Een Friese enclave

Ooit is de Nederlandse taal in het Poolse plaatsje Wilamowice verzeild geraakt. Er zijn banden met Vlaanderen en Friesland, maar langzaam maar zeker wordt het Wymysoojs naar de achtergrond gedukt....

Goedenavond!‘Güter Öwyd!’, antwoordt Tymoteusz Krol, in het Zuid-Poolse Wilamowice, wanneer hij hoort dat hij Nederlandstalig bezoek over de vloer heeft. ‘Spreek maar gewoon Nederlands. We verstaan elkaar wel.’

We zijn op zoek naar mevrouw Foks. Waar woont zij?

‘Duut.’

Waar?

‘Duut!’

Daar?

‘Ju.’

Om je in het Zuid-Poolse Wilamowice verstaanbaar te maken, hoef je geen Pools te spreken. Met een beetje geluk kun je er in het Nederlands terecht. In Wilamowice wordt namelijk Wymysoojs gesproken, een zustertaal van het Nederlands.

De bijna tachtigjarige Anna Foks is een van de weinige inwoners die nog zuiver Wymysoojs spreken. Nederlands spreken zou dus ook bij haar geen problemen mogen opleveren.

Goedenavond, Mevrouw Foks!

‘Güter Öwyd!‘

Foks is in de serre achter haar huis bezig met het begieten van haar sla. ‘De beste van Wilamowice’, zegt ze trots, waarop ze haar werkzaamheden onderbreekt voor een welkomstlied in het Wymysoojs: ‘Uit de bergen komt mijn geliefde Jantje. Van vreugde spring ik naar buiten en laat hem niet meer los.’

Dat we hier en daar een woord verstaan, en zelfs meer dan dat, is te danken aan de afkomst van de inwoners van Wilamowice. Volgens de geschiedenisboeken zijn hun voorouders er in de 13de eeuw vanuit Vlaanderen neergestreken. Na de invallen van de Tataren lag de streek rond Wilamowice er verlaten bij.

Maar niet alleen vanuit Vlaanderen. Bij de eerste nieuwkomers zouden ook Friezen zijn geweest, een veronderstelling die moet worden opgemaakt uit het feit dat zich op het grondgebied van het stadje geen stromend water bevindt. De Friezen, zo wil de legende, zouden naar Wilamowice gekomen zijn op zoek naar een droog plekje.

En – moeilijk te geloven, maar toch waar – er zou zelfs Schots bloed door de aderen van de Wymysojers stromen. Daarop wijst niet alleen de typische ruit in de traditionele klederdracht de uiterst populaire naam Foks; een Poolse versie van Fox.

Maar een Schotse naam of niet, onze taal heeft Nederlandse wortels, weet Foks. Bij een kop koffie in de woonkamer legt ze uit hoe ze enkele jaren geleden als proefkonijn op bezoek was bij de Universiteit in Gent. Ze kreeg er van een professor te horen dat de juiste oorsprong van haar taal onduidelijk was, maar, aldus Foks, ‘ondertussen vroeg hij zijn collega’s wel goed op te passen wat ze zeiden, want ze verstaat alles!’

‘Ze vonden zelfs dat ik er Vlaams uit zag!’, lacht ze.

En opnieuw zet Foks het op een zingen, deze keer bijgestaan door de tiener Tymoteusz en zijn nichtje Justyna, met een melodie die bekend in de oren klinkt: ‘Ik zag twee beren broodjes smeren’. Alleen worden de broodjessmerende beren in het Wymysoojs vervangen door vliegende muggen, maaiende hazen, wiegende vliegen, schreeuwende uilen en krabbende katten.

Dat het Wymysoojs het meer dan zeven eeuwen in een vreemd taalgebied heeft uitgezongen, mag een wonder heten. De verklaring moet gezocht worden in de beperkte contacten met de buitenwereld. Op het kerkhof duiken steeds weer dezelfde namen op. Foks: ‘Voor de oorlog zou niemand in Wilamowice het in zijn hoofd hebben gehaald om verkering te hebben met iemand uit de omliggende dorpen, laat staan te trouwen.’

‘We waren een gesloten gemeenschap’, bevestigt amateurhistorus Jozef Gara, zelf Wymysojer in hart en nieren. Dat zich geen gemengde huwelijken voordeden, durf hij niet te stellen, maar wie een meisje uit Wilamowice trouwde, moet van goeden huize geweest zijn.

‘Tenzij er met het meisje natuurlijk iets mis was. Een gescheiden vrouw of een alleenstaande moeder – zeker als ze geen schoonheid was – was misschien wel te krijgen.’

Voor het voortbestaan van de taal bleek het een doeltreffend recept. Toen voor de oorlog in Wilamowice een volkstelling werd gehouden, gaven slechts twee families Duits als hun eerste taal op. Zelfs de enkele joodse families die het stadje telde – onder wie de dokter en de apotheker – bleken Wymysoojs te spreken.

Die apartheid werd de Wymysojers door de – overwegend Duitstalige - inwoners van de omliggende dorpen niet altijd in dank afgenomen. De inwoners van Wilamowice zouden koeterwaals (‘holdy-boldy’) spreken en over hun domheid deden grappen de ronde. Een mol die de tuin van het gemeentehuis had omgewoeld, zou door de Wymysojers bij wijze van straf levend zijn begraven.

‘Maar zo dom waren we nu ook weer niet’, corrigeert Gara.

Zeker tot aan de Eerste Wereldoorlog, toen de stad zoals de rest van Zuid-Polen deel uitmaakte van Oostenrijk, waren de inwoners van Wilamowice dankzij hun bedrijvigheid beter af dan hun buren. Bijna in elk huis stond een weefgetouw. De stoffen die daar werden geweven, werden ver buiten de stadsgrenzen verkocht. Tot in het Turkse Istanbul toe.

Het is aan die weefcultuur dat de Wymysojers hun rijke klederdracht te danken hebben. Door de vrouwen werd elke dag een andere jurk gedragen, waarbij de kleur afhing van de belangrijkheid van de dag: op feestagen werd een ruteröök gedragen, voor bruiden was een blöweröök gereserveerd en bij rouw liepen de vrouwen in het wit.

Maar het meest typische was het ‘vrouwenkapje’. De vrouwen zetten dat hoofddeksel op zodra ze wakker werden. En daarna een tweede, en een derde. ‘Van minimaal drie tot maximaal zeven per dag, bovenop elkaar’, verduidelijkt Foks, terwijl ze een demonstratie geeft.

Vandaag zou Foks het niet meer aandurven met zo’n kapje over straat te lopen. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de traditionele klederdracht uit het straatbeeld verdwenen. En zo is Foks aanbeland bij een van de pijnlijkste periodes uit de geschiedenis van Wilamowice: de oorlog.

‘Van de Duitsers moesten we naar school komen. ‘Welke taal spreekt u thuis?’, vroegen ze. ‘Wymysoojs’, antwoordden we, maar daar hadden ze geen boodschap aan. We werden ondergebracht in de categorie Volksdeutsche.’

Voordelen waren daaraan, zeker voor de mannen, niet verbonden. De meesten werden tijdens de oorlog ingelijfd in het Duitse leger. Ook Foks’ man Stanislaw werd opgeroepen. Dankzij een speling van het lot zou hij het er levend vanaf brengen. Veel van zijn stadsgenoten waren minder gelukkig: liefst 58 mannen bleven in Rusland achter. Foks: ‘Die vervloekte Hitler.’

Voor veel inwoners moest het ergste toen nog komen. Na de oorlog werden ze door de Russen beschouwd als verraders. Zestig inwoners werden naar Siberië gedeporteerd. Twaalf van hen zouden nooit terugkeren.

Het heeft de Russen in Wilamowice niet populairder gemaakt. Nog erger waren de Polen.

De inwoners van de omliggende gemeenten maakten van de communistische machtsgreep gebruik om af te rekenen met hun buren. De beste huizen van Wilamowice werden ingepalmd door Polen.

Hoewel de Wymysojers – in tegenstelling tot de inwoners van de Duitstalige dorpen in de omgeving – mochten blijven, was het met hun cultuur afgelopen. De oudste inwoners herinneren zich nog hoe de pastoor in 1945 onder druk van de communistische autoriteiten vanaf de kansel hun taal en klederdracht voor dood verklaarde.

Niemand durfde toen nog in het openbaar Wymysoojs te spreken. Met de jaren werd het verbod versoepeld, maar de goede oude tijd keerde nooit meer terug. Omdat de jongste generatie de taal niet meer sprak, was de noodzakelijke tussenschakel voor het voortbestaan van de taal verbroken.

Ook aan de zelfgekozen quarantaine was inmiddels een einde gekomen. Er kwamen steeds meer Polen in Wilamowice wonen; gemengde huwelijken werden schering en inslag.

Foks: ‘Toen mijn zoon uit dansen ging met een meisje van een ander dorp, zei ik: mijn jongen, waarom ga je het zo ver zoeken. In Wilamowice zijn toch ook meisjes? Maar we hebben zijn keuze geaccepteerd. Wanneer mijn schoondochter op bezoek komt, spreek ik alleen Pools.’ Vandaag spreek ik alleen nog Wymysoojs met mijn man.

Foks is niet de enige die de toekomst van het Wymysoojs somber inziet. Ook Gara is pessimistisch. ‘Want behalve Tymoteusz en Justyna, spreekt niemand van de jeugd de taal nog. De jongeren in de zanggroep weten amper nog wat ze zingen. Ik ben een dinosaurus. Bye-bye!’ Gara maakt een wuivend gebaar met zijn hand.

Alleen de aparte mentaliteit zal waarschijnlijk overleven. De tuinen liggen er in Wilamowice verzorgder bij dan in de omliggende dorpen. En je kunt, naar verluidt, de deur van je wagen gewoon open laten staan.

En natuurlijk hebben ze hun moppen: ‘Weet jij waarom in de omliggende dorpen de huizen niet groter zijn dan vier verdiepingen? Dan hoeven ze Wilamowice niet te zien.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.