Gelovige in een van God verlaten wereld

'LYRIEK is de moeder der politiek', luidt een van Luceberts versregels. De dichter noemde zichzelf de 'omroeper van oproer', die een 'kleine mooie revolutie' afdraaide....

Met die visie doen we Lucebert geen recht, stelt Jan Oegema in zijn onlangs verschenen proefschrift: Lucebert, mysticus. Oegema laat zien dat de beeldvorming over de keizer der Vijftigers in de loop der jaren nogal is vertekend. Al eerder, in 1990, schreef Oegema een stuk voor Parmentier waarin hij uiteenzette dat de Lucebert-receptie wordt gehinderd door de duisterheid van diens poëzie. Hij noemt dat het zogenaamde Aafjes-complex, naar Bertus Aafjes die gehoond werd omdat hij zei dat hij de poëzie van Vijftig onbegrijpelijk vond.

Nog erger was Aafjes' uitspraak dat naar zijn gevoel met Lucebert 'de SS de poëzie was binnengemarcheerd'. Critici waren bang dat ze zichzelf net zo zouden blameren als ze eerlijk zouden toegeven dat ze er geen snars van begrepen. Daardoor is Lucebert lang de hemel in geprezen zonder dat er sprake was van werkelijk inzicht in zijn werk.

Een ander probleem is dat men Lucebert te graag als revolutionaire held heeft willen zien, als 'icoon van de moderne tijd'. Daarmee gingen de critici voorbij aan het feit dat Lucebert zichzelf als een echte profeet beschouwde. Zowel zijn 'morele imperatief' als zijn 'religieuze bezieling' werden genegeerd.

Oegema laat zien dat Lucebert daadwerkelijk een 'homo religiosus' was. De dichter gebruikte de christelijke en joodse mystiek niet alleen als intellectuele boksbal, zoals eerdere auteurs beweren. Hij paste de mystici niet alleen in als 'intertekst', hij wás zelf echt een mysticus.

Oegema laat zien dat het een 'mystieke openbaring' was die Lucebert in eerste instantie tot dichten bracht.

Hij interpreteert een reeks van vier vroege gedichten (waaronder het beroemde 'ik tracht op poëtische wijze') als 'roepingsgedichten'. Daarin beschrijft Lucebert zijn eerste visionaire ervaring, een openbaring die hem ertoe aanzette te gaan dichten. Voordat het dichten zelf kon beginnen, had de dichter echter een lange weg af te leggen: 'de weg van verlatenheid naar gemeenschap'. In Oegema's interpretatie is het die overgang waarom het gaat in de vier roepingsgedichten, die 'het verhaal van een profetische rite de passage in de beste bijbelse traditie' vertellen.

Het patroon is steeds hetzelfde. Eerst is er een visioen: het horen van stemmen of engelen, daarna het afdalen in de duisternis, stilte en verlatenheid, gevolgd door de weg naar de gemeenschap. Dat patroon komt in de poëzie van Lucebert keer op keer terug. Daarom kan Oegema het over een 'ontstaanspoetica' hebben: een 'schema' voor wat er met Lucebert gebeurde voordat hij een gedicht schreef. Oegema's uitgangspunt levert een aantal overtuigende interpretaties op: hij maakt aannemelijk dat in veel van de gedichten deze visionaire ervaring beschreven wordt.

Ooegema voegt iets toe aan de eerdere studies over mystiek, gnosis en kabbala bij Lucebert. Meer dan zijn voorgangers gaat hij in op Luceberts metafysische levenshouding in de periode van de 'roepingsgedichten'. Hij neemt de jonge dichter serieus wanneer die klaagt dat de menselijkheid verstikt is in intellectualisme, en dat de letterkundige snobs hun mond vol hebben van het hogere, maar vergeten om het hogere te leven.

Oegema's perspectief verklaart ook Luceberts gespletenheid. De dichter was wel een profeet, maar hij kon toch, net na de Tweede Wereldoorlog, niet geloven in een heilsplan of in de verlossing. Zijn God was niet de patriarchale God van het christendom, maar een mystieke, afwezige God. Hij worstelde met de vraag: 'Hoe te spreken over een overweldigend godsvisioen in een wereld die zichtbaar door God verlaten is?'

Dat Lucebert in de eerste naoorlogse jaren een antwoord zocht op deze vragen, blijkt ook uit een tweede boek dat onlangs over hem verscheen: Licht is de wind der duisternis. In deze bundel staat onder andere een biografische schets van Peter Hofman over Lucebert in de jaren 1948-'49. Dat was Luceberts poëtische 'incubatietijd', de tijd waarin de poëzie in hem broeide maar nog niet tot explosie kwam.

Hofman toont een jonge dichter die zijn verhouding tegenover het geloof bepaalt. Hij logeerde negen maanden in een klooster om daar wandschilderingen te maken, hij ging regelmatig naar de kerk en liet zich zelfs dopen. Lang heeft deze flirt met het katholicisme niet geduurd, maar deze gegevens ondersteunen Oegema's interpretatie wel. Het ziet ernaar uit dat Lucebert in deze vroege periode een gelovige was, die het schrijven van poëzie als een heilige aangelegenheid beschouwde.

Dit profetendom is niet uniek. Sinds de Romantiek wordt de dichter vaker beschouwd als ziener of geroepene. Vooral in de avant-garde aan het begin van deze eeuw, een beweging die wel meer romantische kenmerken had. Zozeer dat de dadaïst Hugo Ball zich in 1916 in zijn dagboek afvroeg of de avant-garde ondanks al haar inspanningen wel boven een dichter als Baudelaire uit zou komen, 'ob wir nicht doch nur alle Romantiker bleiben'.

Ook de Vijftigers - de wat verlate Hollandse variant van de internationale avant-garde - waren romantisch met hun dichterlijke heldendom en hun anti-burgerlijkheid. Dat geldt vooral voor Lucebert, die zich niet voor niets het meest verwant voelde met Hölderlin.

Over Lucebert en de romantiek gaat de bijdrage van Redbad Fokkema aan Licht is de wind der duisternis. Hij laat overtuigend zien dat Lucebert in de romantische traditie ondergebracht kan worden, gezien de belangrijkste kenmerken van zijn poëzie: de dichter als ziener, het verzet tegen de burgerlijke maatschappij, het verlangen naar harmonie met de aarde, het belang van duistere en onbewuste krachten.

De romantische kenmerken van zijn werk komen aan de orde in een stuk van Hans Groenewegen. Volgens hem beschouwde Lucebert de poëzie als een magische praktijk: het gedicht was niet alleen een heilzame amulet, maar ook een plaats waar tegengestelde zaken elkaar niet uitsluiten, en zelfs kunnen samenvallen, zoals licht en duisternis, zwijgen en spreken, leegte en volheid. Dit opheffen van dualismen heeft consequenties voor de interpretatie van het werk. Lucebert wilde 'meervoudigheid in één gedicht, één beeld, in één woord waarmaken'.

De overwegingen van Groenewegen zijn de moeite waard, maar wat veel voor één artikel, dat dan ook nogal chaotisch is geworden. Dat is een euvel waaraan meer bijdragen in de bundel lijden. Het stuk van Lucas Hüsgen over Lucebert en Hans Arp is zelfs volslagen onbegrijpelijk.

Een ander probleem is dat dit boek niet doet wat het belooft. In de inleiding staat dat aandacht zal worden besteed aan de vraag waarom Lucebert tussen 1956 en 1981 niets publiceerde, en aan het verschil tussen de poëzie van voor en na deze periode van zwijgen. Alleen Cyrille Offermans heeft over dat laatste echt iets te melden. Voor het overige gaan de stukken in deze bundel over andere dingen, en het beloofde verband lijkt een noodgreep.

Er is geen enkele overeenkomst tussen de droge inventarisatie van nagelaten werk door Anja de Feijter, het luchtige, onderhoudende essay van Gilles Dorleijn over de jazz en de volslagen onzinnige bijdrage van Arjen Mulder over Lucebert en de media, met als dieptepunt de conclusie dat de dichter pas na zestien jaar zwijgen de pen weer kon oppakken 'omdat hij toen de impact van de televisie te boven was gekomen'.

Niettemin staan er dingen in de bundel die zeer de moeite waard zijn. Bijvoorbeeld de reproducties van de schitterende 'unica': boekjes met tekeningen en gedichten die Lucebert voor vrienden maakte. Of de elegante poëzie-interpretatie van Lucebert-kenner Cornets de Groot, die laat zien hoe een op het oog ondoorgrondelijk gedicht heel inzichtelijk wordt als we het woordenboek erbij halen. Bovendien legt hij uit dat poëzie bedoeld is om te verontrusten, en dat de wetenschappers die poëzie bestuderen, niet moeten proberen ons weer gerust te stellen met hun interpretaties.

Van wetenschap die te veel geruststelt is in beide boeken geen sprake. Het beeld van Lucebert als vrolijke rebel maakt plaats voor dat van een gedreven, gekwelde profeet die alleen maar onheil kon verkondigen. Die, om het in zijn eigen woorden te zeggen, leed aan 'de zwarte waanzin der dichters', en moeizaam van letter naar letter moest strompelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden