Achtergrond Likecultuur

Een like, een traan en weer door: wat doen sociale media met onze emoties?

We liken ons een ongeluk. Wat doen al die duimpjes en hartjes met de manier waarop we onszelf en de wereld zien? Denken we ook offline vooral nog in termen van ‘leuk’ en ‘niet leuk’, of valt het mee?

Foto Noël Loozen

Bijna tien jaar geleden, in 2009, introduceerde Facebook – u weet wel, dat medium dat momenteel tóch niet iedereen verlaat – de ‘vind ik leuk’-knop. Talloze andere sociale media, sites en apps namen dat beoordelen gretig over. Zo werden alle internetgebruikers recensent. Van boeken, films, eten en vooral elkaar, want wie op internet zijn leven deelt, wordt er ook beoordeeld.

Het overdadige delen beleefde al een opmars voor het internet iedereen met iedereen verbond. Denk aan televisieformats uit de jaren negentig als Het spijt me, All You Need is Love en Spoorloos, met als toppunt Big Brother in 1999, het tv-experiment waarbij een groep Gewone Mensen in een huis ruzieden, knuffelden en vreemdgingen voor het 24-uursoog van de camera.

Oordelen mochten we ook al. Zij het zonder sms-dienst. Sinds pakweg 1987. Toen een willekeurige 10-jarige en haar vertolking van Madonna’s Like a Virgin (‘touched for the very first taa-hiahia-hiaaaaaaim’) vijf minuten primetime-tv kregen in de Mini-playbackshow

Het concept ‘iedereen beroemd’ schuifelde ons leven binnen. Kalmpjes, klungelig, sympathiek zelfs. Al zullen sceptici er het paard van Troje reeds in hebben herkend. In die tijd kon je zeggen: Amerikaanse toestanden. Of je dacht: dat wil ik ook.

Terughoudendheid is inmiddels een begrip uit vervlogen tijden. Het publieke podium, eerst op tv daarna op internet, is allang niet meer voorbehouden aan artiesten, politici of deskundigen. De status van de gewone man verschoof van decorstuk naar centerpiece: iedereen kreeg zijn eigen podium.

Like-jubileum

Het like-jubileum dat we binnenkort beleven, is een aardig moment om de balans op te maken wat het liken (en dus niet alleen op het boosaardige forum van Mark Zuckerberg) ons heeft gebracht. Om te kijken wat er maatschappelijk gezien schuilgaat onder ‘de loden last van de likes’ (zoals de Volkskrant onlangs kopte boven een stuk over jonge volwassenen en sociale media), de zelfverklaard aan hun telefoon verslaafde jongeren (en ouderen) die kampen met concentratieproblemen, een slechte nachtrust en een toenemende ‘fomo’ (fear of missing out, de angst om iets te missen).

Velen van ons zijn permanent bezig met delen, meekijken en beoordelen. Zo kun je op enig moment van de dag zomaar vlak na elkaar een ‘oordeel’ hebben gegeven over de volgende zaken: een reserveventiel voor een luchtbed, de dood van de vader van een vriend, een filmpje waarin iemand uitlegt hoe je bananenbrood maakt, de derde chemokuur van de buurman en een nieuw paar schoenen. Zulke berichten leveren een stroom aan virtuele hartjes, duimpjes, kusjes en traantjes op.

Wat doet dat met ons? Dat dag in, dag uit delen en beoordelen van zulke enkelvoudige emoties? Zijn we anders gaan denken en voelen? Is ons emotionele palet uitgehold en denken we ook offline vooral nog in termen van ‘leuk’ en ‘niet leuk’? Of valt het mee?

Technologie beïnvloedt onze moraal, zegt techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek van de Universiteit Twente. ‘Het beïnvloedt ons geweten, onze diepmenselijke behoefte aan erkenning en onze visie op wat een goed leven is.’

Door de eeuwen heen was het de kerk, de vorst of de overheid die bepaalde hoe je ‘goed’ leefde. In het liberale tijdperk deden wij het zelf. Al is dat een flinke schijnvrijheid, volgens Verbeek, want mensen voegen zich naar hun omgeving om erkenning te krijgen en te weten welke normen er gelden. Was het tot tien jaar terug nog de directe omgeving waarvan je leerde hoe te leven, nu zijn het – zonder dat we ons daarvan bewust zijn – de likes die het ons dicteren. ‘De normering is opgeschoven van onze naasten naar ‘iedereen’.’

De permanente beoordeling van elkaar en jezelf is volgens Verbeek het echte grote verschil met tien jaar geleden. Niet voor iedereen natuurlijk, we bevinden ons allen grofweg ergens op de lijn tussen (on)bewust socialemedialoze emoticonhater en influencer. Maar wat je doet, wat je vindt, hoe vaak je sport, wat je luistert, wat je eet, wat je leest – apps vragen je alles te delen. En wat deelbaar is, is beoordeelbaar. ‘Na het hardlopen moet ik de optie ‘delen’ bewust wegklikken’, noemt Verbeek als voorbeeld. Veel meer mensen vinden potentieel iets van ons gedrag en er zijn dus veel meer mensen naar wier oordeel je je voegt.

Sociale diersoort

De mens is een sociale diersoort, zegt technieksocioloog Ben Caudron, die als docent verbonden is aan de Erasmushogeschool in Brussel. ‘Onze motieven tot handelen en welbevinden zijn sterk afhankelijk van hoe anderen op ons reageren. Op sociale media kun je die reacties in overvloed krijgen, maar in het dagelijks leven blijft de onmiddellijke reactie vaak uit. Dat kan verwarrend zijn en onzeker maken.’  En dus leiden tot een onverzadigbare zoektocht naar bevestiging online.

Maar andermans hoofd is een waardeloze plek om als zetel voor onze eigenwaarde te dienen, schreef Schopenhauer al. Filosoof, auteur en programmamaker Stine Jensen vindt het een treffend citaat als het gaat over het hengelen naar likes. Ze verwijst ook naar collega-filosoof Alain de Botton, die het vergeleek met een ballon die telkens opgeblazen moet worden, omdat hij even snel weer leegloopt. Jensen: ‘De put is bodemloos. Het is nooit genoeg. Ik zeg niet dat mensen het niet moeten doen. Ik zoek zelf ook online naar bevestiging. Maar wees je bewust van wat je doet en welk effect dat kan hebben.’

Het onbeperkte hengelen voedt als vanzelf het element van competitie, denkt techniekfilosoof Verbeek. ‘Je ziet meteen of je het goed doet door onmiddellijke feedback op je gedrag. Duimpjes omhoog. Je kunt bewust vissen naar complimenten, door iets te posten of in het geval van jongeren te ‘snappen’.’

Iedereen die iets post, wil veel likes, we spiegelen ons aan anderen die we online zien, op foto’s, in filmpjes en verhalen. Onze kinderen moeten er minstens zo leuk uitzien, wij moeten even hard huilen om de dood van een publiek figuur, we moeten een nog leuker feest hebben gehad, een grotere bruiloft, een authentieker ingericht huis en nog stoerder onze terminale kanker dragen.

Zelfs op het gebied van rouw, ellende en verdriet ontstaat wedijver, zo stellen Verbeek en Jensen. Daar zie je als tegenhanger van erkenning (voor je nieuwe kapsel, baby of kast) compassie op afroep. Verbeek: ‘Rouw ik wel goed, betuig ik mijn steun met de juiste emoticons en commentaren?’

Daarmee is ook onze competitiedrang een race naar het oneindige geworden. Omdat het altijd sneller, groter, beter kan. Dat heeft twee gevolgen, denkt Verbeek. ‘Je kunt enorm veel erkenning krijgen. Zalig voor de narcist in ons. De keerzijde is dat ook negatieve reacties veel verder reiken. Je kunt openbaar te schande worden gemaakt. Denk aan cyberpesten, het gevoel dat je nergens veilig bent.’ Als Verbeek mag kiezen tussen kritiek op Twitter of in de gang bij de faculteit, weet hij het wel. Niets is tenslotte dodelijker dan het gevoel dat de hele wereld meekijkt hoe jij afgaat.

‘Intiem kapitaal’

Stine Jensen gaat nog een stapje verder. Zij denkt dat frequent gebruik van sociale media onze identiteit consumptief heeft gemaakt. Ze muntte enige jaren terug de term ‘intiem kapitaal’, waaronder ze waardevolle persoonlijke informatie verstaat die je normaal gesproken slechts met een kleine kring mensen zou delen, maar die in tijden van Facebook of Instagram ‘handelswaar’ zijn geworden.

Online bestaat het evaluatiekader waarmee we naar onszelf en de wereld kijken uit enkelvoudige emoties als ‘leuk’ en ‘niet leuk’. Jensen denkt niet dat ons gevoelsleven daadwerkelijk armer is geworden, maar het tempo van sociale media vraagt nu eenmaal om een reflexmatige reactie. ‘Terwijl gevoelens amorf, diffuus en niet helder zijn. We moeten er taal aan geven. Dat kost tijd.’

Het woord emotie komt van het Latijnse werkwoord emovere, ‘in beweging brengen’. ‘Het betekent zoiets als een gemoedsbeweging’, zegt Jensen. Een emotie heeft even de tijd nodig om te ontstaan en als we online iets niet hebben, is dat het wel. Daarom werkt rouwen op sociale media volgens haar ook niet. 

‘De stroom van berichten gaat continu door, zonder hiërarchie: nieuw kapsel, mijn vader is dood, wie wil mijn oude kast kopen.’ Volgens Jensen is er geen tijd om erachter te komen wat je nu eigenlijk voelt bij een bericht. Dat zorgt voor vlakheid in het emotionele spectrum van onze digitale communicatie. We vinken af. Een like, een traan, een kreet en weer door.

Sociale media ontmoedigen volgens Jensen om verder te onderzoeken wat je voelt en dat vindt ze zorgelijk. Ze vergelijkt het met geklets in een bruin café. ‘Dat is helemaal niet erg en zelfs lekker. Maar we komen veel te vaak in die kroeg.’

Daarom schreef ze het boek Alles wat ik voel voor ouders en kinderen, over twintig emoties, om ‘het emotiepalet’ een beetje uit te breiden. Voor kinderen maakte ze bijbehorende emotiekaarten met gevoelens als verlegen, gefrustreerd, dapper of teleurgesteld. Ook werkte ze mee aan een platform van de VPRO over falen, de Zwelgplek genaamd. Haar boodschap: alle gevoelens mogen er zijn, emoties komen en gaan, een gevoel is soms ingewikkeld en dat mag.

Zelf vormgegeven

Toch moeten we oppassen met het buiten onszelf plaatsen van het likemonster, vindt hoogleraar sociale psychologie Paul van Lange (Vrije Universiteit Amsterdam). We moeten volgens hem niet vergeten dat we de omgeving op sociale netwerken zelf hebben vormgegeven. ‘Het is niet een soort autonoom vehikel dat onze levens is binnengedrongen. Wij genieten blijkbaar ook van haastig binair vertier.’

Onze wonderlijke menselijke mix van nieuwsgierigheid en een voorliefde voor luchtigheid zorgt ervoor dat we dol zijn op kletspraatjes bij de koffiemachine. Daar zoeken we volgens Van Lange met zinnen als ‘mooi doelpunt gisteren’ en ‘leuk jurkje’ ook de nuance of het complexe niet op. ‘Die kletspraatjesfunctie is deels door sociale media overgenomen.’

Dat is logisch en menselijk, benadrukt hij. Wij mensen genieten enorm van al die korte oppervlakkige berichten. Daar heeft ons brein zelfs een apart systeem voor: het intuïtieve, categorische of automatische systeem. ‘Als ons brein iets moet met veel kleine dingen en snelle beslissingen is er simpelweg geen tijd voor reflectie of grijstinten. Dan schakelt het naar dit systeem’, zegt de hoogleraar. Daarom zie je mensen op een druk station even op hun telefoon facebooken of instagrammen. Klik, swipe, like en weer door.

Foto Noël Loozen

Iets liken is inderdaad een vorm van afvinken of afsluiten, legt Van Lange uit. Zo, dit heb ik gehad, daar hoef ik niks meer mee. ‘Onderzoek laat zien dat iets afronden ons een prettig gevoel geeft. We worden dus niet alleen blij van het verzamelen van likes, maar ook van het uitdelen ervan.’ Bovendien is het aangenaam om complimenten te geven, ook in het echte leven. ‘Want oprecht of niet, de ontvanger is er altijd blij mee en de uitdeler vaak ook. Zo houden we het uitwisselen van likes in stand en is het gaan fungeren als norm waaraan we moeten voldoen.’

Omdat we in al die netwerken ook nog eens vooral tussen gelijkgestemden zitten (met uitzondering van Twitter misschien, merkt Van Lange op) is het liken extra eenvoudig. ‘Je berichtenstroom is als het ware voorgepolijst, voor je op smaak gebracht.’

We genieten van onze bubbels. Dat lijkt onschuldig, maar het wentelen daarin, het digitale likedenken en het tempo waarmee we op dingen reageren heeft er volgens de voor dit verhaal gesproken filosofen ook toe geleid dat grijstinten zijn verdwenen uit het publieke debat.

Geen nuance

Dat kan ook niet anders, zegt de Vlaamse technieksocioloog Ben Caudron, die zich in de Vlaamse media vaak uitlaat over dit thema. ‘Sociale emoties zijn uitgevent door sociale media. Ons wordt expliciet gevraagd snel te reageren, voor nuance is geen ruimte.’ Niet alleen door onze virtuele vrienden, maar ook door tal van marketeers worden we aan de lopende band om een mening gevraagd, over een plek, product of dienst.

We leven bovendien in een cultuur waarin stellige meningen worden beloond, volgens Caudron. ‘Hoe extremer geformuleerd, hoe meer volgers.’ Die beperkte zucht naar nuance ziet hij – ‘en dat lijkt mij geen toeval’ – ook in het publieke of politieke debat. ‘Daar worden gepolariseerde meningen verkocht als debat. Het is niet langer in zwang om lang of goed over iets na te denken.’

De maatschappij is sterker verdeeld in groepen, zo lijkt het, zegt ook hoogleraar sociale psychologie Van Lange. ‘De kloof tussen arm en rijk, Randstad en dorp, allochtoon en autochtoon, Groningen en Den Haag. Alles is meer zwart-wit geworden. Met één druk op de knop zit je in je eigen groep, met als risico dat de kloven almaar groter worden. Groepen kunnen steeds meer langs elkaar heen leven. Vandaar ook dat een type als Trump president kon worden en de meesten van ons dat nooit hadden verwacht.’

Filosoof en schrijver Joke Hermsen wijst op nog een element dat door sociale media wordt aangewakkerd en dat een rol speelt bij de opkomst van populistische politici: het sentimentalisme.

Onze berichtenstroom is niet alleen op maat gemaakt, maar vooral ook een aaneenschakeling van optimisme, blijmoedigheid en succes, zegt Hermsen. ‘Voor negatieve gevoelens bij teleurstelling, nederlagen, verlies en rouw is veel minder ruimte. Als ik door mijn tijdlijnen ga, lijkt het wel een feelgoodfilm.’

Dat heeft grote gevolgen, aldus Hermsen. ‘Onze emotionele balans is doorgeslagen naar de blijmoedige kant. Als onze donkerte en weemoed in de knel komen, kunnen ze omslaan in een ongezonde variant van melancholie: een depressie.’

Somberte en depressies

Vorig jaar publiceerde Hermsen Melancholie van de onrust, een lijvig essay waarin ze onder meer de blijmoedige likecultuur koppelt aan de grote hoeveelheid mensen die kampt met somberte en depressies. Voor het verwerken van verlies en rouw hebben we tijd en aandacht nodig, stelt Hermsen. Nemen en geven we die niet, dan kunnen depressies toeslaan.

De nationale depressie-epidemie bestaat volgens de filosoof bij de gratie van de likecultuur, de jubeltonen op sociale media en het ‘huppakee, schouders eronder met een lach’ van het neoliberalisme. Onze minister-president krijgt er flink van langs. Rutte, als belichaming van die blijmoedigheid, ís tenslotte de menselijke equivalent van een duimpje omhoog.

Dat we online ook rouwen en huilen, noemt Hermsen geen donkerte, maar sentimentalisme. ‘Zeeën van waxinelichtjes, knuffels en bloemen. Stille tochten en profielen op sociale media met ‘Je suis Charlie’.’ Met empathie heeft het volgens Hermsen weinig te maken.

Het heeft bovendien de riskante schijn van snelle verwerking. Meegehuild, afgevinkt en klaar. ‘Groepsrouw heeft iets leegs, iets massaals, en het is akelig kortstondig. Rouw heeft tijd nodig en moet plaatshebben in kleiner verband.’

Sentimentalisme speelt figuren als Trump en Thierry Baudet in de kaart, zegt ze. Zo koersen we met de opgestoken duimpjes naar een maatschappij waar eigenbelang, xenofobie en consumentisme alle ruimte krijgen en je in een depressie kunt tuimelen.

Om u niet met een al te onbehaaglijk gevoel achter te laten, tot besluit nog wat filosofische raad. Bescherm je intieme kapitaal, zegt Stine Jensen. ‘En, het lijkt misschien triviaal, maar vraag je kind na school ook eens ‘wat vond je lastig vandaag?’, in plaats van ‘was het leuk?’. Gewoon, om niet te vergeten dat ons gevoelsleven beduidend rijker geschakeerd is.’

Joke Hermsen pleit op haar beurt voor meer rust (leef traag), ruimte voor melancholie en, alweer, de veelheid aan emoties. Waar we die vinden? Bij voorkeur in de kunsten, als het aan Hermsen ligt. Lees eens een roman, bezoek eens een tentoonstelling, ga eens naar het theater. Was deze boodschap een bericht in een van mijn onlinebubbels, dan zou ik er, o ironie, jubelend een duimpje voor omhoogsteken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.