'Gebrek aan tact en deemoed vaak oorzaak ontslag bewindslieden'

Door Sander van Walsum

Anne BosBeeld Suzan Zanders

Halbe Zijlstra heeft talrijke lotgenoten: bewindslieden die voortijdig hun ontslag indienden. Soms hadden ze fouten gemaakt, soms hadden ze slechts de schijn tegen. Soms konden ze niet goed overweg met hun collega-bewindslieden, soms kwamen ze in aanvaring met de Tweede Kamer. Soms werden ze door de eigen partij geofferd, soms eiste de coalitiegenoot hun vertrek. Soms vertrokken ze nadat ze maanden onder vuur van media en volksvertegenwoordigers hadden gelegen, soms vertrokken ze onverhoeds na spoedoverleg in het Torentje. Er zijn geen staatkundige regels voor het tussentijds vertrek van een bewindspersoon, dus elk geval staat min of meer op zichzelf. Over de omstandigheden waaronder ministers en staatssecretarissen in de periode 1967-2002 hun biezen hebben gepakt en over de rol die andere betrokkenen daarbij speelden, heeft de historica Anne Bos (1977), verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit, een vuistdik proefschrift geschreven waarop zij woensdag promoveert. Wat de verschillen tussen de verzamelde cases ook zijn: veel bewindslieden heeft het aan tact en deemoed ontbroken.

Aan wie moeten we dan denken?

‘Aan Robin Linschoten bijvoorbeeld, VVD-staatssecretaris van Sociale Zaken van 1994 tot ’96. De fouten waarvan hij werd beticht, het misleiden van de Kamer en het bedrijven van vriendjespolitiek, waren destijds moeilijk hard te maken. Maar hij stelde zich nogal arrogant op tegenover de Kamer en eiste een onvoorwaardelijk vertrouwen. Daarmee overvroeg hij. PvdA’er Roel in ’t Veld, kortstondig staatssecretaris van Onderwijs in 1993, reageerde ook nogal hautain op de verontwaardiging in de Kamer over de goed betaalde klussen die hij naast zijn hoogleraarschap had verricht. Daar kwam bij dat PvdA-leider Wim Kok eerder had gezegd dat schnabbelende hoogleraren niet meer moesten worden ontzien dan bijklussende uitkeringsgerechtigden. In ’t Veld had weliswaar geen formele regels overtreden, maar verspilde mede door zijn houding in korte tijd het geringe krediet dat hij genoot.’

Welk ontslagverhaal heeft u het meest gefrappeerd?

‘Dat van Roelof Kruisinga, die in 1978 na 74 dagen aftrad als minister van Defensie omdat hij zich niet kon verenigingen met de eventuele invoering van de neutronenbom. Je vraagt je af wat hem ertoe heeft bewogen om met die opvatting minister van Defensie te worden. Met de manier waarop hij die opvatting uitdroeg, wekte hij veel wrevel bij vriend en vijand. Hij trad solistisch op en presenteerde zich als de betere christen. Zijn leefwijze – hij dronk te veel – gaf aanleiding tot roddel en achterklap, waarbij zelfs de Amerikanen zich niet onbetuigd lieten. Het was volkomen duidelijk dat hij de verkeerde man op de verkeerde plek was.’

U besteedt veel aandacht aan Gijs van Aardenne, die niet aftrad hoewel hij als minister van Economische Zaken de Kamer onjuist had geïnformeerd.

‘Dat heb ik gedaan, omdat hij wel had moeten aftreden. Dat was het oordeel van de parlementaire enquêtecommissie die in 1984 de zogenoemde RSV-affaire (verkwisting van overheidssubsidies aan de kwijnende scheepsbouw, red.) onderzocht, en zo dachten ook veel Kamerleden erover. Maar zijn eigen partij, de VVD, hield hem tegen beter weten in de hand boven het hoofd, en coalitiegenoot CDA ging daarin mee omdat ze geen kabinetscrisis wilde. De politiek heeft daar tot op de dag van heden lering uit getrokken: bewindslieden die als aangeschoten wild worden beschouwd, kunnen beter tot aftreden worden bewogen. Na de lijdensweg van Van Aardenne is dat inzicht vaak in de praktijk gebracht, om te beginnen bij staatssecretaris Gerrit Brokx in 1986. Soms was het vertrek van een bewindspersoon heel terecht, soms minder terecht, maar steeds ging er wel een zuiverende werking van uit. Vooral de VVD is rechter in de leer geworden.’

Daarom is het zo jammer dat uw onderzoek zich niet tot na 2002 uitstrekt.

‘Veel archieven die ik daarvoor had moeten raadplegen, zijn nog niet toegankelijk. Ik had de recente gevallen dus veel minder goed kunnen documenteren dan de oudere gevallen. Ik meende er dus beter aan te doen om bij 2002 op te houden. Hoe jammer ik dat ook vind.’

Verloren vertrouwen. Afgetreden ministers en staatssecretarissen 1967-2002. Uitgeverij Boom.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden