Een ontspannen blik op oorlogsgeweld

TIENTALLEN journalisten trekken door Kosovo op zoek naar beelden en verhalen van het leed, de bestialiteit, de ontheemding en de vernietiging....

Huub Wijfjes

'Je wordt er hard van. Niet keihard als iemand, die onbewogen door ruïnes en mijnenveld loopt, maar toch. Ik zie veel ellende en breng verslag uit. Dat is mijn werk. Een wenende verslaggever kan dit werk niet volhouden. Het zou hem kapot maken.' Het zijn niet de woorden van Gerri Eickhof of Margriet Brandsma in 1999. Verslaggever en persfotograaf Alfred van Sprang schreef ze kort voor zijn dood op 43-jarige leeftijd in 1960 in het protestantse geïllustreerde weekblad De Spiegel.

Fotohistoricus Louis Zweers suggereert in het boek, dat de begeleiding vormt bij een tentoonstelling over Van Sprangs werk in de Rotterdamse Kunsthal (die zaterdag wordt geopend), dat de dood van de verslaggever, thuis gevonden aan een strop, verband houdt met de emotionele stress van de oorlogsjournalistiek. Ondanks zijn stoere taal zou het toch allemaal te veel zijn geworden voor de al vijftien jaar langs brandhaarden zwervende Van Sprang.

De hardnekkig rondzingende verhalen over een uit de hand gelopen wurgseksexperiment verwijst Zweers dan ook naar het land der fabelen, hoewel zijn onderzoek in justitiële archieven geen nieuwe informatie heeft opgeleverd en de wurgseksverhalen in ieder geval gebaseerd zijn op getuigenissen van mensen die Van Sprang van nabij gekend hebben.

Zweers is minder geïnteresseerd in de persoon en de diepere drijfveren van de avontuurlijke vrijgezel Van Sprang, die geliefd was bij de vrouwen maar liever verkeerde tussen soldaten, als one of the boys zingend in een lekkend legertentje of hangend aan een parachute. Zijn biografische schets richt zich vooral op Van Sprangs activiteiten als reporter en fotograaf voor De Spiegel en de NCRV-radio tussen 1945 en 1960.

Veel van het materiaal dat Van Sprang produceerde, is verloren gegaan, maar Zweers is erin geslaagd een aardige selectie van zijn foto's bijeen te brengen zonder overigens een verantwoording voor die keuze af te leggen. Omdat hij ook geen poging heeft gewaagd al het ooit gepubliceerde materiaal te inventariseren, maakt hij niet duidelijk of de nu gepresenteerde selectie representatief is voor Van Sprangs stijl.

Ook doet hij geen uitspraken over de plaats van dit oeuvre in de Nederlandse (foto)journalistiek van de jaren vijftig. Dat is jammer, want Van Sprangs foto's geven ons een beeld van oorlog dat opmerkelijk anders is dan we nu gewend zijn.

Wat bovenal opvalt, is de rust. Bij Van Sprang ontbreekt de welhaast obscene voorkeur van veel hedendaagse persfotografen en cameralieden voor menselijk leed en emotie in de meest schrille vormen. Van Sprang fotografeerde soldaten op marsroute. Ook zitten ze ontspannen op tanks of langs de kant van de weg tijdens de wrede oorlogen in China, Vietnam en Birma. Officieren van het Franse koloniale leger verpozen op een terrasje in het Noord-Vietnamese Hanoi, terwijl de Vietminh op trucks Haiphong binnentrekt. Rustig, hooguit met een onderhuidse spanning voelbaar, houden mannen oorlogsberaad bij de Mau-Mau-opstand in Kenia. We zien - ontspannen lachend of starend uit een raam - nieuwe en oude machthebbers in gistend China, Iran, Korea en Jordanië.

Slechts hoogstzelden laat Van Sprang een lijk of ernstige oorlogsschade zien. Krijgsgevangenen of oorlogsinvaliden kijken ons netjes gekleed en gekamd, weldoorvoed en lachend aan. Zelfs de Vietnamese vluchtelingen die in 1954 het oorlogsgeweld rond Dien Bien Phu ontvluchtten, zitten rustig bij hun koffers te wachten totdat een transport hen verder zal voeren. Kinderen lachen of staren ons bedremmeld aan, zoals kinderen dat altijd doen.

Van Sprang had een goed ontwikkeld esthetisch en journalistiek gevoel, maar hij zocht blijkbaar niet naar het drama van bebloede of uitgemergelde mensen. Niks geen krijsende kinderen of hologige bejaarden en zieken. En ook geen verbrande huizen in desolate landschappen. Ook de wanhopige blik van gedemoraliseerde soldaten of de gruwelijke details van mismaakte doden ontbreken. En dat terwijl de koele cijfers over het aantal doden en vluchtelingen in de oorlogen die Van Sprang bezocht, uitwijzen dat die oorlogen gewelddadiger moeten zijn geweest dan de strijd om Kosovo nu.

Het zou te gemakkelijk zijn dat andere beeld van de oorlog alleen te herleiden tot de militaire en politieke censuur waaraan de verslaggevers onderworpen waren. Voorzover Van Sprang daarvan al melding maakt, blijkt dat hij er niet veel last en moeite mee had dat zijn reportageteksten of foto's preventief werden gecontroleerd.

Was het dan misschien een gebrek aan journalistieke nieuwsgierigheid die hem zo anders deed kijken? Dat is zeer onaannemelijk, want er zullen weinig naoorlogse verslaggevers te vinden zijn die in een zo korte periode met hun neus vooraan stonden bij zoveel keerpunten in de wereldgeschiedenis. Zo vooraan zelfs dat hij verschillende malen ternauwernood aan de dood ontsnapte. Oog voor dramatiek had hij ook in ruim voldoende mate. Vooral de spaarzaam bewaard gebleven radioverslagen getuigen daarvan. Zijn dramatische verslag van de opmars van Russische tanks in Boedapest op 4 november 1956 hoort zelfs tot de klassiekers van de Nederlandse radiojournalistiek.

En dan toch die ontspannen blik op de oorlog. Dat heeft niets te maken met een gebrek aan oorlogsleed, maar vooral met een andere oorlogsbeleving. De relatief geringe aandacht van de Nederlandse media voor de vele honderden dode Nederlandse soldaten tijdens de politionele acties in Indië of de doden van het Nederlandse VN-detachement in de Korea-oorlog wijzen er bijvoorbeeld op dat de stervensbereidheid veel hoger was dan nu.

Een belangrijke oorzaak was dat er kristalhelder de noodzaak lag strijd te voeren tegen een herkenbaar slechte, want communistische, vijand. En ook de geharde anticommunist Van Sprang ging er automatisch van uit dat waar gehakt wordt, nu eenmaal spaanders vallen. Bij de bereidheid de oorlog als een noodzakelijk kwaad te aanvaarden, past de opvatting de lezer niet te confronteren met schreeuwende ellende, openlijk geweld en opgeklopte emotie. Het was een kwestie van fatsoen.

Door Van Sprangs camera zag de lezer dus niet de oorlog zoals die werkelijk was, net zomin als de kijker dat nu doet wanneer cameraploegen hem het ene dramatische plaatje na het andere voorschotelen. Door de ogen van de verslaggever kijkt de lezer niet naar de oorlog zoals hij die kan, maar zoals hij die wil zien.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden