Eerherstel voor het grote verhaal

ER ZIJN waarschijnlijk nooit nationale geschiedenissen geschreven zonder ideologische of levensbeschouwelijke bijbedoelingen, of ze nou bewust of onbewust waren aangebracht....

In de Europese bloeitijd van het genre - de latere negentiende, de vroege twintigste eeuw - waren nationalistische sentimenten de voornaamste inspiratiebron: Hanotaux in Frankrijk, Ranke en Treitschke in Pruisen, Macaulay en later Trevelyan in Engeland, Pirenne in België, Blok bij ons. Hun boeken waren in zekere zin de Iliassen van de nationale staat.

Soms speelden minderheidsopvattingen een rol, zoals in het geval van Rogier die de geschiedenis van de achtergestelde Nederlandse katholieken als het ware hielp 'emanciperen', of van Annie en Jan Romein, die het verleden van de Lage Landen naar marxistische maatstaven herinterpreteerden.

Maar altijd lag aan zulke samenvattende geschiedenissen de behoefte ten grondslag om een doorlopend, episch verhaal te schrijven - met dikwijls een onachterhaalbaar, half mythisch begin, met een open einde, maar met onderweg een meer of minder dramatische opeenvolging van voorspoed en tegenslag, opkomst en neergang, crisis en herstel, ontreddering en catharsis: zeg maar gerust als in de klassieke roman. Bij al hun wetenschappelijke consciëntie voelden de grote nationale historici zich ook in de eerste plaats vertellers, die zich onder auspiciën van de muze Kleio tot een zo breed mogelijk publiek richtten. Of zoals Trevelyan over zichzelf schreef: 'een letterkundige vermomd als geleerde'.

Voorbije illusie?

Het lijkt er op.

Met de grote ideologieën zijn ook de grote verhalen uitgestorven. De nationale staat is in een kwade reuk geraakt, en als bewonderenswaardig 'kunstwerk' helemaal taboe geworden. De geschiedbeoefening is vergruisd tot hypergespecialiseerd onderzoek, en in onderwijs en dagelijks leven zie je de belangstelling voor het verleden steeds verder inkrimpen tot wetenswaardigheden over gisteren en eergisteren; wat zich langer geleden heeft afgespeeld maakt deel uit van één grote, mistige terra incognita.

Als Engelse supermarktmeisjes £ 10.66 als eindbedrag op hun kasregister zien verschijnen, schijnen ze tegen hun klant te zeggen: 'There we go - the Battle of Waterloo', wat nog een hele troost lijkt voor Nederlandse historici die hun Kamerleden horen verzekeren dat Willem de Zwijger in 1600 bij Dokkum werd vermoord, of die van schoolkinderen moeten geloven dat koningin Wilhelmina tijdens de Tweede Wereldoorlog een schuilplaats in Oostenrijk had gevonden.

De vraag is altijd of we zulke onwetendheid 'erg' moeten vinden.

Waarschijnlijk niet. Waarschijnlijk kun je heel redelijk politiek bedrijven zonder te weten dat Dokkum bij Bonifacius hoort, zoals je niet hoeft te weten dat 1066 het jaar was van de Slag bij Hastings om in Londen toch een heel secure en gewaardeerde caissière te zijn.

Maar, zegt de Engelse historicus Norman Davies (die tussen neus en lippen het verhaal van de £ 10.66 vermeldt): 'Een samenleving die zich niet bewust is van haar geschiedenis, is als iemand die aan amnesia lijdt.'

Niet opzienbarend misschien - hoeveel historici van voor en na Huizinga hebben het ons al niet bezworen? - maar onherroepelijk waar. De kennis van tien of twintig jaartallen meer of minder doet daarbij niet ter zake. Wel een elementair besef van wat je naar literair spraakgebruik het handelingsverloop van de geschiedenis zou kunnen noemen. En dat besef verwerf je pas als je het 'verhaal' kent.

Bijna tegen de traditie van de laatste vijftig jaar in heeft Norman Davies zich gewaagd aan het verhaal van zijn samenleving, en dat is een complexe, en uit zeker vier subverhalen samengestelde geschiedenis. Het is het in nevelen gehulde verhaal van de prehistorische oerbewoners van de Engelse eilanden. Het verhaal van de Kelten, de Angelen, de Saksen en de overige Germaanse stammen die vóór en na de Romeinse invasie van het continent over de Noordzee moeten zijn getrokken. Het verhaal van de Vikingen, de Denen, de 'Noorsen' en de Normandiërs die via de dynastie van de Plantagenets de basis zouden leggen voor wat we later de 'Engelsen' en nog later 'de Britten' zouden noemen. Het verhaal van de clans, de baronnen, de Shakespeariaanse vorsten en hun bloedige (burger)oorlogen. Het verhaal van een Verenigd Imperium dat ten slotte van Vuurland tot Brunei en van Nova Scotia tot Zululand meer dan tweehonderd koloniën over de aardbol heeft gevestigd. En steeds parallel daarmee het verhaal van de Ieren, de Schotten en de Welshmen. Samen het verhaal van Davies' voorouders, en van de bevolkingsgroepen die als eilandbewoners het lot van die voorouders hebben gedeeld.

Meer dan twaalfhonderd bladzijden geschiedenis onder de zorgvuldig gekozen en verantwoorde titel The Isles: het woongebied van ten minste vier, onderling zeer verschillende etnische conglomeraties.

Het is typerend voor de schrijver dat hij meteen al in z'n inleiding hartstochtelijk in polemiek gaat met de meesten van zijn grote voorgangers (en met de gevestigde historische instituties in het Verenigd Koninkrijk) over hun slordige nomenclatuur. Er waren geen 'Engelsen' in de prehistorie - die waren er nog niet eens in de Romeinse tijd en in de eeuwen van de Vikingen; zoals er ook pas 'Britten' waren vanaf het moment in 1707 dat de koninkrijken van Engeland, Schotland en Ierland werden verenigd onder één 'Union Jack', en er dus minder 'Britten' waren zodra de leren zich in 1922 van die statenbond hadden afgescheiden.

Het lijkt op schoolmeesterij, maar het dient een doel, en zelfs een dubbel doel: de helderheid, én het afscheid van een 'imperialistische' wijze van geschiedschrijving waarbij de dominante bevolkingsgroep op de eilanden - en dat waren eeuwenlang de Angelsaksische Engelsen - het verleden van hun buren ten eigen gerieve inlijfde.

Het fenomeen zie je zich tot op deze dag nog altijd voltrekken in jonge staten, op de Balkan of in Oost-Europa, en met name in gedekoloniseerde Aziatische en Afrikaanse landen waar een eigen historische traditie bij wijze van spreken met man en macht moet worden 'uitgevonden'. Maar het deed zich - nogmaals: bewust of onbewust - op soortgelijke wijze voor in de geschiedschrijving van het nationalistische hoogtij in Europa, waar ook specifieke deugden en heroïsche verworvenheden terwille van de eigen nationale glorie werden geannexeerd.

Als Davies zegt te 'beven' bij de gedachte dat hij in de voetsporen treedt 'van al die historische reuzen die, van Hume tot Trevelyan, eerder dezelfde weg hebben bewandeld', weet hij natuurlijk dat er een aanmerkelijk verschil bestaat tussen hem en de vorigen: hij is de ideologie voorbij, hij gaat gebukt onder de last van geen enkel sociaal-maatschappelijk, religieus of geschiedtheoretisch 'systeem', hij kan het grote verhaal alsnog reinigen van alle bijbedoelingen.

En dat is precies wat hij doet: frank en vrij, met een haast ongeloofwaardige belezenheid, en in voortdurend kritisch wantrouwen jegens de (literatuur)bronnen die hij gebruikt. Wat zijn boek des te meeslepender maakt is de manier waarop hij z'n lezers consequent en op een methodologisch hoogst aangename manier van die argwaan deelgenoot maakt.

De tien hoofdstukken van The Isles bestaan telkens uit drie delen. In het eerste wordt een incident geschetst, een 'snapshot' zoals bij het zelf noemt, dat soms bijna als een metafoor kan dienen voor de periode die wordt aangesneden. Deel twee behandelt die periode naar de beste beginselen van de verhalende geschiedenis, en steeds met een perfecte balans van (soms anekdotische) details en 'grote lijn'. En het derde deel is gereserveerd voor een historiografische nabeschouwing, en vooral daar komen we dus de achterdocht tegen, maar nooit grimmig, altijd met een vriendelijk soort empathie voor de accentueringen, de veronderstellingen en de dwalingen waarmee de 'historische reuzen' het spoor in hun verhaal soms een beetje bijster raakten. Voor de duidelijkheid en het lezersgemak is voor elk der delen bovendien een afzonderlijk lettertype gekozen.

Sinds het woord in het broddellappenjargon van de paarse politiek steeds vaker wordt misbruikt (en je het niet uit de mond van Melkert, Dittrich of Van Aartsen kunt horen komen, of je krijgt onmiddellijk een troebel waas voor je ogen), durf je het haast niet meer op te schrijven - maar op Davies mag het in z'n oude, ongeschonden staat van toepassing worden verklaard: zijn boek is in structuur, in stijl, in vertelwijze en in 'leerzaamheid' een modelvoorbeeld van transparantie.

Dat hij prachtig schrijft is in het bovenstaande begrepen - ik ben weinig zinnen tegengekomen waarvan ik het idee had dat ik ze nog eens terug moest lezen, je wilt trouwens het liefst altijd vooruit, zoals altijd bij geboren vertellers. Z'n talrijke laconieke terzijdes doen denken aan A.J.P. Taylor (wiens leerling hij was in Oxford), net als trouwens sommige van z'n sweeping statements, al vertoont hij minder dan z'n oude leermeester de neiging om er verliefd op te worden en er op door te draven.

Z'n culturele horizon is breder dan z'n sociaal-economische - dat zullen de specialisten op het terrein van de economische geschiedenis hem vermoedelijk ook inpeperen: de rijkdom aan bijzonderheden waarmee hij politieke en maatschappelijke ontwikkelingen verlucht, blijft aan de karige kant als hij bijvoorbeeld toe is aan de 'verklaring' van de zo uniek-Britse industriële revolutie.

Maar onuitputtelijk is zijn kennis van en plezier in de voor de eilandengeschiedenis zo illustratieve en verhelderende literaire geschiedenis. Zijn citaten reiken van de druïdenmythologie en oude Keltische (en Ierse) poëzie, via Thomas More, Shakespeare, Milton, Locke, Walter Scott, Dickens en Orwell tot aan Tolkien, en staan zonder uitzondering in dienst van het geheel, zoals ook zijn cultuurhistorische uitweidingen over golf, cricket, lawntennis en voetbal in functie blijven van het ineens in alle eer herstelde geschiedverhaal.

Twaalfhonderd bladzijden, inclusief meer dan zestig informatieve bijlagen met de stambomen van de grote dynastieën, glasheldere kaarten en de teksten uit de copieuze Engelse, Schotse en lerse zangcultuur.

Niet voor een achternamiddag. Godzijdank niet voor één achternamiddag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden