Erge dingen voor meisjes TWEE DEBUTEN BELICHTEN VROUWELIJKE KANT VAN ADOLESCENTIE

HET IS EEN gevleugelde uitspraak dat de Nederlandse literatuur voor negentig procent geschreven is voor tienermeisjes. Krijgt hij haar wel of niet, waarom ben ik zo lelijk, waarom begrijpen mijn ouders mij niet en wanneer zal ik het eindelijk ook een keer doen?...

Op de middelbare school zijn jongens vaak met geen stok aan het lezen te krijgen, terwijl meisjes - voor ze de smaak van het echte leven te pakken krijgen - graag wegzwijmelen bij puberleed in boekvorm. Een kleine vertaalslag in het gevoelsleven is daarbij echter nodig. Het wemelt in onze literatuur van de puisterige Werthers, Antonnen, Albertjes, Maartens en Jannen, maar hun vrouwelijke evenknieën zijn zeldzaam, tenzij als object van geheime hunkering: het 'Ina Damman-model'.

Hermine de Graaf was een van de eersten die verhalen schreven met het gezichtspunt van jonge meisjes voor ogen. Haar bokkige pubertjes bleken aardig wat eigenzinniger, een stuk geschifter ook, dan al die vertrouwde broekenmannen. Er volgden anderen, zoals Manon Uphoff en Anna Enquist. Er werden sociologische studies verricht naar groepsgedrag en seksleven van meisjes, en een lange reeks vrouwelijke incestslachtoffers paradeerde in de media. De puber of adolescent was een wezen van beiderlei kunne geworden.

In twee romandebuten van jonge vrouwen is de 'binnenwereld' van een opgroeiend meisje het onderwerp. In Winterkind van Josine Marbus wordt de veertienjarige Inge, bij ontstentenis van een moeder opgevoed door een afwezige vader, onschuldig opgeofferd aan de luimen van haar zwaar puberende grote broer.

Engelen van ijs van Maria Barnas is het 'louteringsverhaal' van een vastgelopen 22-jarige studente aan de kunstacademie, die in gedachten teruggaat naar haar jeugd in Engeland om te achterhalen wanneer en hoe de demonen bezit van haar namen.

Twee vrouwenlevens die in een vroeg stadium ontsporen, dat is wat deze debuten gemeen hebben. In de uitwerking, en in kwaliteit, verschillen ze hemelsbreed. En dat is geen kwestie van onderwerp, maar van literatuur.

Winterkind - de titel ligt als een doem over de kleine Inge - is nog maar een paar bladzijden op gang, of er hangt al een denkbeeldig lijk in de tuin en broer Michiel heeft zijn zus al gesommeerd zich uit te kleden en is druk in de weer met een scheermes op haar donzige meisjeshuid. Ze spelen een spelletje, broer en zus. 'Hij: 'Je bent mijn goudhaantje, mijn lieveheersbeestje.' Zij: 'Wat bedoel je?' Hij: 'Je bent mijn hartedief.' (Werpt kushand.) Zij: 'Maar hou je ook van me?' Hij: 'Natuurlijk, honnepon.' Zij: 'Echt?' '

De rolverdeling ligt vast: mavo-scholier Michiel, voorzien van sigaretten, condooms en een Kreidler, is de stoere beschermer, de man wiens vertrouwen Inge zich waard moet tonen. Inge is de kwetsbare kleine meid die mama mist, haar mooie, lieve, op een dag spoorloos verdwenen heldin, van wie nooit, nooit, een kaartje in de brievenbus ligt. Papa is de knorrige man achter de krant, de man van de afhaalpizza's en altijd nachtdienst in het ziekenhuis. De gevarenzone ligt blakerend open.

Deze korte roman is geschreven in een kinderboekenstijl - Inge's toon en referentiekader - die waarschijnlijk in schril contrast moet staan met de kwaadaardige inhoud. Maar die toon - 'Als je wordt vergeten, dat is pas erg,' denkt Inge - leidt ertoe dat de personages nog stereotieper, en de gebeurtenissen nog voorspelbaarder worden dan ze bij een subtielere behandeling zouden zijn. De schrijfster lijkt vooraf een lijstje te hebben gemaakt van Erge Dingen.

Heel erg is de test die Michiel zijn zus laat ondergaan als bij een buurman een kalfje is geboren. Michiel pocht dat hij zijn arm tot zijn oksel in de bloederige spleet van de moederkoe durft te steken. Maar dan moet Inge zijn natte hand kussen. Of nee. 'Je moet mijn hand maar likken. . . Right, dat is een beter idee.' Erger nog is dat Michiel beweert een brief van de moeder te hebben gekregen, die Inge pas mag lezen als ze. . . het moment is dan niet ver meer dat Michiel en zijn vriend bij een zwempartij Inge's bikinibroek naar beneden trekken en hun jongenslust op haar koelen.

De condooms vergeten ze voor het gemak, waardoor het allerergste nog moet komen: het bloederige plasje waarin het incestueuze vruchtje moet drijven. En dat bij een meisje dat kort daarvoor nog dacht dat kinderen uit de navel geboren worden, tot 'haar broer zei dat baby's tussen vrouwenbenen vandaan kwamen'. (Merkwaardig, een kind van drie weet beter, maar Inge denkt wel meer rare dingen, bijvoorbeeld dat je van 'bestraling' een kaal hoofd krijgt.)

Michiel ontvlucht de vrouwenbenen en gaat als een haas op kamers wonen. Papa koopt voor Inge een mooie atlas.

Ook in Maria Barnas' Engelen van ijs gebeuren erge dingen, maar hier maken ze wel indruk. Dat heeft in de eerste plaats te maken met de achteloosheid waarmee de schrijfster ze laat vallen in het verhaal. Net als in het echte leven voltrekken rampen zich hier stilletjes, sluipend, en hebben ze een bedrieglijk gewoon aanzien. Bij Barnas geen aankondigend trompetgeloei, geen parafernalia van misbruik en geweld. In een rustige, vrijwel metafoorloze stijl, niet het hooggeschoolde Algemeen Berschaafd Literair van veel jonge debutanten, toont Barnas wat een gevoelsarme jeugd aanricht.

Marike is begin twintig en woont samen met Sandor. Sandor slikt pillen, kan geen rommel en lawaai verdragen en ziet overal hopeloze onvolmaaktheid. Vooral in zijn vriendin, die hij terroriseert. Marike is een slim, getalenteerd meisje. Hoge cijfers op school in Engeland, waar ze met haar ouders en broers ging wonen toen haar vader er leraar werd, maar in de ogen van haar vader nooit hoog genoeg. Zij sliep slecht als puber en stond 's nachts vaak op om met behulp van een wijnglas en een alfabet geesten op te roepen van de oud-bewoners van vervallen landhuizen in de buurt. Dierbare spulletjes, briefjes, vondsten, bergt ze op in kleine doosjes die ze begraaft in de tuin.

Er is veel gekte in Marike's familie en haar vader ziet in haar gedrag aanwijzingen voor een 'duivelse aanleg'. Zij doet alles wat hij vraagt, om bij hem in de smaak te vallen. Ten slotte kladdert zij haar spookbeelden maar op de wanden van haar kraakpand.

Engelen van ijs beschrijft overtuigend hoe je kunt ontdekken dat mensen helemaal niet het beste met je voor hebben. De joodse Sandor dwingt Marike haar gekke oma te bezoeken om zo uit te vinden of haar grootvader fout was in de oorlog. Als zij weg is, kiepert hij haar geliefde kistjes, die nu op haar werkkamer staan, in de vuilnisbak. Hij verdenkt haar van overspel, hij verwijt haar gebrek aan zorgzaamheid en egoisme: 'Jij bent iemand die alleen aan zichzelf denkt. Je redt alleen je eigen vege lijf.'

Op een dag besluit Marike inderdaad zichzelf te redden. Zij vertrekt naar een klooster in Ierland. Zij ontdoet zich van haar aangeprate ballast, verzorgt zieken en zwakzinnigen en begint weer te tekenen. 'Ik denk dat ik eindelijk weer een tekening heb kunnen maken omdat het me niet interesseerde of het een mooie tekening zou worden, en omdat het me niet meer uitmaakte dat het maken van een tekening iets volstrekt overbodigs is.'

Een mooi debuut, deze kleine roman van Maria Barnas. Het is alleen te hopen dat zij nog niet, zoals haar hoofdpersoon, geheel gelouterd uit de strijd naar voren is gekomen. Dat zou jammer zijn voor de literatuur.

Aleid Truijens

Josine Marbus: Winterkind.

Veen; 126 pagina's; ¿ 24,90.

ISBN 90 254 2392 2.

Maria Barnas: Engelen van ijs.

De Arbeiderspers; 151 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 295 0159 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden