Een der gebenedijdste plekken

HOOGMOED is de estheet vaak niet vreemd. Er beantwoorden weinig mensen en zaken aan zijn hoge en verfijnde normen. De uitingen van verhevenheid, die ook zelfverheffing zijn, kunnen vaak snijdend zijn....

Met één groot gebaar van hoogmoed beledigde hij in 1908 zijn voorganger als directeur: hij sloot het museum een jaar, om orde op zaken te stellen. En dat moet voor hem hebben betekend: het uit de negentiende eeuw halen. Hij werd de dirigent van het museum, zoals hij dat van 1921 tot zijn dood in 1941 van het Rijksmuseum zal zijn. En als dirigent wilde hij slechts de grootsten uitvoeren. Voor de collectie die hij in Boijmans aantrof, had hij minachting: genieën ontbraken. Ook met die minachting beledigde hij zijn voorganger. Over hem zei hij ten slotte in een vraaggesprek: 'Hij kon zóó uit de Camera zijn gestapt.' En voor dat boek zal hij ook een lichte minachting hebben gehad!

Die voorganger heette Pieter Haverkorn van Rijsewijk. Hij was directeur van Boijmans van 1883 tot 1908. Zijn oordeel over wat hij in 1883 aantrof, was even vernietigend als dat van Schmidt-Degener over de collectie bij diens aantreden. En zowel de collectie als de inrichting die Schmidt-Degener in 1941 in Amsterdam achterliet, werd kort daarop sterk gekritiseerd. Musea worden zelden lang met rust gelaten. Schmidt-Degeners opvattingen leidden tot een 'aristocratisering' van de kunst, tot schoonheid als enige norm, tot aandacht alleen voor de allergrootsten, tot individualisering van de kunstbeschouwer ook: naar zijn ideaal moest men, voor het ware genieten, met het kunstwerk alleen zijn. In wat hij over beeldende kunst schreef, staat de schoonheid centraal, ook in zijn stijl. Hij vertoonde in alles het elitaire karakter van de estheet. In elk geval: hij was de hoofdbewoner van het Rijksmuseum.

Een zonder meer voortreffelijk stuk over Schmidt-Degener, geschreven door Ger Luijten, werd opgenomen in Het Rijksmuseum. Opstellen over de geschiedenis van een nationale instelling; het verscheen in 1985 als deel 35 van het 'Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek'. Men moet het lezen wil men zicht krijgen op Pieter Haverkorn van Rijsewijk, want alleen in de vergelijking toont zich de eigenheid.

Haverkorn kreeg nu zijn eigen boek, bijna tachtig jaar na zijn dood. Hij kreeg ook in zijn museum een eigen tentoonstelling, dat wil zeggen, een expositie van de werken tijdens zijn directeurschap verworven. Het boek toont aan, dat een groter tegenstelling dan tussen Haverkorn en zijn opvolger nauwelijks denkbaar is. Maar ook dit: Schmidt-Degener is een fascinerende man, Haverkorn is op zijn hoogst boeiend.

Haverkorn werd geboren in 1839, - het jaar van verschijnen van de Camera! Zijn vader was predikant. En ook de zoon was voor het ambt bestemd. Hij ging theologie studeren in Leiden. En daar werd J.H. Scholten zijn hoogleraar en zijn toekomst. Scholten - ook Busken Huet was zijn leerling - was de moderne richting toegedaan. Men kan zeggen dat zich in de negentiende eeuw in het protestantisme voordoet wat een eeuw later in het katholicisme zou gebeuren: het doorbreken van de orthodoxie en de aanpassing van de theologie aan de moderne wetenschappen (waarbij de theologie het aflegt, het geloof meestal ook). Veel dominees legden het ambt neer. Huet en Pierson zijn de bekendste voorbeelden. En zij werden voorgangers van een nieuwe Nederlandse cultuur. Wie in het ambt bleef was Haverschmidt, ten slotte gewurgd tussen het kinderlijk geloof van eens en het ongeloof van nu.

H AVERKORN was vier jaar predikant in Odijk. Toen legde ook hij het ambt neer. Dat was in 1868. En het geloof week uit zijn leven. Hij ging middelbaar geschiedenis studeren, maar werd geen leraar. Hij werd journalist, als Huet. Politiek gezien was hij liberaal. Hij kwam als toneel- en kunstrecensent te werken bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Alles leidt tot de journalistiek en de journalistiek leidt tot alles. In 1883 werd hij uit drie kandidaten gekozen voor het directeurschap van Boijmans. Zijn jaarsalaris was zeshonderd gulden. Dat hij tot 1891 in de krant bleef schrijven, hoeft dus niet te verwonderen.

In de zeventiger jaren had hij een en ander over beeldende kunst geschreven. Maar hij was geen kunsthistoricus. De 'officiële', academisch gevormde kunsthistoricus bestond overigens nog niet. Kunstgeschiedenis werd nog niet aan de universiteit onderwezen (Schmidt-Degener studeerde in Berlijn en Parijs). Als kunsthistoricus is hij altijd historicus gebleven en dat wil zeggen: een zeer feitelijke historicus (Dat waren de literatuur-historici van die tijd ook). Een man van grote verbanden of visies was hij niet. Hij was meer een administrateur. En het schaarse dat ik van hem las, geeft te vermoeden dat hij ook niet met de briljante stijl van Huet en Pierson, met hun beider eruditie ook niet, van de preekstoel was afgedaald. Hij was net iets te braaf, een beetje saai ook, denk ik. Zijn stoutmoedigheden lijken het best als ondeugendheden te kunnen worden omschreven.

Maar hij was - de pastoraal verloochende zich niet - een sociaal iemand. Ook in zijn kunstopvattingen. Met zijn tijdgenoten had hij de opvatting gemeen dat kunst een verheffende invloed kon hebben. Als hij estheticus was, was hij ook ethicus. Het museum zag hij ook als opvoedingsinstituut, voor arbeiders, voor kinderen ook. Men vergelijke Schmidt-Degeners ideaal van de eenzame toeschouwer voor het kunstwerk. Schmidt-Degener was ook tegen rondleidingen. En vooral tegen kinderen in het museum. Voor de echte estheticus gaat de kunst boven de mensen.

Heel hard werkend, want de directeur was nagenoeg het hele personeel, bleef Haverkorn tot 1908 aan Boijmans verbonden. Toen trok hij zich terug in Renkum. Daar schreef hij eerst, ook als een rechtvaardiging van zijn directeurschap, het boek Het museum Boijmans te Rotterdam.

De laatste tien jaar wijdde hij al zijn publicaties aan het werk van de door hem meest bewonderde schilder, Mathijs Maris. De burgerman die hij was, met alle innerlijke stijfheid van dien, was allerminst een liefhebber van realistische schilderkunst. De Haagsche School en het symbolisme van Mathijs Maris maakten hem van binnen zacht, om niet te zeggen vloeibaar. Het is een boeiende ongerijmdheid in zijn leven. Hij bracht ook in 1903 als eerste een Van Gogh in openbaar bezit. Hij had toch wel zoveel ongewone kwaliteiten, dat Schmidt-Degener steeds hoogmoediger wordt!

E EN van de taken van Haverkorn was de uitbreiding van het bezit. Hij had daarvoor een heel schriel budget. En bij het verwerven van moderne kunst was hij afhankelijk van de adviezen van een commissie. Man kan haast zeggen: hij heeft weinig kansen gekregen. Hij gaf, in elk geval voor afzonderlijke stukken, meer geld uit voor moderne kunst dan voor oudere. Oudere kunst was vooral die van de zeventiende eeuw, geheel in de geest van zijn tijd. Hij specialiseerde zijn aankopen in schilders die met Rotterdam te maken hadden. In het boek zijn reproducties opgenomen van bijna alle tijdens zijn directeurschap verworven schilderijen. Grote namen zijn er niet onder de zeventiende-eeuwers. De schilderijen hebben wel iets fascinerends: ze lijken allemaal op het werk van de beroemde schilders. Ze lijken misschien nog het meest op kopieën van hun werk.

Wie niet al te veel goeds wil, kan in de collectie een afspiegeling zien van Haverkorns geest, die in veel opzichten iets gemiddelds had en zeker geen topstuk was. Wat er van de schilderijen nog in de vaste collectie van het huidige Boymans-Van Beuningen aanwezig is, weet ik niet. Ik denk weinig. Maar dat is voor Haverkorn allerminst blamerend: er wordt heel veel voor het depot gekocht. (En een troost is, dat ook op de aankopen van Schmidt-Degener door de na hem komende generatie heel veel is afgedongen, zoals Luijten beschrijft.

Al heel vroeg ging Haverkorn over tot de aankoop van tekeningen en schetsen. En daarmee deed hij uiterst belangrijk werk, want de tekening was voor velen toch tijdelijk, naast de eeuwigheid van het schilderij. Hij blijkt in veel opzichten een grondlegger, ook in de door hem samengestelde catalogi. (Wat moet die man op zijn eentje hard gewerkt hebben, met als enig gezelschap een paar suppoosten, naar het lijkt, en daarvan wordt er één nog krankzinnig door drankgebruik. Wat moet je, als je salaris met een kwartje in de maand verhoogd wordt, mits je ook nog boodschappen buiten de deur voor de directeur doet).

HOE meer je over zijn werk leest, hoe meer respect je voor hem krijgt. Men kan zeggen: hij was een dienaar, misschien zelfs iemand met de geest van een bediende, Schmidt-Degener was een absolute vorst. Als Schmidt-Degener Mengelberg is, dan is Haverkorn een Cornelis Dopper. De eerste was een bevlogene, de kunsthistoricus als kunstkenner ook op grond van zijn eigen kunstenaarschap en als zodanig nu helemaal uitgestorven; de tweede was een realist, ook als kunsthistoricus. Hij schreef tenslotte meer over de lijst dan over het werk. Misschien heeft hij nu nog wel nazaten. Hij was tenslotte vooral een tevreden mens, om niet te zeggen een tevreden Hollander. En hij is zijn kudde blijven voorgaan.

Bij Haverkorns afscheid maakte Jan Veth - die heel grote en zo gelukkig partijdige criticus - een getekend portret van Haverkorn. Het is en profile; hij kijkt peinzend naar beneden, hij is kaal, maar de bakkebaarden hangen in volle glorie over de eeuwgrens heen. Hij moet een heel dunne huid hebben gehad, en dat ook geestelijk. Hij was snel gekwetst en is een groot deel van zijn loopbaan in de verdediging geweest en in wedijver met het Rijksmuseum. Hij heeft heel veel anderen als voorbeeld gehad en lijkt ook daarin altijd een zoon gebleven.

De tekening opent het boek. Meteen daarop volgt een biografische schets, gechreven door Joke Haverkorn van Rijsewijk en Evert van Uitert. En deze is vooral als schets van het geestelijk klimaat in de negentiende eeuw voortreffelijk. Haverkorn is een vertegenwoordiger van zijn tijd. Dat lijkt zijn identiteit te zijn. Hij heeft iets onpersoonlijks.

Lichtelijk komisch, want, naar het lijkt, in de geest van de hoofdfiguur, is een opmerking van Joke Haverkorn van Rijsewijk. Zij beschrijft een portretfoto uit 1917/1918. Zij schrijft onder meer: 'Hij schijnt definitief de pen uit handen te hebben gelegd, want in de rechterhand, tussen wijs- en middelvinger, houdt hij een sigaartje in plaats van een instrument om mee te schrijven.' Dat is niet alleen Nederlands met bakkebaarden, maar het roken van een heel klein sigaartje wordt hier bijna als een frivoliteit voorgesteld, de laatste, maar enige zwakheid van de geportretteerde. Ik vind dat eigenlijk heel protestant.

Verreweg het beste stuk uit het boek is van Saskia de Bodt. Zij schrijft over Haverkorn als museumdirecteur. Het stuk is heel goed gedocumenteerd en men krijgt niet alleen een beeld van Haverkorns werk, maar vooral ook van zijn mogelijkheden en moeilijkheden en daarmee van de hele structuur van een museum in de negentiende eeuw. En Haverkorn zelf krijgt erin ook zijn waarschijnlijk enige persoonlijke gestalte: die van directeur. En uiteraard wordt in het stuk heel wat van de kunstopvattingen van de negentiende eeuw zichtbaar. Juist doordat Haverkorn zo voortreffelijk gemiddeld was, was dat mogelijk. Voor een inzicht in een tijd hebben we de regels en niet de uitzonderingen nodig.

Maar in één opzicht is hij uitzonderlijk: hij was een generatie ouder dan wat de auteur noemt 'de vroege coryfeeën van de kunstgeschiedenis, met wie hij altijd in één adem wordt genoemd'. Hij was dus geestelijk jonger dan zijn geboortejaar te vermoeden geeft. En daarmee is de afkomst uit de Camera ongedaan gemaakt.

De andere stukken in het boek zijn wat schetsmatiger. Ik moet bekennen dat ik van het stuk 'Pieter van Haverkorn van Rijsewijk als schrijver en criticus' van Jan de Vries meer had verwacht. Als het beeld dat dit artikel geeft met de werkelijkheid overeenstemt, was Haverkorn als journalist en schrijver bijna niets, althans zeker niet noemenswaardig. Dat was hij als dominee ook niet. Hij wordt wel erg smal.

En dat was hij waarschijnlijk ook.

Het boek is merkwaardig ouderwets uitgegeven, naar kleur van papier, van reproducties, naar typografie. Alles lijkt al voorbij, voor je aan het boek begint. Ik sloot het en ik leek de deur van een kerkhof dicht te doen. Wat is Pieter Haverkorn van Rijsewijk dood.

Pieter Haverkorn van Rijsewijk 1839-1919, Dominee, journalist en museumdirecteur, onder redactie van Jan de Vries, Evert van Uitert en Saskia de Bodt, Amsterdam University Press, ¿ 65,-

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden