Eindelijk ontdekt: tweeling-genen

Na een wetenschappelijke zoektocht van haast twintig jaar heeft hoogleraar biologische psychologie Dorret Boomsma eindelijk twee genen ontdekt die ervoor zorgen dat in sommige families meer twee-eiige tweelingen worden geboren. De kans op het spontaan krijgen van zo'n tweeling blijkt iets te worden verhoogd door twee minieme verschrijvinkjes in de genetische software die de eisprong aanstuurt.

Een twee-eiige tweeling zit in de familie, eeneiige niet. Hoogleraar Dorret Boomsma heeft twee tweeling-genen geïdentificeerd. Foto John E. Espinosa / HH

Daarmee komt een voorlopig einde aan een queeste die voor Boomsma eind jaren tachtig al begon. 'Het is wel echt een beetje een levenswerk', zegt ze. 'Het tweelingregister is ooit opgericht om de vraag te beantwoorden: is het krijgen van tweelingen erfelijk?'

Inmiddels is het register, waarin de gegevens staan van haast honderdduizend meerlingen, wereldberoemd vanwege de talloze onderzoeken naar erfelijkheidskwesties. Maar de oervraag, naar de erfelijkheid van het krijgen van tweelingen zélf, stond nog altijd open.

Twee-eiige tweelingen in de familie

Tweelingen komen in twee soorten: de eeneiige, genetisch identieke variant, en de genetisch ongelijke variant, waarbij er twee eitjes bevrucht raken. Al snel werd duidelijk dat eeneiige tweelingen niet in de familie zitten, en twee-eiige wél. Maar waar in de genen de aanleg precies zit, bleef ondanks talloze vervolgstudies onduidelijk.

'Tot de technologische revolutie van de laatste jaren zich aandiende', vertelt Boomsma, 'en het mogelijk werd om miljoenen genetische varianten van verschillende groepen met elkaar te vergelijken.' Liefst 1.980 moeders van spontane twee-eiige tweelingen, afkomstig uit drie landen, vlooide het team daarmee door, waarna men de uitkomsten nog eens toetste aan de dna-gegevens van 90 duizend IJslanders. En nu beschrijven Boomsma en haar collega's de uitkomst van die monstertaak in vakblad American Journal of Human Genetics: twee nietige genetische 'spelfoutjes' kunnen leiden tot een twee-eiige tweeling.

Het 'follikel-stimulerend hormoon'

De mutaties zitten, het viel te verwachten, in gebieden die te maken hebben met de eisprong: één nabij het gen voor 'follikel-stimulerend hormoon', dat betrokken is bij de rijping van het eitje, en één in een gen dat waarschijnlijk mede bepaalt hoe de eileiders op het hormoon reageren. Groot is het effect overigens niet: een familie mét de mutaties zal per duizend bevallingen vijf twee-eiige tweelingen méér voortbrengen dan een familie zonder de mutaties. Daarmee is het effect van de mutaties veel kleiner dan bijvoorbeeld IVF, momenteel goed voor ongeveer 40 twee-eiige tweelingen per duizend geboortes. Overigens verwachten de onderzoekers dat bij nader onderzoek nog andere 'tweeling-genen' aan het licht zullen komen.

Mogelijk heeft de vondst ooit gevolgen voor bepaalde groepen patiënten. Zo staat een van de mutaties die Boomsma vond in verband met de aandoening 'prematuur ovarieel falen', waarbij de vrouw al op relatief jonge leeftijd stopt met menstrueren. Hoofdauteur Hamdi Mbarek mijmert intussen over dna-tests om bij vrouwen die een IVF-behandeling ondergaan de hormoonkuur beter te kunnen inregelen.

Maar eerlijk is eerlijk, het weegt amper op tegen de voldoening om eindelijk te kunnen vaststellen dat als er op positie 30226528 van chromosoom 11 een G staat in plaats van een A, en er op positie 67437863 in het SMAD3-gen een C staat in plaats van een T, de kans op het krijgen van een twee-eiige tweeling met respectievelijk 18 en 9 procent is vergroot.

'Dit was in feite ons eerste project; de eerste vraag die we stelden', zegt Boomsma. 'En nu hebben we een antwoord.'