Geen rupsen als je ze nodig hebt

Sommige dieren en planten profiteren van een warmer Nederland. Maar jonge vogeltjes lopen rupsen mis, nonnetjes algen en bruinvissen zandspiering. Een rondgang langs de verliezers...

Het maarts viooltje bloeit nog volop in december. Aalscholvers zitten in horden langs de Nederlandse kust, terwijl die vogels nu in Spanje horen te zitten. De Japanse oester breidt zich uit in de warmere Waddenzee. Het zijn signalen van klimaatverandering.

Wie om zich heen kijkt in opgewarmd Nederland, lijkt in een nieuw Jac. P. Thijsse-landschap te leven. Voor Nederland onbekende soorten zoals bepaalde korstmossen, kleine heremietkreeften en gehakkelde aurelia’s vestigen zich in de bossen, rivieren en duinen.

In de natuur lijken zich enkel winnaars aan te dienen als gevolg van klimaatverandering. Voorlopig wel. Wie echter in de achterliggende trends duikt, kan de verliezers al zien opdoemen.

De bonte vliegenvanger is het gaafste voorbeeld van een trekvogel die de klimaatverandering in Nederland niet kan bijbenen. Zelfs Al Gore gebruikte het Nederlandse onderzoek in zijn film Een ongemakkelijke waarheid als illustratie van wat ons in de natuur te wachten staat, als die door klimaatverandering ontregeld raakt.

De bonte vliegenvanger verlaat West-Afrika als de dagen langer worden om in Nederland of elders in Europa te broeden. Na 5 duizend kilometer vliegen, arriveert het vogeltje in een Nederlands bos. Het broeden begint.

Het uitkomen van de eieren en de aanwezigheid van rupsen als voer voor de kuikens vielen tot voor kort altijd samen. De rupsenpiek duurt maar drie weken en in die tijd moet veel voer in de hongerige jongen worden gestopt.

Maar door het warmere voorjaar staan eiken eerder in het blad. De rupsen begeren vooral het zeer jonge loof, dat nog geen anti-vraatmiddel bevat en dat maar kort beschikbaar is. Dus moeten de rupsen ook eerder in actie komen. Ze hebben hun piek in twintig jaar tijd met vijftien dagen vervroegd.

De bonte vliegenvanger is niet afgestemd op de veranderde Nederlandse temperatuur. In veel bossen is het beestje de laatste jaren met 90 procent in aantal achteruit gegaan, zegt dr. ir. Christiaan Both van de Rijksuniversiteit Groningen, die verbaasd was zijn onderzoek terug te zien in Al Gore’s film.

Nonnetje

Bioloog dr. Katja Philippart van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) heeft ook een ‘tijdsbreuk’ in de voedselketen opgespoord. Als gevolg van klimaatverandering warmt het water in de Waddenzee in het voorjaar sneller op. Haar verliezer is een schelpdier, het nonnetje.

Nonnetjes houden er ook een timing op na. Bereikt het zeewater in het voorjaar een temperatuur van 8 graden Celsius dan laten ze hun eieren en zaadcellen in het water los, omdat ze gewend zijn dat er op dat moment veel algen in het water drijven, voedsel voor de larven.

‘Die watertemperatuur wordt nu eerder in het voorjaar bereikt dan vroeger. Gevolg is dat de larven verhongeren, omdat ze te vroeg uitkomen om van de algen te kunnen profiteren’, zegt Philippart.

De ellende is daarmee nog niet afgelopen. De larven die het nog wel hebben gered, zijn de prooi van jonge garnalen. Deze hongerige geleedpotigen komen anderhalve maand eerder dan midden jaren tachtig de Waddenzee in en vinden daar hapklare larven van nonnetjes op de bodem. In het verleden waren de larven te groot voor de garnalen. Nu niet meer.

In de Waddenzee speelt nog een ander fenomeen, dat met de klimaatverandering heeft te maken. De inheemse mosselen, kokkels en nonnetjes nemen onder meer in aantal af doordat de uitheemse nieuwkomer, de Japanse oester, hen verdringt. De uitdijende oesterpopulatie is een ongewild gevolg van een proef met deze exoot.

Dat experiment om Japanse oesters te kweken, zou niet tot een plaag kunnen leiden, omdat dit warmte minnende dier zich niet zou kunnen voortplanten in het koude Waddenzeewater, was de redering. Het experiment zou dus geen bedreiging vormen voor inheemse oesters. Dankzij het warmere water breidde Japanse oester zich echter snel uit en verdringt nu kokkels en mosselen.

Is dat erg? ‘Het is maar hoe je het bekijkt’, zegt Philippart. ‘Er ontstaat een rif van oesters met een nieuw ecosysteem. Maar wie naar het waddengebied kijkt vanwege de vogels, waaraan het zijn internationale faam van natuurgebied heeft te danken, zal minder enthousiast zijn. De scholeksters, eidereenden en kanoeten, die zich met kokkels en mosselen voeden, kunnen de Japanse oester niet kraken en hebben weinig aan deze nieuwkomer.’

De laatste jaren valt zeeonderzoeker Kees Camphuysen van het NIOZ van de ene verbazing in de andere. Aalscholvers die zich kort geleden langs de Nederlandse kust vestigden, horen in de winter in Spanje te zijn. Maar ze zitten nog in horden aan de Nederlandse kust en blijven hier plakken. Zeekoeten ziet de onderzoeker in steeds hogere aantallen aan de kust, terwijl dit vogels van de open zee zijn.

Zeekoeten – volgens Camphuysen zo star als een houten deur – zijn op de Shetlandeilanden in vier jaar tijd een maand later gaan broeden. Niet alleen door gebrek aan voedsel maar vooral door een veranderde timing van het aanbod van jonge prooivis. Net als de nonnetjes in de Waddenzee en de bonte vliegenvanger uit Afrika hebben klimaatwijzigingen hen verrast.

Zandspiering

Zeekoeten zwemmen met hun donsjongen van de Schotse kust naar het Friese Front, een veilig gebied met weinig roofdieren in het Nederlands continentale plat. Hun jongen komen uit als de zandspiering eetbaar is. De zeekoet begint daarom met eieren leggen als de larven van de zandspiering uitkomen. Maar door een veranderde planktonsamenstelling, die wordt toegeschreven aan klimaatverandering, is er bijna geen zandspiering meer bij Shetland.

De uitvliegende zeekoeten zijn zodoende vertraagd en komen met hun jongen later in de kraamkamer aan, waar dan al veel meer roofmeeuwen op hen wachten. ‘De kuikens zijn bitterballen voor vogels als de grote jagers’, zegt Camphuysen.

‘Veel jongen en ruiende oudervogels zwemmen nu van het Friese Front door naar de Nederlandse kust, waar ze doodgaan.’

Ook bruinvissen, die in Nederland leken uitgestorven, nemen de laatste jaren razendsnel in aantal toe. Er komen in de Nederlandse Noordzee nu zelfs dwergvinvissen voor. ‘Zo langzamerhand wordt de Noordzee een walvisgebied’, zegt Camphuysen.

De massale aanwezigheid van bruinvissen heeft misschien indirect met opwarming van de zee te maken, vermoedt de onderzoeker.

Gebrek aan zandspiering, hun hoofdvoedsel, drijft hen van de noordelijke Noordzee naar het zuidelijke deel.

Bij het ontleden van kadavers van bruinvissen werd ontdekt dat bruinvissen nu vooral grondeltjes eten, visjes van 3 centimeter. Om in leven te blijven, moeten ze er duizenden van eten en een voor een opzoeken op de bodem. Men zou veronderstellen dat een dier zo snel mogelijk zoveel mogelijk gemakkelijk bereikbaar voedsel naar binnen werkt.

‘Een bruinvis kan een vis van 30 centimeter inslikken. Dan lijkt het zot om visjes van 3 centimeter te eten. Door wat grotere vissen te verschalken zou een bruinvis de rest van de dag op een strandstoel in de zon kunnen zitten’, oordeelt Camphuysen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden