Geluk is gevaarlijk

NA ZIJN AFSCHEID als hoogleraar psychiatrie in Groningen kreeg Rutger Kopland (pseudoniem van R.H. van den Hoofdakker) de gelegenheid in enkele Oost- en Midden-Europese steden colleges over zijn werk te geven aan studenten Nederlands....

Toch bevat het boekje ook voor poëzielezers een paar interessante mededelingen, die dan ook vrij vaak herhaald worden. Het betreft zijn verslag van werkcolleges waarbij de studenten pogingen deden het gedicht 'Jonge sla' in hun eigen taal om te zetten. Wat opvalt aan die discussies, is dat het steeds alleen maar gaat om de juiste gevoelswaarde van de afzonderlijke woorden: wat ziet een Rus voor zich bij 'sla', bestaat er in het Hongaars een woord voor een 'bedje' in een moestuin, kan een Pool zich iets voorstellen bij een 'hoekje aardappelen'. Nooit wordt er van gedachten gewisseld over klank en ritme of andere vormtechnische kwesties.

Datzelfde viel ook op in Het mechaniek van de ontroering, een verzameling essays van zeer uiteenlopende kwaliteit, die in 1995 verscheen, met daarin twee stukken die tot in detail het ontstaan van een gedicht documenteerden. Ook daar bleek Kopland vrijwel uitsluitend geïnteresseerd te zijn in de gedachtegang van zijn gedichten, en nauwelijks in de muziek van de taal, die bij veel andere dichters juist het mechaniek van de ontroering op gang brengt.

Kopland is niet wat men noemt een 'talige' dichter bij wie de woorden hun eigen gang gaan. Zijn stijl is onopvallend en hij schrijft over duidelijk herkenbare gebeurtenissen en gevoelens, hetgeen hem een grote populariteit heeft bezorgd.

Die ogenschijnlijke gewoonheid van zijn gedichten brengt het gevaar met zich mee dat je ze te snel gaat lezen en te gauw denkt dat je ze wel ongeveer doorgrondt. Dat zou jammer zijn. Zijn repertoire is beperkt, maar in de nauwkeurige wijze waarop Kopland complexe gevoelens onder woorden weet te brengen, staat hij in ons taalgebied op eenzame hoogte.

Het maken van een gedicht helpt hem in zijn eigen brein onverwachte ontdekkingen te doen, soms paradoxale waarheden te formuleren waarvan hij niet wist dat hij ernaar op zoek was. Ook zijn nieuwe bundel, Tot het ons loslaat, die voor bijna eenderde uit gelegenheidsgedichten bestaat, voegt weer enige wondertjes van psychologische subtiliteit aan zijn oeuvre toe.

Terecht raadselachtig, maar absoluut niet vaag of vrijblijvend is bijvoorbeeld een gedicht waarin wordt onderzocht wat ons als mens bijeenhoudt, welk psychisch mechanisme ervoor zorgt dat we niet desintegreren. Kopland registreert hoe samen met de taal het bewustzijn uiteenvalt op het moment dat we inslapen, en hoe het ook weer opgebouwd wordt wanneer we ontwaken:

er moet iets zijn nu het woord morgen

langzaam oplicht en het morgen is

dat ons bijeen hield en loslaat

zoals we hier liggen

Van de slaap is het maar een kleine stap naar de dood, de toestand waarin 'het' ons definitief 'loslaat', om de titel van de bundel te parafraseren. Hoewel de dood in deze bundel prominent aanwezig is, bijvoorbeeld in een in memoriam voor Herman de Coninck, gaat het in de beste gedichten om iets anders, dat overigens nauw met vergankelijkheid verbonden is: om geluk. Dat begint al in het eerste gedicht:

Geluk was een dag aan een vijver

in gras met bomen

tot in de hemel omkringd

ik was er het kind van god en

mijn grootvader - beide stierven

geluk is gevaarlijk

de vijver is gaan liggen in de avond

zo spiegelglad dat hemel, bomen en gras

zich herhalen onder de aarde

angst en heimwee, beide vragen mij

terug

Dat ook Kopland, ondanks de schijn van het tegendeel, aan de vorm van zijn gedichten vaak grote aandacht besteedt, blijkt uit de manier waarop klanken en woorden hier gerangschikt zijn. Het geluk uit de eerste regel wordt middenin het gedicht herhaald, terwijl de klinkers ervan in het allerlaatste woord terugkomen. De elementen gras, bomen en hemel uit de eerste strofe worden letterlijk gespiegeld in de hemel, bomen en gras uit de tweede helft van het gedicht. Opmerkelijk zijn de assonance in 'omkringd', 'ik' en 'kind', die de geborgenheid benadrukt, en het binnenrijm in 'gevaarlijk' en 'aarde', dat een verband met de dood legt. Ten slotte is de herhaling van 'beide', een woord dat op zichzelf al dualistisch is, betekenisvol in een gedicht dat over verdubbeling en herhaling gaat.

Het kon dan ook haast niet anders of dit openingsgedicht moest gespiegeld worden in het laatste gedicht van de bundel, dat inderdaad 'Wat is geluk' heet. Ook hier wordt het feit dat geluk een vorm van herinnering is, beeldend tot uitdrukking gebracht door de vele herhalingen. En omdat herinneringen nooit exacte kopieën van het verleden zijn en bovendien voortdurend veranderen, zijn ook de herhalingen in dit gedicht pogingen iets essentieels in steeds weer andere woorden te vangen. Zo eindigt het gedicht:

ik bedoel dit: dat wij

het geluk zoeken omdat het zich

verbergt in onze herinnering en

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk

moet ergens en ooit zijn omdat wij dit

ons herinneren en dit ons herinnert.

Niet alle gedichten in de bundel zijn zo goed als het eerste en het laatste. Maar alleen al om deze twee zou men de bundel moeten kopen. Van het honorarium kan de dichter weer eens heel duur sla gaan eten.

Piet Gerbrandy

Rutger Kopland: Tot het ons loslaat.

Van Oorschot; 42 pagina's; ¿ 24,90.

ISBN 90 282 0911 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden