Eigenlijk altijd al in de ban van Pim

Tien procent van de Nederlanders is racist, bleek onlangs uit een onderzoek van bureau Motivaction. De bevinding baarde nogal wat opzien. Wat was er gebeurd met het tolerante landje dat in vervlogen tijden al zo ruimhartig gastvrijheid verleende aan gevluchte Hugenoten en Portugese Joden?

Maar de neiging allochtonen te discrimineren bestaat al veel langer, blijkt uit onderzoek van de Nijmeegse sociologen Marcel Coenders, Marcel Lubbers en Peer Scheepers. Opvallend genoeg was de steun voor etnische discriminatie het sterkst aan het einde van de jaren zeventig, die toch veelal als tamelijk ‘links’ worden gezien.

Ook is Nederland in internationaal perspectief helemaal niet zo tolerant, blijkt uit hun onderzoek. Volgens een Europese vergelijking maakt Nederland deel uit van een groot peloton middenmoters, tussen de relatief intolerante koplopers Griekenland, Tsjechië, Hongarije, België en Groot-Brittannië en het tolerante Zweden en Finland. Coenders, Lubbers en Scheepers publiceren hun bevindingen in het Jaarboek Mens en Maatschappij, dat volgende week verschijnt.

Het vroegmoderne Nederland kende een traditie van tolerantie, zeker vergeleken met andere landen waar andersdenkenden werden vervolgd. Maar die tolerantie groeide ook uit tot een nationale mythe die lang niet altijd overeenkwam met de werkelijkheid. Zo werden Duitse Joden in de jaren dertig slechts mondjesmaat toegelaten omdat de Nederlandse regering vreesde dat de werkloosheid nog verder zou oplopen. Ook wilde zij geen problemen met de machtige buurman nazi-Duitsland.

In het recente verleden was Nederland het meest tolerant toen er nauwelijks allochtonen te bekennen waren. Toch maakte in 1966 nog altijd 12 procent van de Nederlanders bezwaar tegen een buurman van een ander ras. Toen die vraag halverwege de jaren zeventig nogmaals werd voorgelegd, was dat percentage opgelopen tot 25. Eind jaren zeventig wilde bijna de helft van de bevolking voorrang geven aan Nederlandse gezinnen bij de toewijzing van een woning. Bijna 40 procent was van mening dat buitenlanders eerder ontslagen moesten worden dan Nederlanders. Terwijl in politiek en media de ‘weldenkende’ tolerantie prevaleerde, dachten veel mensen daar heel anders over.

‘In de jaren zeventig kwamen veel Surinamers naar Nederland. Ook lieten veel Turken en Marokkanen hun gezinnen overkomen. Onvrede over die toestroom leidde tot een sterke neiging tot discriminatie’, zegt Peer Scheepers, hoogleraar methodologie van de sociale wetenschappen in Nijmegen.

De neiging tot discriminatie hangt niet zozeer samen met de absolute aantallen allochtonen, als wel met een snelle toename van de immigratie, blijkt uit de cijfers. In de jaren tachtig, toen de instroom daalde, nam ook de neiging tot etnische discriminatie weer af. ‘In de jaren negentig zagen we een sterke stijging van het aantal asielzoekers, vooral uit het Oostblok en Joegoslavië. Dat leidde weer tot meer steun voor discriminatie’, zegt Scheepers. De geneigdheid tot discrimineren piekte in 1998, het jaar waarin de Nederlandse regering ten einde raad Bosnische vluchtelingen huisvestte in lekke tenten op de heide bij Ermelo. Daarna werd het toelatingsbeleid strenger en daalde ook de neiging tot discriminatie weer.

De onderzoekers vonden wel een zogeheten cohort-effect. Wie zijn ‘formatieve jaren’, van zijn 16de tot zijn 20ste jaar, beleeft in een periode waarin de steun voor discriminatie groot is, zal gemiddeld ook later in het leven meer geneigd zijn te discrimineren. Het onderzoek liep tot en met 2002. Het is niet bekend of de discriminatie-index weer is gestegen na de moord op Theo van Gogh in 2004.

Van alle Nederlanders wijst 30 procent de multiculturele samenleving af. Toch zegt 55 procent ‘etnische dreiging’ te ervaren, variërend van concurrentie om werk en woning tot criminaliteit, terrorisme en de zorg om behoud van Nederlandse culturele waarden. Voor de meeste respondenten bleek ‘etnische dreiging’ een vrijwel onontwarbare kluwen van uiteenlopende angsten en gevaren. Scheepers: ‘In onze vragen hebben we wel geprobeerd die zaken uit elkaar te trekken. Je ziet dat Nederlanders alles op één hoop gooien.’

Lager opgeleiden zijn doorgaans meer tot discriminatie geneigd dan hoger opgeleiden. Dat wordt wel verklaard door de ‘etnische competitie-theorie’: het zijn immers die lager opgeleiden die het sterkst met immigranten om werk en huisvesting concurreren.

‘Toch hebben hoger opgeleiden ook zorgen. Ze zijn bang dat hun huis minder waard wordt, vooral als een aanpalende buurt zwart wordt. Daarnaast hebben ze meer bezwaar tegen zwarte scholen. Veel meer dan lager opgeleiden willen ze dat hun kind het beste onderwijs krijgt’, zegt Scheepers.

Anti-immigratiestandpunten worden sterk geassocieerd met ‘de mensen in de oude wijken’. Toch blijkt uit het onderzoek van de Nijmeegse sociologen dat plattelanders veelal sterker geneigd zijn tot discrimineren dan stedelingen. De Lonsdale-jongeren vormen slechts een klein groepje, maar zij maken vaak deel uit van een plattelandsgemeenschap die negatief staat ten opzichte van allochtonen.

Maar waarom waren politici als Fortuyn en Wilders dan zo succesvol in de grote steden? ‘Dat is inderdaad opmerkelijk’, zegt Scheepers. ‘Ik geloof dat beide verschijnselen naast elkaar kunnen bestaan. In de steden is de tolerantie wat groter. Uit ons onderzoek blijkt ook dat mensen toleranter zijn als zij contact hebben met allochtonen, in de buurt of op het werk. Maar in de steden wonen natuurlijk ook veel mensen die negatief over allochtonen denken. Die stemmen op politici als Wilders. Op het platteland is de steun voor discriminatie groter, maar dat leidt niet direct tot een stem op een van de partijen die zich tegen immigratie keren.’ De plattelanders zijn volgens Scheepers vooral bang voor ‘vlekwerking’. Nu zijn de meeste dorpen nog blank, maar hoe lang nog?

Uit de studie blijkt eens te meer dat het fortuynistisch potentieel al meer dan twintig jaar voor Pim ruimschoots voorhanden was. In 1982 was de Centrumpartij van Hans Janmaat ook de eerste anti-immigratiepartij van West-Europa die een parlementszetel veroverde. De grote partijen verklaarden het thema echter taboe, schrijven politicologen Meindert Fennema en Wouter van der Brug elders in het jaarboek: ‘In feite waren de politieke elites door de onverwachte opkomst van de Centrumpartij bang geworden voor hun eigen achterban.’ Het thema immigratie werd overgelaten aan Janmaat, die geboycot werd en allerminst een stemmenmagneet bleek.

Zijn botte retoriek viel ook niet zo goed in een land dat, anders dan Vlaanderen, Oostenrijk of Frankrijk, geen sterke traditie van rechts-nationalisme kent. Pas in de jaren negentig vond VVD-leider Frits Bolkestein een manier om het immigratiedebat open te breken. Hij sloot juist aan bij de traditie van tolerantie, en bestempelde de islam als een intolerante godsdienst die een liberale, tolerante samenleving bedreigde. Fortuyn en Wilders baseerden hun populisme daarna vooral op progressieve waarden als de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen.

In het midden van de jaren negentig bleek uit Europees onderzoek al dat Nederland geen koploper op het gebied van tolerantie ten opzichte van allochtonen was. Dat wordt bevestigd door nieuwe cijfers van de European Social Survey uit 2002 en 2003. Opvallend is de torenhoge positie van Griekenland, waar 70 procent van de bevolking ‘etnische dreiging’ zegt te ervaren. ‘Griekenland heeft veel illegale immigranten uit het Oostblok, die worden geassocieerd met criminaliteit en andere problemen’, zegt Scheepers. In Oost-Europa springen Tsjechië en Hongarije eruit, waarschijnlijk omdat de bevolking dreiging ervaart van de omvangrijke Roma-minderheid. In West-Europa rapporteren België en het Verenigd Koninkrijk meer etnische dreiging. ‘Dat zijn landen waar de immigratie sterk gestegen is’, zegt Scheepers. In Denemarken en Oostenrijk is het gevoel van etnische dreiging juist minder geworden, omdat die landen onder de druk van de bevolking restrictieve maatregelen troffen.

Dat klopt met een paradoxale bevinding van Coenders, Lubbers en Scheepers: hoe strenger het toelatingsbeleid, hoe groter de tolerantie. Scheepers: ‘Toch zou het integratiebeleid ook meer gericht moeten zijn op autochtonen die geen immigranten accepteren. De regering zou veel sterker duidelijk moeten maken dat allochtonen hier zijn op goede gronden, omdat ze hier voor werk naartoe gekomen zijn of asiel hebben gekregen.’

Extreemrechtse jongeren demonstreren in juli 1983 in Rotterdam tegen de aanwezigheid van buitenlanders in Nederland. Een van hen brengt de Hitler-groet. (ANP)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden