Een gezellige bar in plaats van vragenlijsten

‘Biertje?’ Zo gaat het niet in het experimentele café van de vakgroep orthopedagogiek in Nijmegen. Er wordt wel bier, wijn of fris geschonken aan proefpersonen....

Om maar meteen een misverstand voor te zijn: ‘We zitten hier niet mensen eindeloos dronken te voeren.’ Aan het woord is Rutger Engels (41), hoogleraar orthopedagogiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij doet sinds jaar en dag onderzoek naar de factoren die leiden tot (meer) drinken en roken bij jongeren.

De vraag was of het in de internationale onderzoekswereld gebruikelijk is: zo’n bar waar je proefpersonen de gelegenheid geeft te drinken ten behoeve van de wetenschap.

Het korte antwoord is: nee. Vakbroeders en -zusters vinden het doorgaans ‘superleuk’ wat hij en zijn collega’s hier doen, zegt Engels, maar ze moeten ook wel weerstand overwinnen. ‘Dat wij mensen alcohol geven, vinden ze in sommige landen niet fijn.’

In de praktijk luistert het vanzelfsprekend nauw. ‘We houden heus rekening met het welzijn van de mensen die hier komen.’ Er zijn ethische commissies die zich ermee bemoeien. En het is serieus, door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gefinancierd onderzoek.

Rutger Engels: ‘We komen in alle toptijdschriften, hoor.’

Als er al eens iemand durft te veronderstellen dat hij een beetje vrijblijvend gedrag observeert, zegt hij in zijn eigen – prettig directe en eigentijdse – vocabulaire: ‘We zitten hier geen fucking aapjes te kijken.’ Het is fundamenteel, kwantitatief onderzoek dat hij doet, en ‘duidelijk hypothese gestuurd’.

Het gesprek vindt plaats op de kruk aan de bar, bij een kopje koffie. Dit is het ‘barlab’, waarover Engels juist deze week op uitnodiging spreekt op een toonaangevend congres voor ontwikkelingspsychologen in Philadelphia (van de Society for Research on Adolescence). In het barlab wordt onder zijn leiding een deel van de ‘experimentele observationele studies’ uitgevoerd, waarmee de Nijmeegse vakgroep de aandacht trekt ‘nu alcohol en jongeren zo hot is’.

De meest recente, waarvan de resultaten een dezer dagen worden gepubliceerd door een promovendus van hem in Psychological Science, betreft de relatie tussen genetische gevoeligheid voor ‘alcohol-cues’ – reclames, afbeeldingen, flessen, kortom alles dat naar drank verwijst – en de neiging andermans drinkgedrag te imiteren.

Het is een kleine ruimte: gordijnen sluiten het daglicht buiten, de zitjes van degelijke houten tafels en stoelen lijken afkomstig uit een ouderwetse plattelandskroeg, en een biljart en een voetbaltafel vervolmaken het geheel. Dat er her en der geavanceerde beeld- en geluidsapparatuur is aangebracht, moet je even weten. Daar, in de hoek, wijst de hoogleraar. En ook aan de staande seventieslamp: piepkleine cameraatjes uit de beveiligingsbranche.

Vanzelfsprekend weten de proefpersonen dat ze geobserveerd worden. Pas na afloop van een sessie wordt hun de precieze toedracht verteld. ‘Je kunt het je misschien niet voorstellen maar binnen tien minuten zijn ze helemaal los. En bij vergelijkbaar onderzoek in een echt café vonden we vergelijkbare effecten.’

Beetje oubollig café.

‘Dat was ook de bedoeling. Het is destijds ontstaan omdat we wilden weten hoe jongeren elkaar beïnvloeden als het gaat om alcoholgebruik. Dat wordt meestal gedaan aan de hand van vragenlijsten: drinken je vriendjes, word je daardoor beïnvloed? Maar ik vond dat geen goede methode. Ik dacht: je kunt beter kijken naar wat mensen doen, maar dan wel systematisch, onder gecontroleerde omstandigheden, in een zo natuurlijk mogelijke setting. Ik heb er geld voor gekregen van NWO en toen hebben we dit hier gebouwd.’

Het ‘barlab-onderzoek’ – onder meer dan 200 jongeren in de leeftijdscategorie van 18 tot 25 jaar – richtte zich in het begin vooral op vriendengroepen van 6 tot 8 personen: meisjes, jongens, gemengde groepen, studenten en werkenden. ‘We vroegen of ze wilden komen met de groep waarmee ze normaal ook uitgaan. Ze wisten niet exact wat we onderzochten.

‘Ja, ze kregen individueel een opdracht, aan het begin en aan het eind, maar daar deden we niks mee. Het ging juist om de break van een uur of anderhalf daartussen.

‘We zeiden: doe wat je wilt, maar je moet wel hier blijven. Nou, er was een hoop lol, mensen gingen spelletjes doen, zaten te kaarten, te kletsen, lekker te drinken – of niet. Er was een barkeeper, die op verzoek bier, wijn of fris schonk. In geen van de studies is het zo dat we echt alcohol aanbieden. We zeggen niet: hier heb je bier. Maar: wat wil je drinken?’

En?

‘Met name mannen laten zich heel sterk leiden door degene die de maat zet. Dus als iemand in een groep flink de toon zet qua alcohol, en dat hoeft niet eens iemand met status te zijn of iemand die je goed kent, dan volgt de rest als makke schaapjes.’

Zien drinken doet drinken, weet hij inmiddels, en dat geldt ook min of meer voor roken en snoepen. Dat ‘imitatiegedrag’ gaat zover, dat tweetallen – die Engels vervolgens in alle mogelijke varianten bestudeerde – zelfs synchroon gaan ‘sippen’, slokjes nemen.

‘Dat is vooral interessant omdat het deels een onbewust proces is. Wat je hier bijvoorbeeld van kunt leren, is dat je jongeren niet moet voorlichten over hoe ze met groepsdruk om moeten gaan als ze eenmaal in de kroeg zitten. Je moet voorkomen dat ze in die setting komen.’

Die processen onderzoeken en kennen, is één kant van de zaak. ‘Ik wil ook iets met die kennis.’ Door samen te werken met preventieorganisaties zoals het Trimbos Instituut is Rutger Engels tegenwoordig direct betrokken bij ‘de vertaling van de bevindingen naar preventie’. Hij wordt er blij van, zegt hij, om ouders, die ermee aan de slag willen, op goede gronden power en tools te geven.

Dat het wel degelijk werkt, als ouders regels stellen (‘nee, geen alcohol voor je 16de, ik wil het niet hebben, met een duidelijke uitleg waarom’), dat is intussen wel bewezen. En meer dan dat: steeds meer ouders doen het ook. In die cultuuromslag heeft de Nijmeegse vakgroep een belangrijke rol gespeeld.

Engels: ‘Maar het is niet alleen maar een succesverhaal. Het zijn kleine stapjes die we zetten. Ouders zijn relatief makkelijk aan te spreken. Als ik aantoon dat alcoholreclames effect hebben op het gebruik van alcohol: ik geloof niet dat veel mensen daar een boodschap aan hebben. Of daar beperkingen voor komen, dat zijn politieke beslissingen en dan komen heel andere krachtenvelden vrij.’

U bedoelt dat je als onderzoeker te maken hebt met het spanningsveld tussen de alcoholindustrie en de anti-alcoholbeweging?

‘Ja, daar hebben we het ook over in de vakgroep. Wij nemen bijvoorbeeld geen geld aan van de industrie, waar dat in andere landen vaak wel gebeurt. Dat standpunt kan ik me ook veroorloven omdat het hier niet speelt. Ik word niet benaderd en er zijn andere middelen beschikbaar.

‘Maar dat dilemma speelt net zo goed op het gebied van de interventie en de preventie. We zitten nu bijvoorbeeld in de testfase van een voorlichtingsprogramma voor ouders en kinderen van 11, 12 jaar. Dat doet het Trimbos Instituut samen met ons. Als straks blijkt dat dit niet werkt, zeg ik: jongens, we gaan er niet mee door. Want ik ga geen stront verkopen: dan geef je mensen valse hoop en een illusie van controle. Die integriteit is voor alle wetenschappers belangrijk.

‘Natuurlijk komen de preventiemensen ook bij bij het ministerie van VWS en zeggen: we hebben nou een mooi product, dat gaat hartstikke goed werken en professor Engels zegt het ook. Maar of ik veel invloed heb? Als het gaat om het terugdringen van het alcoholgebruik, heb ik, denk ik, geen invloed. Dat is aan de politiek. En ik heb geen tijd om in Den Haag met Kamerleden te gaan praten.’

Zou u het willen?

‘Daar ben ik niet uit. De vraag is: hoe lang kun je objectief blijven. Je wordt waarschijnlijk al gauw ingelijfd door een van die kampen. Er zijn wel wetenschappers, die in allerlei gezondheidadviesraden gaan zitten en daar proberen invloed uit te oefenen. Op het gebied van obesitasbestrijding ken ik wel voorbeelden, maar bij alcohol helemaal niet. Waarom dat zo is, weet ik eigenlijk niet.’

Obesitas is alleen maar slecht, zou ik zeggen. Bij alcohol ligt dat wat genuanceerder?

‘Ja, dat is het ongelooflijk complexe van drinken. Dat heeft natuurlijk ook een duidelijk positieve sociale betekenis. Als ik vrienden op bezoek heb en ik heb uitvoerig gekookt, maak ik daar een lekkere fles wijn bij open. We hebben het leuk, het eten smaakt misschien wel beter, het is gezellig. En daar is niks mee – maar dan hebben we het wel over volwassenen hè.’

En hoe brengt vader Engels thuis zijn bevindingen in de praktijk?

‘Het is niet zo dat ik er eindeloos over preek, maar we hebben het er wel over. Wat je heel snel terugkrijgt van je kinderen, is: ja maar jij deed het vroeger allemaal ook. Wat ik dan tegen mijn dochters – ze zijn 11 en 13 – zeg: ja, maar we weten nu veel meer dan vroeger. En dan koppel ik het aan onderwerpen die ze kennen, bijvoorbeeld het comazuipen.

‘We weten nu dat het schade geeft aan de hersenen en we weten nu dat het een verslavend effect heeft. Dus: een beetje uitproberen, kan ertoe leiden dat je zwaar in de problemen komt. En dat geldt ook voor roken en drugs. Daarom is het handig om het helemaal niet te doen. Dus ook geen slokje, niet proeven, niet mengen en geen Sneeuwwitje.

‘Ik ben niet anti en ik ben ook geen moraalridder. Maar ik vind wel dat we mensen moeten informeren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden