Een erg geelbleke Hollandse maagd

De woorden 'Naatje van de Dam' hebben voor veel, vooral oudere, Amsterdammers nog steeds een legendarische klank. Veelvuldig waren vroeger de verhalen over het foeilelijke standbeeld dat in 1914 moest wijken voor de aanleg van een trambaan voor de nieuw geïntroduceerde elektrische tram....

Han van Gessel

De Leidse hoogleraar geschiedenis Jan Bank rakelt de historie van het beeld op in het aardige en informatieve boekje Stads mecenaat en lokale overheid - Honderd jaar private en publieke kunstbevordering in Amsterdam 1899-1999 (Boekmanstichting; fl 20,- exclusief verzendkosten), een uitgebreide en aangevulde versie van de Boekman-lezing die hij vorig jaar juni hield. De Boekmanstichting is het studiecentrum voor kunst, cultuur en beleid in Amsterdam en is genoemd naar de socialistische wethouder Emanuel Boekman, die in de jaren dertig veel heeft gedaan voor de bevordering van kunst en cultuur. In het nieuwe stadhuis aan het Waterlooplein is een zaal naar hem vernoemd.

In Stads mecenaat en lokale overheid onderzoekt Bank hoe in verschillende perioden in de vorige eeuw bij de bevordering van de kunsten de verhouding lag tussen het Amsterdamse stadsbestuur en welgestelde burgers die zich als mecenas opwierpen. In het begin van de twintigste eeuw was de kunstbevordering vrijwel volledig het domein van particulieren. Na de Tweede Wereldoorlog begon de overheid zich meer en meer op te werpen als stimulator van de kunsten. Aan het eind van de eeuw werd het beeld gekenmerkt door een combinatie van particuliere en publieke ondersteuning.

De geschiedenis van Naatje vertelt Bank in de context van de gemeentelijke activiteiten rond de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898. Om de festiviteiten luister bij te zetten had het gemeentebestuur de stad rijkelijk versierd. Ook het standbeeld van Naatje had een feesttooi gekregen, en wel zodanig dat het grotendeels aan het oog was onttrokken, volgens boze tongen uit schaamte 'wegens gering uiterlijk schoon'.

Het beeld was in 1856 opgesteld als gedenkteken voor de vergeefse strijd die vrijwilligers in 1831 tijdens de Tiendaagse Veldtocht hadden gevoerd om de verzelfstandiging van België te verijdelen. Het stelde een vrouwenfiguur voor, die in de volksmond de naam Naatje kreeg toebedeeld.

Van meet af aan was er kritiek op de artistieke kwaliteiten van het monument. In 1889 werd die kritiek als volgt verwoord: 'Een erg geelbleek Hollandsch maagdje op een staak van een voetstuk, dat van boven opgesierd is met eenige kinderachtige stukjes beeldhouwwerk en beneden luistert naar den naam van fontein.' Dit laatste sloeg op vier leeuwenkoppen waaruit water kwam.

Na de feestelijkheden rond Wilhelmina's inhuldiging kwam er een discussie in de gemeenteraad op gang om het gedenkteken blijvend te verfraaien of een nieuw monument op te richten van een grotere artistieke waarde. Het gemeentebestuur krabde zich echter achter de oren, omdat het inzag dat een en ander alleen kon worden gerealiseerd met 'hoogst belangrijke sommen' gelds. De opknapbeurt ging niet door en het verval zette in. In 1905 brokkelde het beeld af; negen jaar later werd de genadeklap uitgedeeld.

Rond de inhuldiging van Wilhelmina speelde zich nog een interessante kwestie af in de Amsterdamse gemeenteraad: een andere plek voor De Nachtwacht van Rembrandt. In het Stedelijk Museum werd een grote Rembrandt-tentoonstelling georganiseerd, waarop voor het eerst een groot aantal werken - in dit geval 124 schilderijen - van één oude meester werd getoond. De expositie werd een doorslaand succes en er ontstond een discussie om De Nachtwacht blijvend in het Stedelijk Museum te exposeren. Het schilderij was per slot van rekening Amsterdams bezit, hoewel het in het Rijksmuseum was opgehangen 'als een soort altaarstuk aan de hoofdwand van een zaal die de vorm en decoraties had van een tempel'.

Bezoekers van het Rijksmuseum hadden veel kritiek op de gekozen lichtval, schrijft Bank. 'Volgens de toenmalige maatstaven moesten zulke schilderijen in zijlicht worden bezien. Zo was de situatie jarenlang geweest in het Trippenhuis, waar tot 1885 de rijksverzameling van schilderijen was tentoongesteld. Toen voor deze collectie een nieuw museum - het Rijksmuseum - werd gebouwd, kwam De Nachtwacht er hangen als in een heiligdom.'

Het college van B en W zegde de raad toe dat het zich zou inspannen om de meesterstukken van Rembrandt, die na beëindiging van de tentoonstelling in het Rijksmuseum waren teruggebracht, een betere plaats te bezorgen. Bank: 'Het zou nog wel even duren voor het zover was. In 1906, het Rembrandtjaar waarin de driehonderdste geboortedag van de kunstenaar werd gevierd, werd De Nachtwacht plechtig verhangen in een nieuwe ruimte in het Rijksmuseum met een feestcantate toe.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden