Geen enkel wild dier is veilig voor de bushmeat-jager

Stropers halen elk jaar een miljoen ton bushmeat uit Afrika. Zelf eten ze er weinig van. Het is vooral handel. In dode mensapen bijvoorbeeld.

Met zijn taaie schubben die als dakpannen z’n hele lijf bedekken, zal de pangolin waarschijnlijk het laatste dier zijn dat in westerse ogen gebraden of gestoofd op een bord thuishoort, geflankeerd door aardappelen en een pluk rucola.

Niet in Kameroen: daar staat het schubdier geregeld op het menu. Net als de rietrat, de krokodil, de kafferbuffel, de Afrikaanse goudkat, de gorilla, de rotspython en andere dieren die de westerse vleeseter niet tot zijn delicatessen zou durven rekenen.

Onappetijtelijk of niet, zeldzaam of niet, of erger: met uitsterven bedreigd of niet – geen enkel dier in het Afrikaanse land lijkt veilig voor stropers. Een nieuwe studie, waarvan de resultaten deze maand zijn verschenen in de Journal of Horticulture and Forestry, maakt duidelijk waarom. De handel in bushmeat is te lucratief.

In het wetenschappelijk tijdschrift hebben twee onderzoekers van de universiteit van Kwazulu-Natal in Zuid-Afrika voor het eerst tot in detail en op microniveau vastgelegd welke rol de handel in ‘wild vlees’ in de lokale economie speelt. Daarvoor namen ze twee dorpen onder de loep in het oosten van Kameroen, waar houtwinning de voornaamste bron van inkomsten vormt.

Korte metten
Stropen, luidt hun conclusie, is van alle bijverdiensten voor de honderd huishoudens in de dorpen het lucratiefst. Van elf andere activiteiten turfden de wetenschappers wat ze in het laatje brengen. Dat blijkt in totaal 4,5 procent te zijn van de bijna 470 duizend dollar die de jacht op wilde dieren in een jaar opbrengt.

Met hun cijfers maken de onderzoekers korte metten met het verwijt dat westerse natuurbeschermers die de handel aan banden willen leggen, de armen hun voedselbron afnemen. ‘Slechts 32 procent van de dieren die de jagers vangen, eten ze zelf op’, zegt Frans Schepers, hoofd van het programma Beschermde gebieden en soorten van het Wereld Natuur Fonds (WNF). ‘De rest is voor de verkoop.’ Volgens ramingen halen stropers elk jaar een miljoen ton bushmeat uit Afrika.

Het WNF voert in het kader van haar mensapencampagne sinds maart van dit jaar een intensieve strijd om de kaalslag te stoppen die de handel in bushmeat aanricht onder de fauna in Centraal-Afrika. ‘Na de Amazone is het stroomgebied van de Congo het grootste bosgebied ter wereld’, zegt Schepers. Van al het vlees dat de bewoners consumeren, is tussen de 60 en 80 procent afkomstig van wilde dieren – het equivalent van 4 miljoen koeien per jaar.

De handel in het ‘wild vlees’ ontziet geen enkele diersoort. ‘In sommige streken vormt apenvlees 5 procent van het aanbod in bushmeat, in andere streken bijna de helft’, aldus Schepers. ‘Het gaat om vele duizenden mensapen per jaar die in de pan belanden. Onvoorstelbaar.’ Voor de gorilla, chimpansee en bonobo vormt de jacht de grootste bedreiging, na de gevolgen van het ebolavirus en de verwoesting en versnippering van hun leefgebied door houtkap, mijnbouw en oorlogen.

De grotere diersoorten gaan er in het jachtgebied het eerst aan. Olifanten, reuzenzwijnen en antilopen leveren nu eenmaal het meeste vlees op. De gevolgen zie je langs de kant van de weg, zegt Schepers. ‘Ik was twee jaar geleden nog in Ghana. Daar verkochten de handelaren vooral vleermuizen en ratten. De grote dieren waren al weg.’

De gevolgen blijven niet beperkt tot de verdwijning van zeldzame diersoorten alleen. Ook de flora lijdt onder de stroperij. Schepers: ‘Door de jacht raakt het oerwoud zijn fruiteters kwijt. Van alle bomen is 80 procent voor de verspreiding van zijn zaden afhankelijk van dieren die de vruchten eten.’

Alternatieven
Het probleem voor natuurbeschermingsorganisaties als het WNF is dat de handel in bushmeat een veelkoppig monster is. De bevolking is voor eiwitten grotendeels aangewezen op wilde dieren. Alternatieven zijn er niet, of ze zijn te duur. Er wordt meer vlees gegeten dan in het westen.

Gelegenheid maakt de stroper. De gebieden waar de jacht zich concentreert, zijn enorm. De controle verloopt daardoor moeilijk. De toezichthoudende instanties zijn bovendien te klein om een vuist te kunnen maken – als ze al niet corrupt zijn. Het bushmeat wordt met de hout- en andere delfstoftransporten naar de stad gesmokkeld, waar de rijkere consument bereid is grif te betalen voor wild vlees. ‘Niet de arme bosbewoner, maar de commerciële handelaren in de steden zitten achter de grootschalige jacht’, zegt Schepers.

Het WNF bestrijdt de jacht en de handel daar waar het ’t meest effectief is. Natuurlijk moet de controle in het veld en langs de transportroutes worden verscherpt, zegt Schepers. Zijn organisatie steekt geld in een betere training voor boswachters, controleurs en rechters. Tegelijkertijd moet er volgens Schepers worden gewerkt aan alternatieven voor de lokale bevolking, bijvoorbeeld door het houden van kippen, koeien, varkens en geiten te bevorderen.

Een ander speerpunt van het WNF is een grootscheepse bewustwordingscampagne, ook voor de stadsbewoner die graag een vorkje pangolin prikt. Schepers: ‘Die moet beseffen dat de gevolgen van de handel in bushmeat verdergaan dan zijn eigen bord.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden