Interview

'Een oorlog als in Vietnam, maar zonder de beelden'

De propagandafilms van de Nederlandse overheid in Indië hebben een lange adem, zegt Gerda Jansen Hendriks. Groot bleef de onwetendheid van wat zich er heeft afgespeeld na de Tweede Wereldoorlog.

23 juli 1947: Nederlandse mariniers trekken Tangoel op Java binnen. Beeld Hugo Wilmar

Nederland slaagde erin de ellende van de oorlog in Indië van het witte doek te houden, constateert Gerda Jansen Hendriks in haar proefschrift Een voorbeeldige kolonie, een studie naar overheidsfilms tussen 1912 en 1962. 'In de propagandafilms, die tot op de dag van vandaag bijna gedachteloos steeds opnieuw worden gebruikt als het over Indonesië gaat, zul je nooit iets zien van de hevige guerrillaoorlog die er heeft gewoed. Iconische beelden, zoals we die kennen van de Vietnamoorlog, ontbreken. Wij moeten het doen met films waarin Indonesië een land is dat het niet redt zonder de hulp van Nederland en Nederlandse militairen.'

Het is propaganda met een lange adem, zegt Jansen Hendriks, in het dagelijks leven regisseur van het tv-programma Andere Tijden. In de Tweede Wereldoorlog bezondigden alle naties zich aan propaganda. Journalisten werkten embedded, dus onder de vlag van het bevriende leger. In Nederlands-Indië waren tijdens de oorlogsjaren onafhankelijke Nederlandstalige media verdwenen. De Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) nam daarna de nieuwsvoorziening via film, radio en kranten in eigen hand. De filmbeelden van de RVD werden gebruikt door het destijds zo belangrijke Polygoonjournaal.

In februari 1946 werd voor het eerst melding gemaakt van een optreden van Nederlandse troepen in Indië. In het Polygoonjournaal is dan een reportage te zien over net bevrijde krijgsgevangenen en juichende Indonesiërs die de Nederlandse militairen onthalen. De boodschap is duidelijk: onze helden hebben de Japanse bezetter overmeesterd. Feit is dat Japan zich al een half jaar eerder had overgegeven.

Jansen Hendriks: 'Het beeld strookte met het idee dat Nederlanders toen hadden. Ze wisten niet wat er gaande was in de voormalige kolonie. De Nederlanders daar hadden in kampen gezeten of ze waren uitgeweken naar elders. Ze hadden niet in de gaten dat ze sterk in aanzien waren gedaald. Dat gebeurde eigenlijk al meteen in het begin toen het trotse KNIL-leger op Java in acht dagen tijd door de Japanners onder de voet werd gelopen.'

Joris Ivens Beeld ANP

Was alles anders geweest als Joris Ivens was blijven filmen?

Wat zou er zijn gebeurd als Joris Ivens in 1945 geen ontslag had genomen als filmer van het bevrijde Indonesië? Stel dat hij er wel in was geslaagd educatieve films te maken voor de Indonesische jeugd, zoals zijn opdracht was? Zou alles dan anders zijn gelopen?

De cineast Ivens was een overtuigd communist. Het had hem verrast dat Nederland hem nog voor het einde van de Japanse bezetting aantrok om films te maken voor het nieuwe Indonesië. Nederlanders en Indonesiërs zouden in harmonie en gelijkheid aan hun toekomst werken, kreeg Ivens te horen. Dat nieuwe Indonesië diende hij te filmen. De cineast liet zich overtuigen en vervoegde zich bij het Nederlands-Indische bestuur dat in de oorlog was uitgeweken naar Australië. Hij richtte als Film Commissioner for the Netherlands East Indies een eigen filmdienst op, maar ondervond ferme tegenstand van ambtenaren die zich ook met film bezighielden.

Terwijl Nederlanders in het bevrijde Indonesië ontdekten dat ze minstens zo werden gehaat als de Japanners, stuitte Ivens in Australië op een havenstaking tegen schepen die goederen en manschappen naar Nederlands-Indië vervoerden. De stakers eisten dat Nederland de Republiek Indonesië zou erkennen. Dat leidde tot een boycot van Nederlandse schepen in Australië en elders, die tot het voorjaar van 1948 zou duren.

Ivens besloot de staking te filmen. Indonesia Calling ging in augustus 1946 in Sydney in première. Sydney was geportretteerd als een stad waar blank en bruin samen door de straten dansten. Zo had Ivens zich het nieuwe Indonesië voorgesteld. Nederland probeerde de première nog te verhinderen. Ivens had toen al ontslag genomen. Hij begreep ook wel dat zijn film niet strookte met de Nederlandse opvattingen. 'Er staat mij geen andere weg open', schreef hij zijn opdrachtgever.

Conflict

Ook het thuisland bleef onwetend. Indonesië was nooit de oorlog verklaard. Dat kon niet, vond Nederland, omdat het een binnenlands conflict betrof. Indonesië was immers geen vreemde mogendheid. De gesneuvelden werden niet gerepatrieerd, maar in Indonesië begraven om de solidariteit tussen kolonie en moederland te benadrukken. De begrafenissen werden evenmin gefilmd. Slechts één keer was er op film een met de Nederlandse vlag bedekte kist te zien.

De hoogste ambtenaar in Nederlands-Indië, luitenant-generaal Van Mook, bemoeide zich direct met de productie van overheidsfilms. Hij wilde vooral Amerika tonen dat Nederland geen conservatieve koloniale macht was, maar juist streefde naar een federale en gelijkwaardige staat. Filmers kregen te horen dat ze agressie dienden te vermijden.

Linggadjati in de branding is een film die tijdens de politionele acties is gemaakt. Na zeventien minuten begint in de film het Nederlandse offensief. Dertien minuten later, als de film is afgelopen, is er nog niets van een gevecht te bespeuren geweest. Wel oprukkende tanks en bewoners die met hun mandjes naar de markt gaan. De film mocht niet worden verspreid, te agressief, vond Van Mook.

Boekje open

Pas in 1968 doet Joop Hueting, destijds soldaat bij de Stoottroepen, als eerste een boekje open. Nederland schrikt wakker, maar beelden zijn nergens te vinden. 'Het was een guerrillaoorlog in de jungle, een oorlog zoals in Vietnam. Door gebrek aan beelden hebben we ons dat nooit kunnen voorstellen. Ik denk dat dat ook de reden is dat er steeds opnieuw hevige opwinding ontstaat als er wel foto's opduiken, echte oorlogsbeelden. Misschien heeft de legerdienst ergens wel filmpjes gemaakt, maar daarmee is dan hetzelfde gebeurd als met de Srebrenica-rolletjes, ze zijn verdwenen', zegt Jansen Hendriks.

'Toen vond de Nederlandse overheid dat haar propaganda was mislukt', zegt ze. 'Maar niemand had kunnen dromen dat het beeld van de Nederlandse soldaat als ambassadeur van goede werken zolang overeind zou blijven. Je ziet dat hetzelfde is gebeurd met de term politionele acties. Het was een propagandawoord, maar tot op de dag van vandaag spreken mensen over politionele acties en niet over oorlog. Het is echt een voorbeeld van propaganda op de lange termijn. Ze bedachten dat niet, maar zo heeft het wel uitgepakt.'

Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid vertoont via in.beeldengeluid.nl de meer dan honderd films die de overheid maakte in Nederlands-Indië tussen 1912 en 1962.

Gerda Jansen Hendriks. Beeld Raymond Rutting
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden