Een ‘uitzonderlijke vondst’ in Tiel: een graf vol prehistorische mensen, met opgetrokken knieën

Tot de dood ons bindt

Gevonden bij Tiel: een graf vol prehistorische mensen, uit de tijd van de vroegste boeren. Een uniek inkijkje in een geheimzinnige wereld waarin mensen voor het eerst zoiets als gemeenschapszin begonnen te voelen, oordelen experts.

Maarssen- Neolitisch Familegraf bij Archeocare in Maarssen. Beeld raymond rutting

Het ongeoefende oog moet eraan wennen. Wat zien we hier in hemelsnaam? Een soort zandbak. Vol stenige, langwerpige… zijn het nou bótten?

Fysisch patholoog Steffen Baetsen hurkt en wijst voorzichtig met een saté­stokje naar een van de geelwitte resten. Hier, moet je zien. Twee rijtjes op elkaar geklemde kiezen. Het kan niet missen, ­ménsenkiezen. Of daar, in de hoek, die opvallende ronde plak. Een menselijke schedel, door de eeuwen heen platgedrukt door de lagen zure Betuwse klei waaronder archeologen het bottenpakket begin vorig jaar ontdekten.

‘Omdat het Tiel is, werd er al wat verwacht’, vertelt projectleider en stadsarcheoloog Ilse Schuuring. ‘Vanouds zijn er mensen afgekomen op de vruchtbare grond in deze streek, en op de rivieren.’ Bovendien is de zuurstofarme kleibodem er zeer geschikt voor conservering. ‘We hebben hier in de Betuwe de ideale koelkast voor archeologie’, zegt Schuuring.

Een koelkast, die ook nu er aan de noordkant van Tiel een bedrijventerrein wordt uitgebreid, bepaald niet teleurstelt. Twee Romeinse grafvelden, een Jupiterbeeld, talloze middeleeuwse vondsten en twee grafheuvels uit de bronstijd kwamen er al uit de bodem, somt Schuuring op. ‘En toen hadden we ook nog de steentijd’, wijst ze op de zandbak met botten. ‘Allemaal voor de prijs van één.’

Niet minder dan 208 kiezen en tanden heeft Baetsen in totaal teruggevonden. Onbewogen: ‘Dan weet je dat het waarschijnlijk gaat om meer dan één individu.’ Tussen de gebitselementen ook melktanden en -kiezen, en gebitsdelen van pubers. Een teken dat er in dit graf allerlei leeftijden door elkaar liggen. Minimaal acht individuen, telt hij. Maar het er kunnen ook best vijf  tot zeven méér zijn.

Een massagraf na een ramp of slachtpartij misschien? Dat lijkt onwaarschijnlijk. Snij-, hak- of andere sporen van geweld vond Baetsen niet. En, gek om te zeggen van zo’n janboel maar waar, de botten liggen te netjes geordend. Baetsen wijst met zijn stokje op twee botten die met elkaar in een V-vorm liggen. En daar, nog zo’n V-vorm. En hier, en hier – als je goed zoekt zie je de vorm op meer plaatsen. ‘Daaraan kun je zien dat deze mensen zijn begraven met opgetrokken benen en armen. In foetushouding’, vertelt hij.

Dat is opvallend en verklaart waarom stadsarcheoloog Schuuring spreekt van een ‘uitzonderlijke vondst’ en waarom het Rijksmuseum van Oudheden de bottenbak vanaf dinsdag vol trots en fraai uitgelicht in een vitrine toont aan het publiek. Want tot ongeveer 4000 voor Christus begroef men in Holland zijn doden languit, en in de regel alleen. En nu, zo’n 3650 voor Christus, is dat opeens helemaal anders.

Er is hier een bliksem ingeslagen, een vonk overgesprongen, een kwartje gevallen. Welke geheimzinnige kracht heeft deze mensen ertoe aangezet om hun intiemste gebruiken plotseling zo volledig om te gooien?

Lang voordat er oranje leeuwen waren, en hup Holland hup, en de w van Willem – láng voor dat alles was er dit: een dorpje in de Betuwe, ingeklemd tussen de rivieren, zo’n 3650 jaar vóór Christus.

De mensen hadden er simpele, lemen boerderijen opgetrokken op de koude klei, en daartussen scharrelden honden en kinderen. Hier en daar stonden plukjes prehistorische koeien, geiten, schapen en misschien varkens; verderop waren stukjes land waarop men gerst verbouwde.

Maar dat was niet alles. In en aan de hutten zullen huiden, geweien en gedroogde vissen hebben gehangen, en hier en daar zul je manden hebben gezien met wortels en vruchten die men verzamelde in het bos. ‘Het zijn hier boeren-plus’, schetst Luc Amkreutz van het Rijksmuseum van Oudheden. ‘Geen boeren, maar boerenvissersjagersverzamelaars’, zegt steentijdexpert Theo ten Anscher van archeologisch adviesbureau RAAP, een van de bedrijven dat aan de opgraving deelneemt. ‘Vroeger dachten we: boer worden ging snel. Maar nu denken we daar totaal anders over.’

Een wonderlijk niemandsland in de tijd. Sinds de eerste landbouwers vanuit het zuiden waren opgerukt, klotsen in ons land vele eeuwen lang de golven van de oprukkende landbouw aan tegen de meer traditionele leefwijze van de jager-verzamelaars uit het noorden. En uit die branding tussen de culturen raapten de mensen op wat hun het beste uitkwam: jacht op herten en zwijnen, visvangst, maar af en toe ook een gebruik dat aanspoelde uit de wereld van de boeren. Gingen die jager-verzamelaars opeens granen telen, om prehistorische pannenkoek te bakken. Of haalden ze wat oerkoeien in huis.

Niet verwonderlijk dat deze ‘Swifterbant’- of ‘Hazendonk’-cultuur (de verschillen zijn voor fijnproevers) bij menig steentijdarcheoloog de ogen doet twinkelen. ‘Hier zit spanning in’, zegt Ten Anscher. ‘Je zit hier precies op dat breukvlak tussen de kolonisten in het zuiden en de jager-verzamelaars in het noorden.’

Er moet ook zoiets zijn geweest als ruilhandel, vermoeden kenners. Want in en rond de dorpjes van de plusboeren vinden archeologen geregeld voorwerpen die daar eigenlijk niet horen. Vuursteen uit verre streken. Modieuze aardewerken potten uit het zuiden. Boerenwerktuigen. ‘Of denk aan het vee. Dat moet ook ergens vandaan komen’, zegt Ten Anscher. Je kunt dan denken aan diefstal of rooftochten, maar Ten Anscher gokt op een vreedzamer omgang: ‘Als jager-verzamelaar heb je wat te bieden hè? Pelzen. Honing. Of mensen – meiden! Je krijgt er leuke spullen voor terug, dus hup naar de boeren ermee, maak ze gek!’

En dan, midden in die kolkende branding van om elkaar heen dansende en op elkaar inwerkende werelden, vind je opeens dit: een graf vol doden, met de knieën opgetrokken zoals de boeren dat deden. ‘Een mode overgewaaid uit het zuiden’, constateert Ten Anscher, wijzend op de botten. ‘Deze mensen hadden de economische stap al gezet. En nu nemen ze ook de sociale en culturele stap’, duidt Amkreutz.

Vooral het bij elkaar begraven doet de ar­cheologenharten sneller kloppen. Want alles duidt op een groeps- of familiegraf, een prehistorische tombe die nu en dan opnieuw werd geopend om iemand bij te zetten. ‘Dat drukt gemeenschapszin uit. We horen bij elkaar’, zegt Ten Anscher.

Een peilloos diepzinnige verandering is dat, vertelt Amkreutz. ‘Voorheen begroef men de doden los van elkaar. Zo legde men de verbinding met de natuur. Hier zie je voor het eerst dat mensen die verbintenis met elkaar zoeken, tot na de dood. Dat is een heel nieuwe manier van denken. Deze mensen hebben het collectieve omarmd.’

Niet vreemd dat er in de botten hier en daar putjes zitten: forensisch experts hebben de resten bemonsterd, in de hoop dat er nog beetjes dna zijn te vinden. Zulke stukjes erfelijk materiaal kunnen misschien licht werpen op de brandende vraag hoe de mensen die hier liggen zich tot elkaar verhielden: waren ze familie, een gezin misschien? Of zijn dit zomaar dorpelingen, buren tot in het graf?

En, een andere vraag voor de dna-vorsers, waar kwamen de doden vandaan? Zíjn dit wel boerenvissersjagerverzamelaars van het Swifterbantse type? Of zijn dit nieuwkomers uit het zuiden, drenkelingen uit de wereld van de landbouwers? Dat zou opmerkelijk zijn: boeren die de landbouw voor een deel opgeven en weer gaan jagen. ‘Ik acht het waarschijnlijker dat het afstammelingen zijn van Swifterbant’, zegt Ten Anscher. Maar, beseft hij ook, je weet maar nooit. ‘Misschien is wat ik hier sta te vertellen over twintig jaar wel helemaal achterhaald.’

De betovering die uitgaat van zo’n klont botten in de klei. In een loods bij Maarssen hebben medewerkers van restauratiebedrijf Archeocare de botten verstevigd met speciale lijm en ze heel voorzichtig, botje voor botje, overgebracht naar een bak met zwarte kunststofkorrels. In die vorm zijn ze vanaf deze week te zien bij het RMO in Leiden, ergens tussen de versteende wenkbrauw van de Hollandse neanderthaler ‘Krijn’ en het rituele bronzen zwaard van Ommerschans.

De dorpelingen hadden het niet mooier kunnen bedenken. Want al zijn hun lijven allang vergaan, de doden zijn door de millennia heen juist meer dan ooit met elkaar verstrengeld geraakt – en nu is hun band nog vereeuwigd ook.

Overal doden

Pal naast het groepsgraf vonden archeologen nog een curieuze begrafenis: een graf met daarin de resten van een ongeveer 7-jarig kind, plus de gebitsresten van een volwassene. Daarnaast trof het team nóg drie prehistorische graven aan, met één dode per graf, allemaal in de foetushouding begraven. Het groepsgraf van ‘Medel-Tiel’, zoals de vindplaats heet, is overigens niet het oudste groepsgraf: in de Noordoostpolder vond men al eens een enkele eeuwen ouder gezamenlijk graf, maar in veel slechtere staat.

Maarssen- Close Up van Neolitisch Familegraf bij Archeocare in Maarssen. Beeld raymond rutting
Maarssen- Close Up van Neolitisch Familegraf bij Archeocare in Maarssen. Beeld raymond rutting

TIJDLIJN (kan ook grafisch)

Hoe de landbouw Nederland veroverde

Ca. 5300 v Chr. Eerste landbouwers bereiken Zuid-Nederland

Ca. 4600 v Chr.Eerste sporen van veeteelt in Nederland

Ca. 4200 v Chr.Vroegste aanwijzingen voor graanteelt

Ca. 3900-3400 v Chr.‘Hazendonkgroep’, met gemengde leefstijl

Ca. 3650 v Chr.Groepsbegraving bij Tiel

Ca. 3450-3250 v Chr.Hunebedbouwers in Noord-Nederland

Ca. 3500-2500 v Chr.Gemengde leefstijl bij de ‘Vlaardingencultuur’

Ca. 2000 v Chr.Bronstijd breekt aan in Nederland, landbouw krijgt definitief de overhand

MEER ZIEN?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.