Een wereldburger uit Kumasi

Wees kosmopoliet, is de raad van de filosoof Kwame Anthony Appiah, in deze tijd van etnische en religieuze conflicten..

Voor het echte wereldburgergevoel moet je afreizen naar Kumasi, de tweede stad van Ghana, het centrum van het oude rijk der Ashanti, de geboortegrond van Kwame Anthony Appiah. In Kumasi ziet de filosoof Appiah zijn idealen als kosmopoliet in het leven van alledag: in die smeltkroes leven burgers van uiteenlopende volken en culturen door elkaar en met elkaar. Appiah zelf woont echter in New York en hij is een toonaangevende intellectueel in de Verenigde Staten.

Zijn ruime appartement in Manhattan is klassiek ingericht, met meubels in de Engelse stijl van zijn familie van moederskant. Details in het interieur, Afrikaanse kunst, tonen een glimp van zijn vaders familie, hoge adel uit Ashanti. Appiah is kosmopoliet van geboorte.

In zijn boeken over filosofie vertelt hij graag en veel over zijn jeugd in Kumasi, over de traditie en de modernisering van zijn Ghanese familie – als voorbeelden van de grote veranderingen in de wereld. In My Father’s House is de titel van het boek waarmee hij in 1992 internationaal doorbrak. Maar ook in het onlangs verschenen Cosmopolitanism vertelt hij tussen neus en lippen door weer prachtige verhalen over zijn geboortegrond.

En toch vertrok hij al na de basisschool naar Groot-Brittannië, voor een opleiding op een Engelse kostschool. En is hij nu op en top Amerikaan, hoogleraar aan de Princeton universiteit, zo’n typische intellectueel in het bruisende New York, Broadway om de hoek, theaters en jazzclubs op loopafstand, de kunstzinnige en studentikoze sfeer van Greenwich Village vlakbij. Als er een stad is die zich qua multiculti kan meten met Kumasi, is het wel New York.

‘Ja, maar het is niet erg verrassend om New York als voorbeeld te nemen’, zegt Appiah. Kumasi wel, want ‘maar al te vaak wordt kosmopolitisme voorgesteld als iets westers. Iets van de westerse elite, terwijl je het juist overal in het dagelijks leven zoveel vindt.’

Zo ver weg en exotisch is Ashanti niet, zegt Appiah. Laatst was hij op een graduation day van een Amerikaanse universiteit. Hij zag er studentes lopen met een reep van de kleurrijke Kente-stof, de trots van Ghana, over de schouder. ‘Voor hen was het gewoon om er mooi uit te zien, maar bij ons was Kente alleen voor de hogere adel. Nu wordt de stof geëxporteerd over de hele wereld. Zo wordt traditie voortdurend herschapen.’ Kente wordt gemaakt van zijde, een geïmporteerde stof, al eeuwen, zo kosmopolitisch is de traditie, wil Appiah maar zeggen.

Appiah beschrijft de samenleving in Kumasi lyrisch. Van heinde en verre trekken mensen uit West-Afrika naar de stad. De markt geldt als de grootste van de regio. Je hoort er allerlei talen – al is de voertaal het Twi, de taal van de Ashanti. Nieuwkomers en oude inwoners zijn nieuwsgierig naar elkaar, zegt hij, nemen dingen van elkaar over. Nieuwsgierigheid vindt hij een kernbegrip voor een ware kosmopoliet, net als onbevangenheid, tolerantie voor diversiteit en bereidheid te twijfelen aan eigen normen en waarden.

Kumasi als paradijs voor de kosmopoliet? De argeloze bezoeker ziet wat anders: die markt is beroemd, maar smerig, er lopen veel armzalige bedelaars rond; de armoede is groot, vooral onder de nieuwkomers, die geen Ashanti zijn; het verschil met de rijke elite, wel Ashanti, is enorm, en dat zie je in de vorm van villa’s en krotten; er komt nog huisslavernij voor. Dat is de andere kant, erkent Appiah, ‘al is er ook slavernij in New York’, denk aan prostitutie. In Kumasi moet je contacten in de juiste kringen hebben, dat is frustrerend. ‘Ik zou niet graag een zaak in Kumasi beginnen.’

Hij liep zelf hard tegen de traditie op bij de begrafenis van zijn vader – een schrijnende episode die hij beschreef in In My Fathers House. Zijn vader behoorde, krachtens de matrilineaire traditie, tot de familie van moeders kant. Kwame Appiah kende die ooms, tantes, neven en nichten nauwelijks, maar ze eisten de regie van de begrafenis. Appiahs vader was echter meer: opperrechter, politicus (als oppositieleider in de gevangenis gezeten, later minister geweest) en methodistisch christen. Hij wilde een moderne begrafenis, en zoon Kwame moest daarvoor zelfs de koning (de asantehene, tevens zijn oom) trotseren. Dat hij een Engelse moeder had, maakte dat niet gemakkelijker. Het heeft nog twaalf jaar geduurd, vertelt Appiah, voordat de gehele nalatenschap was geregeld.

Maar hij en zijn zussen hebben uiteindelijk grotendeels hun zin gekregen. De kosmopolitische kant van de gemeenschap bleek sterker, daar gaat het hem om.

Kijk naar de huidige asantehene, Osei Tutu II, geen familie van Appiah. Een moderne man, met een hoge opleiding, over de halve wereld gereisd, jaren in Londen gewoond, en dan plotseling teruggeroepen naar Kumasi om met de gouden regalia omhangen te worden. Veel festiviteiten zijn geweldig om mee te maken, maar toch vooral folklore, ‘recreatieve traditie’ noemt Appiah dat. Op het oog is de asantehene een relikwie, maar in zijn doen en laten zeker niet, zegt Appiah. Hij liet oude gebruiken afschaffen door de raad van oudsten; hij zette maatschappelijke organisaties op; hij gaf het onderwijs een impuls en was de eerste die de strijd aanbond tegen aids, ‘heel honorabel, bij ons vinden ze het niet gepast om over zulke zaken te spreken’.

Appiahs Engelse moeder is altijd in Kumasi blijven wonen, tot haar overlijden, begin dit jaar. Zijn moeder is een voorbeeld van iemand die over de culturele grenzen is heengestapt, maar zoveel als Appiah over zijn vader schreef, zo weinig over zijn moeder en zijn Engelse familie. Wordt het geen tijd voor het boek In My Mother’s House?

Appiah knikt: ‘In zekere zin is Cosmopolitanism In My Mother’s House. Ik wilde niet over mijn moeder schrijven zolang ze leefde. Mijn Engelse familie is heel stevig middle class, goed christelijk.’ Maar ook in die tak ziet hij de kosmopolitische elementen, zoals je die volgens hem overal in elke familie, waar ter wereld ook, zult zien, als je maar zoekt. Hij gaat de generatie voor hem na: de een trouwde een man uit de arbeidersklasse, een ander met een jood, iemand emigreerde naar Thailand, diens dochter woont nu in India.

Cosmopolitanism is een verhandeling over de discussie onder vooral westerse filosofen, van de uitvinder van het begrip, Diogenes, tot heden. In My Father’s House ging over Afrikaanse denkers, schrijvers, concepten. Veel van wat doorgaat voor eeuwenoude tradities en identiteiten is vrij recent verzonnen en in elkaar geknutseld, stelde hij vast. Heeft hij zijn ideeën bijgesteld? Appiah denkt lang na: ‘Ik denk dat ik de kracht van identiteit meer accepteer dan vroeger.’ Al kun je elke identiteit relativeren, dat neemt niet weg dat ‘mensen hun identiteit heel serieus nemen. ‘Maar ik blijf ervan overtuigd dat morele waarden pas werkelijk tellen op het niveau van het individu: wat mensen eraan hebben.’

‘Ik ga me zorgen maken als identiteiten imperialistisch worden: mijn identiteit is superieur, dominant en dominerend. Alle andere zijn ondergeschikt.’

Dat waren ideeën die het begin jaren negentig nog goed deden, maar inmiddels in onbruik zijn geraakt. Etniciteit heeft een come-back gemaakt, met vreselijke gevolgen. Religie is sinds 11 september 2001 weer een conflictueus thema. Appiah: ‘Het gaat om de context: als de economie in elkaar stort, krijgt etniciteit opeens een heel andere lading. De identiteit van burger biedt opeens geen zekerheid meer. Dat is gebeurd in Joegoslavië. In Rwanda was het de combinatie met het conflict over de schaarse grond.

‘Wat ik gevaarlijk vind is de combinatie van identiteit en beroerde politiek.’ Een kosmopoliet zou zich daartoe niet laten verleiden, meent hij. Het gevoel wereldburger te zijn, het vermogen open te staan voor andere visies, zonder je eigen waarden te verloochenen, is het medicijn tegen onbuigzaamheid en zinloze confrontatie.

Het valt niet moeilijk te raden welke kritiek hij heeft gekregen: van gevaarlijke luchtfietserij tot sympathiek maar naïef. Of zoals de Britse filosoof John Gray schreef: ‘Gemakkelijker gezegd dan gedaan’.

Appiah: ‘Het is waar: op de momenten dat kosmopolitisme het hardst nodig is, lijkt het juist te verdwijnen. Het is moeilijk om aan het ideaal vast te houden als je leven in elkaar stort. Kosmopolieten, onder wie de dappere Susan Sontag, probeerden vergeefs Sarajevo te redden. Maar kijk nu: het kosmopolitische bestaan is toch terug in Sarajevo.’

Wees kosmopoliet, lijkt een wijze raad voor de kleine intellectuele elite, voor allerlei subculturen, zoals muziekliefhebbers. Is er geen politieke beweging nodig als je, zoals Appiah, een tegenwicht wilt bieden aan zowel religieus of etnisch geweld als de arrogantie van de westerse machten?

‘Kijk, ik ben een filosoof, een politiek programma is niet mijn vak. Ik doe een beroep op het gevoel van menselijkheid, al is dat in wezen geen identiteit. We moeten al die subidentiteiten mobiliseren en samenbrengen.’ En hij noemt een reeks voorbeelden: protestanten die christenen in Sudan helpen; katholieken die noodhulp geven, al die clubs in de VS die aan liefdadigheid doen. Je kunt bedenkingen hebben bij veel van hun uitgangspunten, maar wat telt is dat gezamenlijke, kosmopolitische ideaal: je medeverantwoordelijk voelen voor de medemens, waar ook ter wereld.

Cosmopolitanism eindigt ook met een pleidooi voor ontwikkelingshulp. Het bevreemdt een beetje, want wat voor rol hebben de armen in de Derde Wereld dan in het kosmopolitisme? Appiah: ‘Je kunt je natuurlijk pas belangstelling voor de wijde wereld veroorloven als je je niet al te veel zorgen hoeft te maken of je je kinderen wel te eten kan geven vandaag. De bestrijding van de armoede is daarom het allerbelangrijkste voor een stabielere en vreedzamer wereld. Hoe dat moet? Ik zou er al mijn middelen voor over hebben, maar ik heb geen idee.’

Appiah heeft zeker een identiteit met een verspreiding en een subcultuur vol onderlinge solidariteit over de hele aardbol: hij is homoseksueel. Hij verhult het niet, maar het speelt in zijn boeken nauwelijks een rol, homoseksualiteit komt er alleen in zijn algemeenheid in voor.

‘Ik ben al twintig jaar met mijn partner. De homobeweging heeft veel voor ons gedaan, maar dat activisme ligt mij persoonlijk niet. De homowijk van New York ligt hier vlak achter, maar we komen er niet vaak. Het is geen identiteit die ik sterk voel. Misschien zou het anders zijn als ik in een stad zou wonen met veel moslimjongeren die homo’s in elkaar willen slaan. Dat is een goede toetssteen voor de grenzen aan de tolerantie. ‘‘Als je het leuk vindt homo’s in elkaar te slaan, laten we je niet toe. Maar we staan wel toe dat je voor je mening dat homoseksualiteit fout is, uitkomt.’’

‘Maar acceptatie is een kwestie van tijd. Kijk eens hoe snel het in het Westen is gegaan met de emancipatie van homo’s. En hoe? Door het niet te verbergen, er gewoon voor uit te komen, er over te praten, dan raken tegenstanders eraan gewend.’

Zo ver is het nog niet in Kumasi. Zijn vader wist ‘het’, maar ze spraken er maar niet over. De familie zal het wel weten, maar daar heerst al helemaal een taboe. Het zou een grote belemmering voor hem zijn om weer in Kumasi te gaan wonen. ‘Homoseksualiteit is verboden in Ghana. Ik zag dat sommige hotels tegenwoordig niet meer toestaan dat twee mannen op één kamer slapen.’ Daarin is New York toch kosmopolitischer dan Kumasi.

Wim Bossema

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden