Een brein went nooit helemaal 'Ik zie aan zo'n coupe: mevrouw De Vries'

Hersenwetenschapper Dick Swaab gaat met pensioen, al werkt hij gewoon verder. Je bent je brein, vindt hij. En voor het nut van alles tussen opvoeding en wilskracht bestaat bitter weinig bewijs....

Onderzoekers van over de hele wereld maken gebruik van zijn Nederlandse Hersenbank. Hij schreef een monografie van ruim duizend pagina’s over de menselijke hypothalamus, honderden artikelen over hersenziekten als alzheimer, depressie, parkinson, huntington, MS en eetstoornissen, en doet onderzoek naar geslachtsverschillen in het brein.

Hoogleraar neurobiologie Dick Swaab (65) neemt donderdag officieel afscheid, maar werkt daarna gewoon door. Hij is bij het grote publiek bekend door zijn ontdekking van de ‘homokwab’, een vondst die hem bedreigingen en bommeldingen opleverde, en zelfs voor Kamervragen zorgde.

Toen, in 1989, werd hij gehaat omdat hij had ontdekt dat de hypothalamus van homoseksuele mannen er anders uitziet dan die van heteroseksuele. Later sloten transseksuelen hem in de armen omdat hij de oorzaak van hun geslachtsidentiteitsstoornis kon aanwijzen in het brein: transseksualiteit is geen fabeltje, het bestaat echt.

Swaab richtte in 1985 de Hersenbank op, ‘omdat het mij vier jaar kostte om de hersenen van vijf goed gedocumenteerde alzheimerpatiënten te verkrijgen. Sinds de oprichting hebben we drieduizend snelle obducties gedaan, zo’n honderd per jaar, dag en nacht.’

Alzheimer ‘loopt nu vanzelf’, maar ‘depressie en schizofrenie zijn moeilijk’. Hij zou graag meer donorweefsel hebben. Swaab: ‘Zodra er een psychiater of psycholoog bij betrokken is, is het lastig een obductie te regelen. Ze zijn niet getraind om dat gesprek te voeren. Bij psychologen is het extra moeilijk. Dankzij de scan weten ze nu eindelijk dat er een brein ís – vroeger kenden ze alleen een black box. Maar ze vinden het eng.’ Toekomstige donoren kunnen zich ook zelf aanmelden bij de Hersenbank.

Swaab doet nog altijd onderzoek naar transseksualiteit. In zijn top vijf staan ook depressie, alzheimer, seksuele differentiatie in relatie tot psychiatrische stoornissen (waarom lijden veel meer vrouwen aan depressies en eetstoornissen dan mannen, terwijl mannen veel vaker schizofrenie, autisme en ADHD hebben dan vrouwen?), en het Prader-Willi-syndroom.

Swaab: ‘Ken je dat? Dat zijn Michelinmannetjes die slap en klein worden geboren, maar beginnen te eten als ze anderhalf jaar zijn en daar vervolgens niet meer mee ophouden. Een heel zeldzame ziekte. We hebben hier vijftien breinen, het heeft me vijfentwintig jaar gekost om die te verzamelen. Het eerste nam ik in de jaren tachtig mee uit Boston. Ze komen van over de hele wereld.’

Hij neemt een slokje uit zijn ‘breinmok’. Op tafel liggen glazen plaatjes met superdunne, aangekleurde hersenplaques.

Hersenonderzoek is millimeterwerk. ‘Ik heb geen geheugen voor namen en gezichten’ zegt hij verontschuldigend wanneer we, niet voor het eerst, handen schudden. ‘Maar als ik een stukje brein zie, weet ik wel: ha, dat is mevrouw De Vries!’

U herkent iemand aan zijn brein, zoals een tandarts zijn patiënten aan hun gebit.

‘Ja. Ik herken de afwijking. We hebben hier natuurlijk veel hersenen met afwijkingen. Elk brein heeft zijn eigen verhaal.’

Went dat nou, hersenen uitnemen?

‘Nee, dat is altijd emotioneel. We krijgen mensen vlak na hun overlijden binnen, tussen de twee en zes uur daarna. Je maakt een snee achterin het hoofd, je haalt de hersenen eruit en je vult het weer netjes op, zodat voor de nabestaanden niet zichtbaar is wat je hebt gedaan. Maar het is toch ja belastend om te doen. En je staat ineens letterlijk met iemands hele leven in je handen. Want je bént je brein. Dat realiseer ik me elke keer weer.

‘Ik werd ooit gebeld door een transseksueel die me vertelde dat het academisch ziekenhuis in Groningen zijn lichaam na overlijden niet wilde hebben. Ze hadden er al genoeg. Wilt u het dan, vroeg hij aan mij. Hoe oud bent u, vroeg ik. Vijfenvijftig, zei hij. Nou, dan weet ik niet of ik dat haal, zei ik. Ik denk het wel, zei hij.

‘Twee weken later kreeg ik zijn hersenen. Hij had zich gesuïcideerd, en op zijn lichaam een brief voor mij achtergelaten. Dat was heel aangrijpend.’

‘Doodgewoon’ is de titel van de ‘uitburgeringscursus’ waarmee Swaab zijn afscheid viert. Want: ‘In de geneeskunde is veel aandacht voor het geboorteproces, maar nauwelijks voor het sterven.’ Voormalig minister van Volksgezondheid Els Borst en hoogleraar strafrechtwetenschappen Eugène Sutorius komen spreken over euthanasie, arts/schrijver Bert Keizer en cardioloog Ruud Koster over reanimatie, en hoogleraar klinische neurofysiologie Gert van Dijk over de protocollen rond hersendood.

Waarom vindt u aandacht voor het stervensproces zo belangrijk?

‘Ik vind dat elke Nederlander zo’n uitburgeringscursus zou moeten volgen, omdat sterven en de dood altijd onverwacht komen. Op zo’n moment beschik je niet over de informatie die je zou moeten hebben om goede beslissingen te kunnen nemen. Je moet er daarom van tevoren goed over nadenken.

‘Toen ik in het Binnengasthuis mijn eerste co-assistentschap interne geneeskunde liep, gebeurde er iets wat diepe indruk op me heeft gemaakt. Een patiënt die werd binnengebracht, kreeg ineens een hartstilstand. Die man heb ik gereanimeerd, zoals ons was geleerd, en hij ging weer ademen. Later kwamen zijn papieren binnen, en bleek dat hij een longcarcinoom had dat was ingegroeid in het hart. Ik heb nachtenlang bij hem gezeten om het sputum weg te zuigen zodat zijn benauwdheid verminderde. Ik had zo’n spijt dat ik hem niet dood had laten gaan. Hij is een paar dagen later op een heel moeilijke manier overleden.’

U hebt toen toch niets fout gedaan?

‘Nee, maar het zet wel een paar vraagtekens bij reanimatie. Tegenwoordig komen mensen er trouwens beter uit dan vroeger, met minder hersenschade. Ik denk er inmiddels ook wat genuanceerder over.’

U vindt dat medici de dood vaker moeten onderzoeken. Waarom?

‘Mensen zien nu een paar scans, en denken dan dat ze weten wat er aan de hand is. Het aantal obducties was al te laag, en neemt nog verder af. Te weing geld, te weinig tijd, te weinig mensen. Maar met een obductie kun je het medisch handelen controleren en kijken of de diagnose juist was. Bovendien komt met een obductie weefsel ter beschikking om onderzoek op te doen.’

Wat zie je op een scan niet en in de hersenen wel?

‘Neem bijvoorbeeld de ziekte MS. Vele veranderingen in hersenweefsel bij MS-patiënten werden pas gezien toen er obductie werd gedaan. Er gebeurt van alles in hersenweefsel dat er op de scan heel gewoon uitziet.’

Je bent je brein, zegt Swaab. Daar word je mee geboren, en daar valt niet bar veel aan te veranderen. Hij heeft net zo min iets op met het maakbaarheidsgeloof van de jaren zeventig – sociale omgeving en opvoeding bepalen wat we doen en wie we zijn – als met het maakbaarheidsgeloof van nu: het idee dat het louter een kwestie is van wilskracht en verantwoordelijkheidsgevoel om je gezond en fatsoenlijk te gedragen.

U zegt nog steeds: biology is destiny.

‘Toen ik begon, kregen moeders overal de schuld van: schizofrenie, autisme of homoseksualiteit, het kwam allemaal door de moeder. Geslachtsverschillen in gedrag zouden ontstaan door de druk van de maatschappij. Maar de enige omgeving die er echt toe doet, is de chemische omgeving in de baarmoeder.’

Toxische stoffen die de hersenontwikkeling beïnvloeden, komen in de baarmoeder terecht door het gedrag van de moeder: roken, drinken, drugsgebruik. Mensen in achterstandsituaties gedragen zich vaker ongezond dan mensen uit de hogere sociale klassen. Het is dus wel een maatschappelijke kwestie.

‘Gedrag van een zwangere vrouw is voor mij ook biologie. Sommige mensen komen makkelijker af van het roken en drinken dan andere. Dat komt door polymorfismen in het brein die te maken hebben met de chemische boodschappers in de hersenen.’

De sociale omgeving kan iemand met zo’n gevoeligheid helpen, de triggers voor dat gedrag weghalen of iemand trainen ermee om te gaan. Gedrag is beïnvloedbaar.

(Diepe zucht) ‘Iedereen weet dat je met drinken en roken de foetus beschadigt, en toch gebeurt het. Dus mensen die dat doen, kunnen er niet mee ophouden. Dat is een biologische kwestie.’

Iedereen weet dat? Denkt u dat?

‘Tegenwoordig wel. In mijn inaugurele rede, die ik dertig jaar geleden hield, zei ik al dat we de hersenen van onze kinderen al vóór hun geboorte beschadigen. Toen is er een Gezondheidraadscommissie ingesteld die alle factoren die verantwoordelijk zijn voor hersenbeschadiging op een rijtje heeft gezet, en is er een advies naar de minister gegaan.

‘Dertig jaar later blijkt dat menselijk gedrag vreselijk moeilijk is te veranderen. De basis daarvoor ligt in de biologie. Nicotine en alcohol zijn niet voor niets verslavende stoffen – tenminste, voor sommige mensen.’

Toch hamert de overheid op de eigen verantwoordelijkheid van mensen om gezond te leven.

‘Voor die maakbaarheidsgedachte vind je geen steun in hersenonderzoek.’

Je kunt mensen niet verantwoordelijk stellen voor de biologische erfenis waarmee ze worden geboren. Hoe zit dat met het gedrag dat daaruit voortvloeit?

‘Je kunt mensen niet moreel verantwoordelijk stellen voor de polymorfismen in hun brein die ervoor zorgen dat ze psychiatrische stoornissen hebben, of dat ze meer agressiviteit in zich hebben dan een ander. Of voor het feit dat ze een slechter functionerende prefrontale cortex hebben, en daardoor hun impulsen niet onder onder controle kunnen houden.

‘Dat wil niet zeggen dat je niet zou moeten behandelen of straffen. Maar dan moet je wel straffen hebben die effectief zijn.’

Effectieve straffen zijn er nu niet?

‘Dat weten we niet, want dat wordt niet onderzocht. Ik ken één recent Belgisch onderzoek naar het effect van een korte gevangenisstraf en een taakstraf. Beide hebben hetzelfde effect op recidive. De straf werd aselect toegewezen aan mensen die hetzelfde delict hadden begaan, de rechter had daar geen invloed op.’

Zonder rekening te houden met hun individuele achtergrond.

‘Dat hoeft helemaal niet. Zoals je pillen test, moet je straf testen. Dat is de enige manier om te kijken of de ene straf effectiever is dan de andere, en een rechtspraak te krijgen die evidence-based is.

‘In de psychiatrie is het net zo gegaan. Daar werd aanvankelijk ook gezegd dat je mensen met psychiatrische stoornissen niet groepsgewijs kon indelen omdat er daarvoor te veel individuele verschillen waren. Iedereen deed maar wat. Toen werd de DSM ontwikkeld, met al zijn psychiatrische categorieën, en zijn mensen gegroepeerd onder een DSM-diagnose.

‘Vanaf dat moment kon er gekeken worden welke behandelingen werkten en welke niet, en is de psychiatrie een wetenschap geworden. Ook justitie moet een wetenschap worden. Juristen zijn niet gewend om wetenschappelijk te denken. Dat moeten ze leren, en dat kan niet anders dan op deze manier.’

Uiteindelijk wilt u alle misdaden gerubriceerd zien in een soort juridische DSM, met de meest effectieve straf erbij. Het individu doet er dan niet meer toe.

‘Dat is in de geneeskunde net zo. We weten dat medicijnen bij verreweg de meeste mensen werken, maar niet bij iedereen. Heel soms overlijdt er zelfs iemand aan.’

Dat klinkt niet als een aanbeveling.

‘Nou, zeg maar hoe het dan wel moet. Er is geen andere weg.’

U krijgt niet veel bijval uit het juridische circuit, denk ik.

‘Uhhh (lacht) Ik denk dat ze daar de achtergrond niet voor hebben. Ze willen bijvoorbeeld ook in bepaalde gevallen het volwassenenstrafrecht laten gelden voor kinderen van 16 jaar.’

U wilt de leeftijd voor volwassenenstrafrecht juist verhogen.

‘De hersenen zijn uitgerijpt als je een jaar of 24, 25 bent. Het is logisch dat je alleen volwassen breinen volgens het volwassenenstrafrecht berecht. Als justitie daar goede, evidence-based argumenten tegenin kan brengen, laat ze die dan maar geven.’

Als de neiging tot crimineel gedrag in het brein aanwijsbaar is, kun je op den duur denken aan screening en preventieve behandelprogramma’s. Vindt u dat wat?

‘Dat hangt af van de concrete uitvoering. Maar in principe vind ik het een goede zaak. Het brengt onze kennis verder en het kan de volgende generatie helpen. Alles wat je doet, kan misbruikt worden. Maar dat is geen reden om op je handen te gaan zitten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden