg in Tilburg houdt toezicht op een agressieve 'patiënt' (de man op de foto is een medewerker). © Ton Toemen/Hollandse Hoogte /

Geweld in psychiatrie blijft vaak ongestraft: slachtoffers vrezen represailles

Geweld tegen medewerkers in de psychiatrie blijft in een groot deel van de zaken ongestraft. Slachtoffers hebben het idee dat het zinloos is om aangifte te doen, ze worstelen met hun beroepsgeheim of vrezen voor represailles.

Dat blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit in opdracht van Politie en Wetenschap dat vandaag verschijnt. 'In de praktijk heeft de patiënt een vrijbrief om geweld te gebruiken tegen het personeel', zegt onderzoeker Joke Harte. Jaarlijks wordt ongeveer 30 tot 40 procent van het personeel van psychiatrische klinieken het slachtoffer van fysiek geweld. Een kleine groep patiënten is verantwoordelijk voor de vele incidenten. 'Deze werknemers zijn geen kleinzerige types. Als een patiënt psychotisch is en hij moet naar de separeercel, dan vallen er klappen. Daar zullen de medewerkers echt geen aangifte van doen', zegt Harte. 'Maar er gebeurt veel meer.' Vervolging van de dader blijft dan veelal achterwege, ook als de dader wel toerekeningsvatbaar is.

Geïnterviewden zeggen dat de politie geweld soms bij hun vak vindt horen, of de aangifte zinloos vindt

In 2012 onderzocht Harte ruim 2.600 geweldsincidenten die door GGZ-medewerkers waren gemeld. 704 leidden er tot een aangifte. Daarvan resulteerde 10 procent in strafvervolging. Ditmaal onderzocht ze waarom het niet lukt dit probleem aan te pakken. Afgelopen jaren zijn meerdere beleidsstukken verschenen en convenanten gesloten, waaronder het Actieplan Veilig werken in de zorg. Volgens Harte hebben die initiatieven weinig effect gehad. 'En dat terwijl men juist wil dat werknemers met een publieke taak extra beschermd worden. In vergelijking met bijvoorbeeld ambulancepersoneel staan werknemers in de psychiatrie nog altijd in de kou.'

Geïnterviewden zeggen in haar onderzoek dat de politie geweld soms bij hun vak vindt horen. Of dat de politie de aangifte zinloos vindt, omdat de zaken vaak worden geseponeerd door het Openbaar Ministerie. De verdachte is al opgenomen, en vormt geen gevaar meer voor de buitenwereld, is de redenering. Harte: 'Een veelgehoorde reactie is: het is een patiënt, hij kan er niks aan doen. Dat is niet altijd zo. Soms is er sprake van een gerichte aanval op een medewerker.'

De regels omtrent het beroepsgeheim zijn streng en niet altijd helder

Mede-onderzoeker Ingrid van Houwelingen

Ook worstelen de slachtoffers met hun beroepsgeheim. Hierdoor kunnen ze slechts summiere informatie geven, waardoor vervolging lastig wordt. Het OM en de politie hebben hier niet altijd begrip voor, zeggen de slachtoffers. 'De regels omtrent het beroepsgeheim zijn streng en niet altijd helder', zegt mede-onderzoeker Ingrid van Houwelingen. 'Vorig jaar heeft een psychiater van de tuchtraad een waarschuwing gekregen. Ze had het OM geadviseerd een agressieve patiënt die doodsbedreigingen uitte, in een beter beveiligde kliniek te plaatsen.' De onderzoekers pleiten onder meer voor een landelijk meldpunt waar GGZ-medewerkers dit dilemma kunnen bespreken met experts.

Daarnaast vrezen sommige slachtoffers represailles: patiënten kunnen vaak niet op straat worden gezet en overplaatsing naar een andere kliniek is ook niet altijd mogelijk. Ook vrezen ze dat door een aangifte hun privégegevens bij de cliënt terechtkomen. Harte: 'Zelfs als de kliniek aangifte doet in plaats van de medewerker, kan anonimiteit van het slachtoffer niet gegarandeerd worden.'

GGZ Nederland zegt de beschreven dilemma's te herkennen. Volgens een woordvoerder is er de afgelopen jaren meer aandacht gekomen voor het onderwerp, maar zijn er nog verbeteringen mogelijk. 'Vooral in de samenwerking en communicatie tussen de GGZ, politie en het OM.' GGZ Nederland gaat de oplossingen die in het onderzoek worden aangedragen bespreken met de politie en het OM. Ook het OM erkent dat het in de praktijk soms 'lastig is een passende sanctie te vinden in deze ingewikkelde zaken' en dat besluiten om een zaak te seponeren niet altijd goed worden uitgelegd aan slachtoffers. Er komt daarom meer aandacht voor sepotbrieven, zegt een woordvoerder. 'Zodat slachtoffers beter geïnformeerd worden.'


Slachtoffers en een geneesheer-directeur aan het woord

Gerco Blok (40), geneesheer-directeur

Er is discrepantie tussen de impact van het geweld en wat je er juridisch mee kan

Gerco Blok

'Sinds 2012 is het beleid dat we van strafbaar gedrag altijd aangifte doen', zegt Gerco Blok (40), psychiater en geneesheer-directeur van GGZ-instelling Emergis in Zeeland. 'Verpleegkundigen maken zelf al een schifting: als iemand vanuit een psychose agressief is, doe je vaak geen aangifte. Anders wel. Wij werken in de zorg omdat we begaan zijn met deze patiënten. We zijn burgers, geen agenten. Meer dan een training in het hanteren van agressie hebben we ook niet gehad.'

Ondanks dit beleid is het resultaat niet altijd bevredigend. 'Er is vaak een grote discrepantie tussen de impact van een geweldsincident bij het personeel en wat je er uiteindelijk juridisch mee kan. Veel zaken worden geseponeerd. Dat geeft een machteloos gevoel. Zo zat een vrouwelijke collega een tijd geleden te eten. Uit het niets werd ze aangevallen. Ze viel op de grond en kon nog net een trap op haar hoofd voorkomen. Er is dan vrijwel geen letsel, maar het was wél een poging tot ernstig letsel. De politie kan daar niks mee, maar zo'n medewerker kan wel ptss-klachten krijgen', zegt Blok.

Een dilemma bij de aangifte is bovendien het beroepsgeheim. 'Soms weet je dat iemand gericht een medewerker aanvalt. Dat de agressie niet voortkomt uit verwardheid, maar uit boosheid en een asociaal karakter. Dit kun je alleen niet toelichten.' Emergis heeft daarom een afspraak gemaakt met de politie dat de aangifte opgenomen wordt door gespecialiseerde agenten die begrip hebben voor dit probleem. Dat neemt niet weg dat vervolging lastig blijft.

Enkele jaren geleden organiseerde Emergis daarom een pilot met het Openbaar Ministerie en politie zodat zaken die anders automatisch geseponeerd zouden worden, toch behandeld werden. 'Drie tot vier keer per jaar hielden we een zitting met de officier van justitie. De politie deed de beveiliging en de dader kreeg een advocaat. Vaak kwam eruit dat een zaak voorwaardelijk werd geseponeerd. Oftewel: als de dader zich opnieuw zou misdragen, zou hij wel gestraft worden. Dat werkte goed: we gaven er een duidelijk signaal mee af.'

De pilot is gestopt. Maar, zegt Blok, 'we zouden er opnieuw leven in moeten blazen. Ik hoor nu vaker van medewerkers dat ze zich aan hun lot overgelaten voelen.'

Jonas (32), slachtoffer

Deze patiënt had duidelijk een grens overschreden. Je krijgt het gevoel dat hij er gewoon mee wegekomt

Jonas

'Ik heb nog altijd het idee dat als mijn collega's niet hadden ingegrepen ik nu dood zou zijn', zegt Jonas (32). In februari 2016 begon Jonas aan een nachtdienst. Van zijn collega's van de late dienst hoorde hij dat een van de cliënten nog een aansteker moest teruggeven. Samen met een collega stapte hij op de patiënt af. 'De man reageerde heel boos. Voor ik het wist stond hij met zijn neus tegen mijn neus. Ik krijg jou nog wel, zei hij. Ik zei dat hij naar achter moest gaan en drukte op mijn alarmknop. Toen begon hij te schoppen, te slaan en ik kreeg een knietje. Hij trapte naar mijn hoofd en riep: ik maak je dood.'

Anderhalve week eerder had Jonas de patiënt voor de veiligheid begeleid naar een zitting met de rechter in de kliniek, daar verlengde de rechter de machtiging om deze cliënt langer gedwongen vast te houden. Op de beschikking stond de naam van Jonas - een formaliteit. Mogelijk verweet de patiënt hem dit. 'Terwijl mijn collega's hem van me aftrokken, zei de patiënt: ik weet waar je woont, ik krijg je nog wel.'

Een paar dagen later doet Jonas aangifte. 'Deze patiënt had duidelijk een grens overschreden. De politie reageerde goed. Maar een paar weken later hoorde ik dat de zaak geseponeerd was. De redenering was: de man zit toch al vast in een kliniek, een strafzaak is dan niet nodig. Je krijgt het gevoel dat de dader - die vaker agressief was - er gewoon mee wegkomt.

'Samen met mijn werkgever heb ik toen een artikel-12-procedure aangespannen. Ik ben justitie blijven bellen om te horen wat er gebeurde. Uiteindelijk is de dader wel vervolgd. De politierechter heeft hem veroordeeld tot een voorwaardelijke straf van twee weken cel. Maar dat is ook geen oplossing: er zou eens goed onderzoek gedaan moeten worden naar waarom deze patiënt zich zo gedraagt. Ik vind het verre van bevredigend.'

De naam van Jonas is gefingeerd, hij mocht het verhaal niet vertellen van zijn werkgever.

Joke Broelman (50), slachtoffer

Ik hoorde de patiënt roepen: ik heb er toch één te pakken gekregen

Joke Broelman

Het is 29 december 2015 als verpleegkundige Joke Broelman (50) aan een late dienst begint. Ze krijgt het verzoek samen met twee andere collega's een arts te vergezellen: de arts gaat een ghb-verslaafde vertellen dat hij niet langer welkom is in de kliniek. De man heeft zich misdragen. Andere cliënten werden bang van hem.

'Ik zag de spanning bij hem oplopen. 'Jullie kankerstralen mij er niet uit', riep hij. Opeens haalde hij uit naar de hals van de arts. Ik kon zijn arm nog net vastpakken.' Bij de worsteling die volgt, valt Joke over een stoel. Op de grond. 'Ik zag zijn vuist op mijn gezicht afkomen. Deze heb ik nog met mijn arm kunnen afweren waardoor hij alleen mijn kaaklijn raakte, anders had ik zijn vuist vol in mijn gezicht gehad. Toen ik even later met gebroken ribben en kermend van de pijn op de gang lag, hoorde ik de patiënt roepen: 'Ik heb er toch één te pakken gekregen. Ik heb toch mijn zin gekregen.''

Joke doet aangifte. Nadien hoort ze lange tijd niks. Uiteindelijk krijgt ze een brief: er is een zitting gepland. Maar als ze in april in de rechtbank aankomt, blijkt dat de man voor andere misdrijven terechtstaat. ''Deze zitting gaat niet over jouw zaak', vertelt de officier van justitie. Mijn aangifte van mishandeling bleek de dag na de aanval al te zijn geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Hierover was ik niet geïnformeerd. En hoezo gebrek aan bewijs? Er waren genoeg getuigen. Geseponeerd! Pardon? Ik was woedend.'

Haar werkgever start een artikel-12-procedure om het Openbaar Ministerie te verzoeken de dader alsnog te vervolgen. Met succes. 'De patiënt wordt vervolgd voor een lichte mishandeling. Hoe het nu met de zaak staat, weet ik niet. Ik heb niks meer gehoord. Het maakt mij ook niet meer uit: het gaat er mij om dat ik erkenning krijg als slachtoffer en dat patiënten geen vrijbrief krijgen om geweld te gebruiken tegen de mensen die hen willen helpen.'