Achtergrond wetgeving allergenen

Er zou veel duidelijkere wetgeving moeten komen rondom allergenen in voedsel

Beeld Krista van der Niet

Na nieuwe wetgeving is de voedselindustrie zich bewuster geworden van de gevaren van allergenen. Misschien wel té bewust, merkt Irene Schoenmacker. 

Als allergiepatiënt met een zware notenallergie beland ik af en toe in het ziekenhuis. Dat is altijd een heel gebeuren met infuus, zuurstofmasker en een arsenaal aan medicatie. Koken of uit eten gaan is lastig voor mij, net als voor andere Nederlanders met een voedselallergie – een half miljoen zouden dat er zijn. 

Maar er staan tegenwoordig in de supermarkten toch op allerlei etenswaren waarschuwingen speciaal voor mensen met allergieën? Dat klopt, maar mijn ervaring is dat die waarschuwingen de wereld er juist moeilijker op hebben gemaakt voor mensen met voedselallergie. 

Dat zit zo. In 2014 is er nieuwe Europese allergenenwetgeving ingevoerd, waardoor restaurants, maar ook bijvoorbeeld marktkramen en bakkerijen, verplicht zijn om van veertien allergenen aan te geven of die in hun product zitten. Het gaat om ingrediënten als melk, vis, ei, schaaldieren of noten, die bij sommige mensen een flinke allergische reactie kunnen veroorzaken.

De wetgeving lijkt dus een flinke stap vooruit. Maar over één detail is niet goed nagedacht: er kan namelijk altijd een kruimeltje van dit of een flintertje van dat in het eten belanden, bijvoorbeeld doordat de kok zijn handen niet wast, dezelfde snijplank gebruikt of knoeit. Dit wordt kruisbesmetting genoemd en daarover zegt de wet helemaal niets.

Wat doe je dan als bedrijf? Precies: het zekere voor het onzekere nemen, want de nieuwe wetgeving heeft er wel voor gezorgd dat bedrijven zich ervan bewust zijn dat mensen heel ziek kunnen worden van bepaald eten. En al zijn ze niet verplicht te waarschuwen voor mogelijke kruisbesmetting, ze doen het vaak wel uit angst voor claims. Dus ook bij producten waar de kans heel klein is dat er noten in zitten, zoals cordon bleus of kaasfondue. Kon ik vóór de nieuwe wet in 2014 vaak overleggen, nu haasten bedrijven zich te zeggen dat ze ‘niet kunnen garanderen dat er geen x of y in hun producten zit’. En dat maakt het voor mij, en anderen, heel lastig om te bepalen wanneer ik wel of niet iets kan eten, alle goede bedoelingen ten spijt.

Voor de duidelijkheid: ik begrijp dat de bedrijven zich er liever niet aan willen branden. Het laatste wat een bedrijf wil, is mij ziek maken. Maar voor mij als consument is het frustrerend. Van de week bijvoorbeeld, toen ik een ijsje wilde halen en vroeg of de koffiesmaak noten bevatte. Of een uur daarna, bij het bestellen van een pizza margherita – men kon helaas niet garanderen dat de margherita notenvrij was.

Tien jaar geleden werd er inderdaad minder gewaarschuwd, zegt Geert Houben, toxicoloog en onderzoeker van TNO en hoogleraar bij UMC Utrecht. ‘En werd dat wel gedaan, dan was er misschien een heel goede reden voor. Nu waarschuwen bedrijven veel algemener.’

Het is de keerzijde van de wetgeving: bedrijven zijn zich bewuster van wat er mis kan gaan, maar daardoor ook angstiger om aansprakelijk te worden gesteld. ‘En die angst lijkt reëel’, zegt advocaat Eveline Smits, gespecialiseerd in levensmiddelenrecht. ‘Bedrijven kunnen inderdaad aansprakelijk worden gesteld, hoewel het zonder duidelijke wetgeving omtrent kruisbesmetting wel lastig te bewijzen is dat een restaurant onzorgvuldig heeft gehandeld.’

Gelukkig ga ik niet elke dag uit eten en kook ik vaak gewoon zelf. Maar dat maakt de zaak niet altijd makkelijker. Voor de allergiewetgeving van 2014 moest al op voorverpakte producten worden vermeld wat er in gaat, maar het blijft onduidelijk wat er nu écht in producten zit. Houben: ‘Ik heb thuis een voorraadkast vol levensmiddelen en er is bijna geen product meer dat geen etiket heeft waarop staat dat het sporen kan bevatten van een of ander.’ Oftewel: ook hier zou de informatie op het etiket mijn keus simpeler moeten maken, maar is dit in de praktijk niet zo; ik weet nog steeds niet of ik het product kan eten of niet.

Mijn gevoel dat het soms nattevingerwerk is, wordt versterkt door een onderzoek van vorig jaar waaraan Houben meewerkte. Het UMC Utrecht en TNO volgden een jaar lang 157 mensen met een voedselallergie. Bijna de helft van hen (46 procent) kreeg een of meerdere allergische reacties vanwege verkeerde of ontbrekende informatie op de labels. Zes mensen belandden op de spoedeisende hulp. Bij het analyseren bleek dat in de helft van de producten waarop helemaal geen waarschuwing stond, toch allergenen zoals melk, ei, pinda of hazelnoot zaten. In producten waar wél een allergenenwaarschuwing op stond, werd niet altijd gevonden waarvoor werd gewaarschuwd.

In Europa zijn ongeveer 22 miljoen mensen, 3 procent van de Europese bevolking, allergisch voor bepaalde soorten voedsel. ‘Als van de 157 patiënten die wij volgden al 6 op de spoedeisende hulp belandden, wat betekent dat dan wel niet op Europese schaal, met 22 miljoen voedsel allergische mensen?’, vraagt Houben zich in het onderzoek af. En aan de telefoon: ‘Deze situatie maakt eten voor de voedselallergische consument eigenlijk soms gewoon tot een vorm van Russische roulette. Er is geen wettelijke basis voor duidelijke normen omtrent het ‘may-contain-beleid’. We knokken voor duidelijkere regelgeving: wanneer moet je als bedrijf waarschuwen? Bedrijven gooien nu puur een muntje op of ze wel of niet gaan waarschuwen, en een ander muntje of het product veilig is of niet.’

Oplossing?

Wat moet ik doen, als allergiepatiënt, vraag ik Houben: ik word zowel lakser als angstiger. Lakser omdat ik de waarschuwingen minder serieus neem en angstiger omdat ik niet zeker weet wat waar is. Het is even stil. ‘Er is voor de allergische consument geen oplossing op dit moment’, zegt Houben. ‘Het onderwerp moet eerst hoger op de politieke agenda zodat er heldere wetgeving over kruisbesmetting komt.’

In Australië is er bijvoorbeeld Vital, een vrijwillige richtlijn die is bedacht door bedrijven in samenspraak met artsen en patiënten en waarin bepaalde normen zijn afgesproken. Het werkt simpel: is de hoeveelheid allergenen boven deze norm, dan komt er een waarschuwing op het etiket. ‘Ook in Europa wordt deze richtlijn door veel bedrijven op vrijwillige basis gebruikt’, zegt Houben. ‘Het probleem is dat de richtlijn geen wettelijke basis kent, of een formele instemming ermee door de autoriteiten. Wat dus nodig is, zijn duidelijke normen, zoals Vital, die door autoriteiten van alle EU-landen gehanteerd worden of die in Europese wetgeving vastliggen.’

‘Als je kijkt naar hoe restauranthouders en fabrikanten met de allergeneninformatie omgaan, is de wetgeving zijn doel voorbij geschoten’, zegt ook advocaat Eveline Smits. ‘De keus voor allergische consumenten wordt inmiddels zodanig beperkt dat de informatie inderdaad niet meer serieus wordt genomen. We moeten met z’n allen terug naar de tekentafel en dit op een andere manier oplossen. Bijvoorbeeld door de vrijwillige waarschuwingen van bedrijven – want van de wet hoeft het niet – te beperken, of door de NVWA beter te laten controleren of de wet goed wordt nageleefd. Aanvullende wetgeving over kruisbesmetting, over wanneer wel en niet te waarschuwen is hoe dan ook gewenst.’

‘Het is bijzonder dat de nieuwe regelgeving bedrijven ‘dwingt’ om het zekere voor het onzekere te nemen en dan maar te zeggen dat er sporen van allergenen inzitten’, zegt Ira Helsloot, hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit. Maar hij plaatst ook een kanttekening. ‘Het zou ook niet redelijk zijn bedrijven zoals restaurants te dwingen hun productieprocessen zo aan te passen dat ze geen gevaar vormen voor een relatief kleine doelgroep. Of anders gezegd: uit eten gaan in een allergeenvrij restaurant is geen grondrecht dat we als samenleving zouden moeten willen opleggen aan alle restaurants.’

Mag het wat losser, wat menselijker, wat minder krampachtig, denk ik als allergiepatiënt vaak, mag het zoals het was voor 2014. Ik mis het ‘gewone’ gesprek: ook bij restaurants en cafés slokken protocollen en regels de empathie en het inlevingsvermogen op en is er zo een ‘afschuifcultuur’ ontstaan. Paradoxaal genoeg is dat met een kleine wijziging in de wet op te lossen. Ik sluit me bij Houben aan: in samenspraak met artsen zouden normen kunnen worden vastgesteld voor wanneer een product gevaarlijk kan zijn voor iemand met allergieën. Komt de hoeveelheid allergenen boven de vastgestelde norm, plak er een sticker op. Zit de concentratie eronder en vormt die dus geen gevaar, waarschuw dan niet: precies zoals Vital al doet. Leg deze richtlijn dan ook wettelijk vast en voorkom willekeur, zoals de deskundigen voorstellen. Zo is het voor zowel bedrijf als consument helder en betrouwbaar. En dat maakt uit eten gaan voor álle partijen een stuk ontspannender.

Veelgestelde vragen over voedselallergie

Voedselallergie is een abnormaal sterke reactie van het lichaam op eiwitten in ons voedsel. Deze eiwitten (allergenen) worden als indringers gezien, en dus is de natuurlijke reactie van het lichaam om deze op te ruimen. Het afweersysteem treedt in werking en er komt onder andere histamine vrij, een stof die zorgt voor allergieverschijnselen.

‘De laatste jaren is er wereldwijd een stijging te zien in het aantal mensen met voedselallergieën’, zegt Erna Botjes van de Stichting Voedselallergie. Waardoor de stijging komt, is niet duidelijk. ‘In Nederland heeft 2 à 3 procent van de volwassenen een voedselallergie en 5 tot 8 procent van alle kinderen.’ Dat komt doordat de darmen en het afweersysteem op jonge leeftijd vaak minder ontwikkeld zijn. 

De meeste allergische reacties ontstaan op koemelk, kippenei, schaaldieren, schelpdieren, vis, noten, pinda, soja, appel en sesamzaad. Het verschilt per persoon hoe er op deze allergieën wordt gereageerd. In het ergste geval kan er een anafylactische shock optreden en kan de allergiepatiënt overlijden, bijvoorbeeld door het eten van noten. Ook verschillen allergieën per land: in Spanje zie je nare reacties op abrikozen, in Litouwen op wortels, maar het is nog niet helemaal duidelijk waarom producten in het ene land meer allergieën oproepen dan in het andere.

Nee, elke allergie kan dodelijk zijn, alhoewel dit erg zeldzaam is. Vooral de combinatie van ernstige astma en voedselallergie is gevaarlijk.

Nee, helaas niet. Wel zijn er experimenten gaande met immuuntherapie, waarbij kleine hoeveelheden allergenen worden ingenomen om het lichaam minder allergisch te laten reageren. Er zijn al verschillende van zulke ‘pinda-poli’s’ in Nederland. Ook is er noodmedicatie beschikbaar, zoals anti-histaminetabletjes die de allergische reactie moeten verminderen of de adrenalinepen die bij een anafylactische shock er onder meer voor zorgt dat de luchtwegen open blijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden