Filosofisch geblunder van Geert W.

De jonge denker Rob Wijnberg maakte zich geliefd met filosofische duidingen van de actualiteit. Talent heeft hij volop. Maar iets meer Kant en iets minder Wilders zou zijn werk ten goede gekomen....

Olaf Tempelman

De populariteit die de filosoof Rob Wijnberg (1982) zich in korte tijd heeft verworven, moet iets te maken hebben met een behoefte aan bruggenbouwers – aan mensen die als taai bekend staande klassieke denkers licht verteerbaar weten te maken, die ons de essentie van complexe ideeën prettig verpakt serveren. We hebben weinig zin meer avonden kostbare tijd en kilo’s concentratievermogen te investeren in een stevig werkje als Kants Kritiek van de zuivere rede. Maar we willen wel graag weten met welke van Kants ideeën we anno 2009 nog ons voordeel kunnen doen. Gevolg: de kloven overbruggende ‘filosofie-light’ vormt een groeimarkt. Waarschijnlijk de bekendste exponent daarvan is de Brits-Zwitserse denker Alain de Botton, die met het rijk geïllustreerde De troost van de filosofie – over onder andere Seneca, Montaigne en Nietzsche – een onverbiddelijke bestseller schreef.

Van Rob Wijnberg is er nu Nietzsche en Kant lezen de krant, waarin behalve Friedrich N. en Immanuel K. nog een flinke reeks andere denkers acte de présence geeft. Dat Wijnberg net als De Botton veel in zijn mars heeft, blijkt alleen al uit de uitstekende, lekker cultuurpessimistische inleiding. Wijnberg ontwaart een cultuur die in toenemende mate wordt gedomineerd door soundbytes; een cultuur waarin figuren als Jort Kelder en Jan Mulder – gespecialiseerd in harde, luidruchtige, amusante ‘statements’ – worden ingehuurd om in dertig seconden gebeurtenissen te duiden, in plaats van mensen die echt iets van dingen afweten.

Geert Wilders vaart mee op dezelfde golf. Al twee jaar is hij Nederlands meest geciteerde politicus, en niet bepaald vanwege zijn geweldige inzicht in complexe problemen. Intellectuelen en serieuze politici zijn in dit klimaat bedreigd, als ze de tv al halen. Jort Kelder vloerde Ella Vogelaar op pijnlijke wijze in Pauw & Witteman, terwijl ze halverwege een serieuze uitleg was (‘Volgens mij moet u een charismacursusje doen.’). Dat is een steeds groter probleem, stelt Wijnberg, die flutfiguren die overal doorheen fietsen: ‘Hoe kan iemand ooit zijn aandacht bij zoiets abstracts als de kredietcrisis houden als Georgina Verbaan er iedere twee minuten doorheen giechelt?’

Met Nietzsche en Kant lezen de krant wil hij ruim baan maken voor wat grotere geesten. Conform de ondertitel spreken ‘denkers van vroeger’ zich uit over ‘dilemma’s van nu’. Dat wekte bij mij hoge verwachtingen – verwachtingen die uiteindelijk maar heel gedeeltelijk werden ingelost: de dilemma’s van nu zijn nadrukkelijk aanwezig, nadrukkelijker dan de denkers van vroeger, en ze komen allemaal uit de recente Nederlandse actualiteit.

Minstens één reden daarvoor is dat Wijnberg veel van de mini-essays hier oorspronkelijk schreef voor nrc.next, naar aanleiding van actuele gebeurtenissen. Dat de lezer bovenop een vaak alweer gedateerde actualiteit zit en een ‘bevrijdende’ afstand ontbreekt, kun je de auteur dus niet verwijten – maar misschien wel dat hij de stukken in hun oorspronkelijke krantenvorm in boekvorm heeft gepubliceerd. Zoals wel vaker het geval is: goede maar tijdgebonden krantenstukken vormen achter elkaar gezet niet noodzakelijk een goed en minder tijdgebonden boek.

Veruit de beste stukken hier staan los van de directe actualiteit. Heel goed is Liefhebben kun je leren, waarin Wijnberg ruimte maakt voor Erich Fromm, die een interessante paradox gewaar werd: in een tijd waarin steeds meer beheersbaar en maakbaar wordt geacht, ziet de moderne westerse mens de liefde juist als iets waar hij totaal geen controle over heeft, iets ultiem romantisch, iets wat makkelijk hoort te zijn, vanzelf moet komen. Fromm wist wel beter: liefde is geen aandoening maar een activiteit, zij is hoogstens in de beginfase makkelijk, daarna vergt zij hard werk en opofferingen.

In De drugsparadox laat Wijnberg zien dat je zowaar iets kunt hebben aan de aartsvader van het deconstructivisme, Derrida. Die ontmaskerde het woord drugs als een ‘geïnstitutionaliseerd politiek begrip’. Het gaat in het drugsdebat niet om de vraag in hoeverre drugs schadelijk zijn voor de gebruiker. ‘Wat de tegenstanders van drugs tegen een druggebruiker hebben, is dat hij zich afsluit van de wereld.’ De mate waarin bepaalde drugs worden afgekeurd, hangt nauw samen met de mate waarin zij de sociale en economische productiviteit van de gebruiker ondermijnen.

Jammer is dat Wijnberg in dit soort stukken nalaat eigen ervaringen te gebruiken – een van de sterke punten van Alain de Botton. Wijnberg introduceert steeds een thema en duidt dat vervolgens met hulp van een coryfee. Die afwezigheid van eigen ervaringen vormt ook een voornaam verschil tussen hem en Joris Luyendijk, die deze bundel vorige week presenteerde, en wiens ideeën Wijnberg kritisch tegen het licht houdt in het essay De krant van Joris Luyendijk zou niemand lezen. Waarom niet? Omdat Luyendijk de consequenties niet doorziet van zijn Nietzschiaanse idee dat de waarheid niet bestaat maar altijd door individuen wordt ingevuld op grond van hun achtergrond en voorkeur. Door te laten zien dat al het nieuws subjectief en gemanipuleerd is, ontmantelt Luyendijk de macht van de journalistiek. In de voet geschoten, kan die geen vuist meer maken tegen politiek of bedrijfsleven. Een krant die zijn beperkingen opbiecht, wordt niet gelezen, denkt Wijnberg; op een politicus die zijn beperkingen opbiecht, wordt niet gestemd.

Dat is wat al te cynisch, lijkt me: rijen sluiten, mond dicht houden, als we openheid betrachten en ons kwetsbaar opstellen worden we gevloerd door tegenstanders. Me dunkt dat er politici en publicisten zijn die populair en invloedrijk werden door open kaart te spelen, onder hen Luyendijk.

Wijnberg durft veel te beweren, heeft veel lef – anders schop je het op je 26ste niet tot populaire filosoof-light – , maar schiet haast onvermijdelijk af en toe te ver door. Dat is op zich geen probleem: hij provoceert en zet aan tot het verzamelen van tegenargumenten. Dat doet hij niet met de vele stukken in deze bundel die hij schreef naar aanleiding van alwéér een inconsequente uitspraak van Wilders of Verdonk.

In zijn inleiding hekelt Wijnberg de wel heel royale aandacht die Wilders in het contemporaine Nederland ten deel valt. Echter, in Nietzsche en Kant komt Geert niets te kort, net zo min als Rita trouwens. Voortdurend betrapt Wijnberg ze op drogredenen, intern tegenstrijdige argumentatie, ondeugdelijke argumentatie, afwezige argumentatie of simpelweg adembenemende domheden. Wat dacht je dan?, dacht ik steeds. Doordachtheid en intellectuele consequentie zijn over het algemeen geen kenmerken van politici die een electoraat moeten paaien. Het zijn zeker geen kenmerken van dit soort politici, de goedkope populistische – een soort waarop Nederland bepaald niet het patent heeft.

Rob Wijnberg heeft het in zich een Nederlandse Alain de Botton te worden. Maar dan moet hij de blunders van Wilders laten voor wat ze zijn, en zich in boekvorm buigen over zaken die er over vijftig jaar nog wel toe doen.Olaf Tempelman

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden