Eerste vrouwelijke hoogleraar van Nederland moest van de vrouwenzaak weinig hebben

Een eeuw geleden kreeg Nederland zijn allereerste vrouwelijke hoogleraar. Een historisch moment. Maar van de vrouwenzaak moest deze Johanna Westerdijk weinig hebben.

Ze liet zich vanaf haar middelbareschooltijd liefst 'Hans' noemen en ondertekende haar talloze brieven en briefjes aan hartsvriendin To Sluiter met 'je minnaar', 'uw vrindje' of 'je vrijer'.

Maar in de uitgebreide archieven die betrekking hebben op de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland, mejuffrouw Johanna Westerdijk (1883-1961), heeft haar biograaf Patricia Faasse nergens concrete aanwijzingen gevonden voor wat met een modern woord heet: gender-issues. 'Ze is sterk gericht op vrouwen, maar van verhoudingen was, geloof ik, geen sprake. Hooguit verkeerde ze heel modern in een tussengebied in een wereld waar je nog vooral mannen had en vrouwen.'

Eeuw geleden

Komende week wordt herdacht dat het een eeuw geleden is dat in Nederland voor het eerst een vrouw hoogleraar werd. Op 10 februari 1917 hield Westerdijk, nog maar 34 jaar oud, haar oratie in de aula van de Universiteit Utrecht. Een specialist in plantenziekten en schimmels, met een eigen lab, dan nog in Amsterdam. Een paar jaar later wordt een grote villa in Baarn haar domein, omringd door een parktuin met ganzen en pauwen. En vrouwen, vooral.

Die avond in 1917 brengen Utrechtse studentes haar met fakkels een serenade onder haar hotelbalkon. Ze jodelt vanuit de hoogte mee, melden getuigen. Tegelijk is er ook die officiële foto van de benoeming: Westerdijk centraal op een stoel, streng, met baret en bef, omringd door tientallen serieus kijkende heren in toga. 'Oratie Mej Westerdijk', staat eronder. Want een mejuffrouw is ze, professor of niet.

Johanna Westerdijk, Nederlands eerste hoogleraar. Beeld Centraal bureau voor schimmelculturen.

Uit Faasses Westerdijk-biografie Een beetje opstandigheid (Atlas Contact, 2012) rijst het beeld op van iemand bij wie het nooit opkwam dat ze als vrouw geen plek in de wetenschap zou kunnen hebben. In die zin zou ze een rolmodel kunnen zijn voor de huidige generatie vrouwelijke academici: wat een jongen kan, kan een meisje ook en soms zelfs beter.

Maar tegelijk maakt Faasse met haar gedetailleerde historische onderzoek ook duidelijk dat Westerdijk de vrouwenzaak zelf niet of nauwelijks politiek opvatte. Ze is vooral wie ze is, met haar bulderende lach, haar afkeer van vrouwendingetjes en haar voorliefde voor zowel hard werken als partijen, drank en dans. 'Werken en feesten vormen schoone geesten', laat ze boven haar voordeur in Baarn beitelen.

En - ook dat - dat ze deels door een betrekkelijk ordinaire samenloop van omstandigheden de eerste vrouwelijke hoogleraar van Nederland werd.

Johanna Westerdijk.

Zürich

Dat begint al met haar aanstelling als directeur van het Phytopathologisch Laboratorium Willie Commelin Scholten in Amsterdam in 1906. Westerdijk is geboren en getogen in Amsterdam, opgegroeid in een voorlijk artsengezin aan de Amsteldijk, behalve vader allemaal vrouwen. Ze doet het goed op school en wil biologie studeren aan de door de legendarische Hugo de Vries gedomineerde gemeenteuniversiteit. Uiteindelijk zal ze, mede door gedoe in Amsterdam, promoveren in Zürich - in die jaren een magneet voor vrouwelijke studenten.

'Een paradijs', noemt Westerdijk het in brieven en kaarten naar vrienden thuis. Op het carnaval in München gaat ze met jagershoed en plaksnor de straat op, vergezeld van een Finse schone. Alles om zoengrage mannen van zich af te houden.

Dat ze in 1906 wordt benoemd als directeur van het particuliere lab voor plantenziekten in Amsterdam, heeft een weinig verheffende reden: als jonge vrouw is ze beduidend goedkoper dan de mannelijke medekandidaten. Dat komt het lab, opgericht door de notabele Amsterdamse familie Commelin Scholtens ter nagedachtenis aan hun jong overleden zoon Willie, niet slecht uit. Westerdijk zelf lijkt er niet om te malen. Ze heeft haar eerste voet tussen de deur in de wetenschap en heeft een plan met haar lab, dat tot dan vooral de alledaagse landbouw heeft gediend: er is fundamenteel onderzoek nodig naar de vraag wat planten ziek maakt. Ze zal snel gelden als een autoriteit op dat gebied.

In 1907 krijgt het laboratorium aan de Roemer Visscherstraat 3 het verzoek om de kleine collectie Indische schimmels over te nemen van hoogleraar Frits Went in Utrecht, die ook voorzitter is van de stichting die haar lab beheert. De schimmelkunde staat op dat moment nog in de kinderschoenen; veel systematiek is er nog niet. Dat zal met Westerdijks inzet veranderen. Al snel staan de wanden van het Amsterdamse laboratorium vol rekken met stopflessen en kolven, allemaal met witte wattenprop afgesloten, waarin levende schimmels en zwammen worden gekweekt.

Westerdijk, schrijft haar biograaf Faasse, beschouwt ze als een soort dierentuin: alleen met permanente zorg en aandacht is een en ander te onderhouden. Dat lukt haar als geen ander. Bij haar vertrek als hoogleraar in 1952 telt de collectie, dan in Baarn, meer dan achtduizend soorten en geldt die als de beste referentieverzameling ter wereld. Het Centraal Bureau voor Schimmelcultures dat eruit voortkomt, bestaat nog steeds, tegenwoordig als het Westerdijk Fungal Biodiversity Institute Utrecht.

Dezelfde Frits Went speelt een cruciale rol bij de benoeming van Johanna Westerdijk tot hoogleraar aan de universiteit in Utrecht in 1917. Ironisch genoeg speelt haar persoon daar opnieuw eigenlijk geen rol. De Universiteit in Utrecht is verwikkeld in een bittere strijd met de hogeschool in Wageningen over de vestiging van het hoger landbouwonderwijs in Nederland. Daartoe moesten er snel leerstoelen in de genetica en de plantenziektekunde komen.

In 1910 al vraagt Went aan Westerdijk of ze daarvoor belangstelling zou hebben. Ze is verbaasd, maar wil wel, alleen vertrekt ze tot december 1914 voor een lange reis naar Nederlands-Indië. De aanstelling zal buitengewoon zijn, en niet meer dan 200 gulden per jaar kosten, verzekert de universiteit de minister van Onderwijs.

Hoogleraar M/V

Het aantal vrouwelijke hoogleraren in Nederland geldt nog steeds als een van de laagste ter wereld. Momenteel is iets meer dan 18 procent van de professoren vrouw. Dat is beduidend minder dan het aandeel vrouwelijke docenten, promovendi en studenten. Volgens het landelijke netwerk vrouwelijke hoogleraren is er sprake van systematische achterstelling. Volgens anderen heeft het ook te maken met de uitstekende Nederlandse regelingen voor deeltijdwerk, die een hoogleraarschap in de weg kunnen zitten. In het kader van het Johanna Westerdijk-jaar wil het ministerie van Onderwijs in 2017 honderd vrouwelijke docenten extra tot hoogleraar benoemen.

Oratie

Als Westerdijk uit Indië terugkeert, is de benoeming nog steeds niet geregeld en de wereldoorlog maakt het er ook niet makkelijker op. Eind april 1916 kondigt het ministerie aan de nieuwe leerstoel voor 1917 op de begroting te zetten. Op 3 januari 1917 volgt het Koninklijk Besluit, dat op 8 januari in de Staatscourant staat. De dag erna hebben de kranten de primeur in de gaten: de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland. Maar, noteert de Nieuwe Courant geruststellend, Westerdijk is 'geen gejaagde, zenuwzieke gecompliceerde vrouw'. Eerder is ze 'jong en sympathiek. Natuurlijk, eenvoudig, gezond, rustig, evenwichtig.' Aantrekkelijk en met fijne humor, vindt een andere krant.

Op zaterdag 10 februari 1917 houdt Westerdijk haar oratie in de aula van de Rijksuniversiteit Utrecht. 'Het is die dag steenkoud, maar vanaf de deur van de aula tot in de ingang van de Kloostergang staan mensen ervoor in de rij. De aula was zelden zo vol geweest', meldt het Utrechtsch Dagblad. In de jaren erna verkeert Westerdijk graag met haar medehoogleraren in het academiegebouw. De mythe wil met sigaar, maar Faasse vond daarvoor geen bewijs. Evenmin voor het verhaal dat ze daar met 'dag kerel' werd begroet.

Het jaar na haar oratie al begint de Universiteit van Amsterdam ook pogingen om haar als opvolger van Hugo de Vries te benoemen. Westerdijk wil er niets van weten en de kwestie verzandt in politiek gekonkel. Zelf is ze vooral het drukke en luidruchtige Amsterdam steeds meer zat en grijpt ze in 1920 de kans om haar krappe en muffe Phytopathologisch lab te verhuizen naar een reusachtige villa in Baarn. De ontdekking daar van een schimmel die iepen ziek maakt, in 1921, wordt wereldnieuws. Dutch elm disease heet de ziekte nog altijd.

In haar Villa Java zal juffrouw Westerdijk in de loop der jaren voor de Baarnaars legendarische trekken krijgen. Overdag wordt er hard gewerkt, zien ze door de grote ramen, door tientallen veelal vrouwelijke laboranten en studenten, geconcentreerd over petrischaaltjes gebogen. Maar 's avonds en in de weekends viert de forse professor met haar tentjurk, zwart haar in wrong en dikke bril er het leven, als onmiskenbaar middelpunt van de festiviteiten met studenten, vrienden en medewerkers. Behalve proefschriften van haar 56 promovendi, zitten er ook stapels vrolijke feestdichten in de archieven.

Haar grootste prestatie, zegt Faasse, is dat ze zich niets heeft aangetrokken van haar unieke positie als eerste vrouw in een mannenwereld. 'Maar ook van het feit dat ze een rolmodel werd voor vrouwelijke studenten. Haar sekse was voor haar van geen enkel belang. Dat beeld heeft ze met verve neergezet.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden