Een onstabiel soort geleerdheid

Maandag wordt de Nobelprijs voor de Economie toegekend. Maar het blijft een rare wetenschap...

Toen de Nobelprijs voor de Economie in 1968 werd ingesteld,protesteerden meerdere leden van de Zweedse academie van wetenschappen.Economie zou geen wetenschap zijn. Dat wil zeggen: geen harde, exactewetenschap. Nobelprijswinnaars uit disciplines als de chemie en denatuurkunde deden aanvankelijk dan ook denigrerend over de economen.'Bedoel je dat ze echt met jou op het podium zaten?', reageerde eencollega-natuurkundige ooit geshockeerd, nadat Nobelprijswinnaar MurrayGell-Mann hem verteld had over de uitreikingsceremonie.

Zelfs enkele winnaars van de prijs, onder wie de liberale Oostenrijkseeconoom Friedrich Hayek en de linkse Zweed Gunnar Myrdal, uitten huntwijfels. In 1974 zei Hayek tijdens de uitreikingsceremonie dat de prijswat hem betreft niet in het leven geroepen had hoeven worden.

'Een achterhaalde discussie', vindt Harro Maas, universitair hoofddocentin de geschiedenis en de methodologie van de economische wetenschap aan deUniversiteit van Amsterdam. Niemand twijfelt er meer aan dat economie eenwetenschap is: er worden theorieën gebouwd bij de vleet, data verzameld,hypotheses getest, papers geschreven en, op basis daarvan, aanbevelingengedaan aan allerlei organisaties en overheden.

Neem de conjunctuurcyclus. 'Zonder het gezamenlijke werk van eenongelofelijke variëteit aan economen hadden we dat fenomeen überhauptniet gekend', zegt Maas.

Natuurverschijnsel

Maar gedurende een groot deel van de 20ste eeuw was dat soort kennisniet voldoende. Economen leden aan 'natuurkunde-jaloezie', sneren critici.Dat wil zeggen: ze deden alsof de economie een natuurverschijnsel is waarinwetmatigheden vallen te ontdekken. Op grond van die wetmatigheden zoudeneconomen voorspellingen kunnen doen over toekomstige ontwikkelingen - hetniveau van marktprijzen, bijvoorbeeld, of de economische groei.

Maar wetenschapsfilosofen hadden hun bedenkingen. 'De economie is perdefinitie een weinig exacte wetenschap', laat Daniel Hausman van deUniversiteit van Wisconsin per e-mail weten. 'Generaliseringen - zoals''mensen geven de voorkeur aan veel spullen boven weinig spullen'' - zijnniet universeel waar.' Er zijn immers mensen die hun bezitsdrang juistwillen temperen.

Het fundamentele probleem is volgens wetenschapsfilosofen dat deeconomie een complex en 'structureel instabiel' systeem is: het draait ommenselijke relaties die zich niet zomaar in een model laten vastleggen, alis het maar omdat die relaties voortdurend en overal op aarde aanverandering onderhevig zijn. Dan hebben natuurkundigen het heel watmakkelijker. De wet van de zwaartekracht geldt overal ter wereld.

De afgelopen decennia hebben economen veel vooruitgang geboekt in hetdoen van experimenten - vaak samen met psychologen; maar in tegenstellingtot de natuurkunde is de economie geen experimentele wetenschap. En datmaakt het lastig wetmatigheden op te stellen. Als een beurskoers stijgt,kan dat immers door een haast oneindige hoeveelheid factoren komen.

Daar komt nog eens bij dat economen, veel meer dan hun collega's in deexacte wetenschappen, een mening hebben over en zelfs invloed hebben op dewereld die zij bestuderen: via beleidsmakers die advies bij hen inwinnen,wordt de economie naar hun eigen theorieën gevormd. Optiehandelarenrekenen sinds jaar en dag met formules die de Amerikaanse economen enNobelprijswinnaars Fisher Black en Myron Scholes in de jaren zeventigopstelden om de prijs van opties te bepalen.

Mede om die redenen is de economische wetenschap 'niet erg succesvol geweest' in het doen van voorspellingen, en heeft zij 'weinig empirischevooruitgang geboekt', zoals Hausman concludeert in zijn boek The Inexactand Separate Science of Economics (1992). Economen zouden zich daarom inalle bescheidenheid moeten beperken tot het beschrijven, analyseren envoorspellen van tendensen. Het vinden van universele wetmatigheden is tehoog gegrepen.

'We zouden willen dat we 3 wetten hebben die 99 procent van heteconomisch gedrag verklaren. In plaats daarvan hebben we zo'n 99 wetten die3 procent van economisch gedrag verklaren', zei ook Andrew Lo, hoogleraareconomie aan de vermaarde Amerikaanse universiteit MIT enkele jarengeleden in het Britse weekblad The Economist. 'Niettemin praten we graagalsof we met natuurkundige fenomenen te maken hebben.'

Wetenschapsfilosoof Alexander Rosenberg van Duke University komt tot eennog vernietigender oordeel. Tweehonderd jaar economische wetenschap heeftniets voortgebracht 'dat ook maar in de buurt komt van de ontdekking vannieuwe planeten door natuurkundigen', schreef hij in een veelgeciteerdartikel uit 1983 met de omineuze titel If Economics Isn't Science, What IsIt?

Rosenberg geeft toe dat algemene, niet-cijfermatige voorspellingen bestmogelijk zijn. In de categorie: als je de prijs van een auto verhoogt,zullen waarschijnlijk minder mensen die auto willen kopen.

Maar heb je voor zulke voorspellingen echt al dat onderzoek nodig?,vraagt Rosenberg zich af. Zijn antwoord is nee. De wetenschappelijkeinzichten van economen zijn vooral gebaseerd op de huis-, tuin- enkeukenpsychologie die mensen in het dagelijks leven gebruiken om dewerkelijkheid te begrijpen. En om dat te verhullen - en een aura vanwetenschappelijkheid te bewaren - zouden economen overmatig gebruik makenvan wiskundige formules.

Naïef

'Een naïeve opvatting', zegt Maas van de Universiteit van Amsterdam.Economen zien volgens hem sinds jaar en dag in dat het systeem dat zijbestuderen, veel te complex en chaotisch is om exacte voorspellingen tedoen. In plaats daarvan wordt er nu vooral gekeken of de modellen erinslagen de belangrijkste karakteristieken van de economie naar boven tehalen, omslagpunten in bijvoorbeeld een conjunctuurcyclus te laten zien,of patronen te herkennen. Niet voorspellen, maar verklaren staat daarbijvoorop. Maas: 'Economen maken tegenwoordig hun handen weer vuil. Zeproberen voortdurend hun modellen te koppelen aan statistische gegevensover de economie.'

Neem bijvoorbeeld de voorspellingen van de economische groei van hetCentraal Planbureau, die met enige regelmaat de voorpagina's van dedagbladen halen. 'Ik denk dat wij die voorspellingen sterker relativerendan de Volkskrant-lezer', zei CPB-econoom Johan Verbruggen vorig jaar ineen interview met deze krant. 'We realiseren ons terdege dat die modellenniet meer zijn dan een sterk vereenvoudigde weergave zijn van deeconomische werkelijkheid.'

Niettemin kunnen die modellen beleidsmakers een beter inzicht geven. Inde jaren zeventig, bijvoorbeeld, bleek uit het zogeheten jaargangenmodelvan het CPB dat loonsverhogingen weliswaar goed zijn voor de consumptie,maar tegelijkertijd slecht voor het bedrijfsleven. Verbruggen: 'Daar vloeitde loonmatigingsfilosofie uit voort. Die filosofie heeft zich genesteld inde hoofden van beleidsmakers, politici en economen.'

Volgens Maas is ook de veelgehoorde kritiek op het sterk wiskundigekarakter van de economie misplaatst. 'Wiskunde is nu eenmaal de taal vaneconomen geworden.' Sterker nog: met de wiskunde die economen momenteelontwikkelen, zetten zij in sommige gevallen de toon onder wiskundigen. Maarvolgens Hausman ligt daar nu juist het probleem: 'Economen lijken meerinteresse te hebben in wiskundige vraagstukken, dan in economische.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden