'Eigenzinnigheid is van levensbelang'

De nieuwe roman van E.L. Doctorow viel niet bij alle critici in goede aarde. Te moeilijk, luidde het oordeel over City of God, en geen herkenbaar, conventioneel verhaal....

'EEN recensent schrijft geen romans, bedenkt geen nieuwe verschijningsvormen en beslist niet welke kant het met de roman uitgaat. Dat doet de romanschrijver.' E.L. Doctorow zegt het op de rustige, bijna didactische toon van iemand die niet te beroerd is het allemaal nog eens uit te leggen. En dat is nodig, want slechts weinig critici hebben echt begrepen waar het hem in zijn nieuwe, langverwachte roman City of God om te doen was. Dus kreeg je vaststellingen als: 'Ironisch dat een boek dat zozeer een ode is aan het verhalen vertellen, het ouderwetse lineaire verhaal zelf zo schuwt' (The New York Times); 'De delen zijn beter dan het geheel' (Boston Globe); en: 'Waar is de roman?' (The New York Times Book Review).

Edgar Laurence Doctorow begrijpt het wel, maar is het er niet mee eens, en eerlijk gezegd valt het hem een beetje tegen van de critici in kwestie. Want ze hebben dikwijls slordig gelezen. Er waren uitzonderingen, maar Doctorow noemt ze niet, misschien omdat het te vanzelfsprekend voor woorden is dat echte lezers zijn boeken wel degelijk begrijpen. Joyce Carol Oates bijvoorbeeld, die in de The New York Review of Books een mooi essay aan City of God wijdde. Maar dat is dan ook een collega, en geen gewone recensent.

In de werkkamer van zijn appartement in Manhattan legt hij het nog eens uit: 'Wie goed kijkt, ziet dat het boek helemaal niet zo willekeurig en toevallig in elkaar steekt als je op het eerste gezicht zou kunnen denken. De fragmenten waaruit het is opgebouwd, zijn gegroepeerd rond tien of elf thema's, zoals leidmotieven in de muziek. Het boek komt telkens op die thema's terug en maakt langs die weg ontwikkelingen door. Eigenlijk roept het de illusie op van chaos en discontinuïteit, terwijl het in feite zeer gestructureerd is.'

Doctorow (1931) is een van de grootste Amerikaanse schrijvers. Zijn doorbraak kwam in 1975 met de roman Ragtime, die werd verfilmd. Hij neemt de tijd voor zijn boeken, meestal een jaar of vijf, en een nieuwe roman geldt als een literaire gebeurtenis. Voor een deel van zijn publiek maakte hij de hooggespannen verwachtingen rondom City of God dit voorjaar niet waar. Het is een diepgravend, ambitieus boek, maar ook moeilijk toegankelijk. En anders dan zijn meeste romans - uitgezonderd misschien Loon Lake - vertelt het geen verhaal met een duidelijk begin, middendeel en afronding. Althans niet op een traditionele, lineaire manier.

Het boek opent met een beschouwing over de Oerknal, het ontstaan van het heelal, en de plek van God in dat geheel. Vervolgens zitten we aan bij een diner ergens in New York, lezen een e-mail van ene Pem aan ene Everett, wandelen in Battery Park in het zuiden van Manhattan en ontmoeten een priester die een preek voorbereidt. City of God, begint de lezer gaandeweg door te krijgen, bestaat uit een hoeveelheid zeer uiteenlopende fragmenten, waarin vaak onduidelijk is wie aan het woord is, wat er gebeurt, waarnaar wordt verwezen en wat de bedoeling is van het geheel. Geleidelijk vallen de dingen op hun plaats.

City of God is een verzameling vertellingen, aantekeningen, notities, invallen en verslagen, maar er blijkt wel degelijk zoiets als een bindende factor te bestaan in de persoon van - toepasselijk - een schrijver, Everett genaamd. Alle tekstfragmenten zijn tot hem te herleiden. Het zijn zijn aantekeningen, zijn e-mails, zijn ontmoetingen, zijn hersenspinsels, zijn anekdoten. Wanneer dat eenmaal duidelijk is, ontstaat zoiets als een verhaal. De meest conventionele lijn is die van predikant Pemberton, die op een dag ontdekt dat het tweeënhalve meter grote koperen kruis uit zijn kerk is verdwenen. Hij treft het later aan op het dak van een pand, waarin een kleine synagoge is gehuisvest.

De onconventionele opbouw onderscheidt City of God van Doctorows andere boeken. Een ander verschil is dat het zijn eerste roman is die in het heden speelt, en ten tijde van het schrijven ervan zelfs grotendeels in de toekomst, het jaar 1999. Is dat misschien de reden waarom het boek vormtechnisch zo afwijkt? Doctorow, nadenkend: 'Mogelijk. . . Dat het in 1999 is gesitueerd, heeft iets te maken met het einde van het millennium. Dat wekte bij mij, kan ik achteraf constateren, de behoefte een afgeronde periode te evalueren. Maar dat was niet gepland.

'Ik heb mijn boeken nooit bewust in een bepaalde tijd gesitueerd. Ik werd mij pas bewust van het feit dat de meeste zich niet in het heden afspeelden toen ik daarop werd geattendeerd. Maar het is waar. Als je mijn boeken in een bepaalde volgorde zet, krijg je een soort persoonlijke Amerikaanse geschiedschrijving van de laatste honderdveertig jaar. Welcome to Hard Times (1960) en The Waterworks (1994) spelen in de jaren 1870, Ragtime (1975) rond het begin van de twintigste eeuw, de achtergrond van Loon Lake (1980), World's Fair (1985) en Billy Bathgate (1989) wordt gevormd door de crisisjaren dertig en The Book of Daniel (1971) speelt in de jaren vijftig en zestig. De verhalenbundel Lives of the Poets (1984), dat in de jaren tachtig speelt, is de enige uitzondering.'

Er zit geen systeem of grote esthetische bedoeling in deze 'geschiedschrijving', meent Doctorow. Wel is hij er altijd van overtuigd geweest dat het tijdperk in een boek net zo belangrijk is als de plaats van handeling. 'Doordat Amerika zo groot is, en voortdurend in beweging, met een multiculturele bevolking die steeds verandert als gevolg van de komst van telkens nieuwe groepen immigranten, zijn de beelden van onze nationale geschiedenis zo ongeveer het enige dat mensen met elkaar verbindt.'

Doctorow begint zijn boeken meestal naar aanleiding van een beeld, een woord of een gesprek dat hij heeft gehoord en dat hem fascineert. In het geval van City of God was de theorie van de Big Bang, over het begin van het universum, een van de inspiratiebronnen. Een tweede was een ervaring van jaren geleden, toen hij in Manhattan een kerkdienst bijwoonde die te maken had met de apartheid in Zuid-Afrika. 'Ik moest een toespraak houden, en terwijl ik op mijn beurt wachtte, zag ik achter het altaar een groot koperen kruis aan de muur, dat een beetje scheef hing. Het viel me op dat de kleur van de goudverf op de muur niet paste bij de goudverf van het kruis. Om de een of andere reden bleef dat beeld me bij. Het lag ten grondslag aan het verhaal over het verdwenen kruis.'

ER WAS nog een derde element, een uitgave van een dagboek, geschreven in het getto van Kovno in Litouwen, die Doctorow onder ogen kreeg. Daarin stonden foto's die iets lieten zien van het dagelijks leven. Doctorow: 'Officieel mochten de mensen in het getto geen camera's hebben, de foto's waren stiekem gemaakt. Er was er een bij van acht jongetjes die in de houding staan. Ze zijn allemaal uit hun kleren gegroeid, hebben militaire petten op en schouderbanden om, en natuurlijk zit op hun jas of trui een davidsster genaaid. Die jongens waren koeriers voor de Joodse Raad. Ze brachten boodschappen over in het getto, waarschuwden mensen als er iets mis dreigde te gaan. Ik keek naar die gezichten en was toen in staat een dagboek te schrijven vanuit het standpunt van Sarah's vader, een van de koeriers.'

Dat City of God de vorm heeft van het werkboek van een schrijver, die bezig is materiaal te verzamelen en noteert wat hij meemaakt of wat hem invalt, is niet de enige reden waarom de roman oogt als een allegaartje, zegt Doctorow. 'Ik vond het ook een interessante vorm, omdat het weergeeft hoe de geest van de moderne mens werkt. Die wordt voortdurend gebombardeerd met informatie. Onze gedachten zijn een soort lappendeken van websites, waarin we van het ene om aandacht schreeuwende onderwerp naar het andere springen. Onder invloed van elektronische communicatie, film, televisie, interacties met onze computer, enzovoort, denken we niet langer alleen in lineaire termen. Wij interpreteren discontinuïteit, hechten er betekenis aan en maken deel uit van de cultuur van de korte adem. City of God is in zijn vorm dus een weerspiegeling van de hedendaagse geest; in elk geval de geest van een stadsbewoner met een universitaire opleiding.'

Een heel ander, maar wat Doctorow betreft ook zeer wezenlijk aspect van het menszijn, is de weifelachtigheid ten opzichte van het idee dat we een rechtvaardig, deugdzaam, 'heilig' leven kunnen leiden, zoals religies dat traditioneel van ons vragen. Doctorow: 'Naarmate Everett meer en meer geïnteresseerd raakt in predikant Pemberton en het verdwenen kruis, voelt hij zich - hoewel hij volstrekt onkerkelijk is - steeds sterker aangetrokken tot deze Pemberton, en de met hem bevriende Sara Blumenthal, de rabbi bij wie - op het dak - het vermiste kruis opdook.

'Hoe meer tijd hij met hen doorbrengt, hoe meer hij in conflict raakt met zichzelf en zich verscheurd voelt tussen het religieuze en het wereldlijke. Dat geeft de toestand weer, waarin veel mensen zich vandaag de dag bevinden. Ons onbehagen zit 'm in het feit dat we met ons intellect niet in het reine kunnen komen met waar we eigenlijk in zouden willen geloven. Wetenschap noch religie is in staat de hele mens tevreden te stellen. City of God biedt de mentale schatkamer van onze twintigste eeuw.'

Het dagboek van Sarah's vader werd het getto uitgesmokkeld en kon daardoor de herinneringen vasthouden aan de mensen die erin voorkomen, maar de oorlog niet overleefden. Elders in City of God lezen we een snijdende verwijzing naar de vijfde-eeuwse kerkvader Augustinus, schrijver van een gelijknamig werk, De Civitate Dei ('De stad van God'). Hij bewerkte Genesis 2-4 om de erfzonde en de theorie van de universele verdoemenis te kunnen introduceren, waarmee hij een bijbeltekst gebruikte als middel tot repressie. Conclusie: niemand is machtiger dan de verteller (of de bewerker) van verhalen.

Hoewel Augustinus een ongunstig voorbeeld is van naar eigen inzicht interpreteren, benadrukt Doctorow de voordelen die daar tegenover staan. 'Ik ben altijd geneigd geweest elke interpretatie van mijn boeken te accepteren, zolang die niet de pretentie heeft dat daarmee het laatste woord is gezegd. Ik stem in met de deconstructivisten, die stelden dat er niet zoiets als één juiste interpretatie bestaat. Ik kan ook de waarde inzien van serieuze interpretaties en analyses waarmee ik het inhoudelijk niet eens ben.'

De stad van God die Augustinus voor ogen stond, was een metafoor voor de vroomheid en rechtvaardigheid die zouden heersen in het dagelijkse leven. Zelf ziet Doctorow het beeld van een hedendaagse stad, hoe chaotisch dikwijls ook, als een weerspiegeling van menselijke glorie. 'Als er ooit een 'goddelijke stad' komt, wordt die gerealiseerd vanuit een religieuze perceptie die harmonieert met de feiten zoals we die kennen, die onze intellectuele zowel als onze emotionele behoeften bevredigt. Als we ooit een vorm van verlossing of bevrijding bereiken, zal de verzoening van wat we weten en wat we geloven daarvan deel uitmaken. Augustinus schreef het oude verhaal over de stad van God, dit is het nieuwe verhaal: een soort correctie van Augustinus.'

Tegen het einde van City of God verzucht Sarah Blumenthal dat juist twijfel de grote beschavende factor in de wereldgeschiedenis lijkt te zijn geweest. 'Twijfel - het evenwicht tussen onze behoefte tot geloven en onze meelijwekkende, nerveuze of treurige scepsis - lijkt mensen tot ethisch gedrag te hebben aangezet, terwijl de ware gelovigen, van welke soort ook, het moorden voor hun rekening hebben genomen.' Volgens Doctorow kan zijn boek dan ook worden beschouwd als een ode aan zowel het vertellen als de twijfel.

'DE ESSENTIE van het geloof zit 'm in de ethische systemen van de grote religies. Die zijn verwerkt in de wetten van de moderne industriële democratie. Daaruit volgt dat een ongelovig iemand net zo ethisch verantwoord en eerzaam kan leven als een gelovige. We kunnen dus zonder de religieuze verhalen, want we leven al lang met de morele consequenties ervan. Nu we de grote religieuze verhalen niet meer nodig hebben, wordt twijfel iets heel positiefs. Die is niet alleen historisch te rechtvaardigen, maar ook filosofisch aan te bevelen.'

Twijfel en relativering zijn de rode draad in Doctorows bekendste boek, Ragtime. Daarin voert hij een groot aantal historische persoonlijkheden op, van Sigmund Freud en Carl Jung tot Henry Ford en J. Pierpont Morgan, dikwijls in omstandigheden die op zijn zachtst gezegd indruisen tegen het historische beeld dat we van hen hebben. Doctorows verdediging van deze werkwijze luidt altijd dat 'history' slechts 'his story' is, oftewel: de waarheid van de historici is slechts een van de vele waarheden. Die van de romanschrijver is even geldig.

Doctorow: 'Doordat een romanschrijver verhalen verzint en ervan moet leven, neemt hij bijna vanzelf stelling tegen de normen en waarden van een bepaalde tijd, of ze nu politiek of religieus zijn. Schrijvers zijn zich er als weinig anderen van bewust dat er nóg een groep mensen is die begrijpt dat je de werkelijkheid kunt aanpassen door de manier waarop je die verwoordt: politici. Daarom worden zoveel schrijvers overal ter wereld onderdrukt, gevangengezet, gemarteld, verbannen, vermoord. Omdat ze onafhankelijke getuigen zijn en ze geen verplichtingen hebben tegenover maatschappelijke instituties. Eigenzinnigheid is voor een schrijver van levensbelang. Je moet iemand tegen je in het harnas durven jagen. Wanneer de schrijver zich opwerpt als een autoriteit die de wereld wil herscheppen, krijgt hij ironisch genoeg vaak erkenning.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden