Een berg aan zee, wat duinen eromheen

DE RUSSISCHE literatuur begint in 988', schrijft Willem G. Weststeijn in de inleiding op de door hem en Peter Zeeman samengestelde Spiegel van de Russische poëzie....

Dat ene gedicht benadrukt wat zelfs een oppervlakkige kennismaking met deze bloemlezing al duidelijk maakt: de Russische literatuur mag dan ruim een millennium oud zijn, de Russische poëzie is een betrekkelijk novum van krap twee eeuwen oud. Later opgetekende volkse curiositeiten van eerdere datum, een paar geestelijke liederen en een handvol zwoegende verzen uit de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw doen daar niets aan af. De Nederlandse literatuur, ja, de geboekstaafde Nederlandse taal begint met een krabbel en die krabbel is al poëzie, de Russische literatuur daarentegen krijgt pas betrekkelijk laat een gezicht in de poëzie.

Daar zijn allerlei verklaringen voor, van literaire en van cultuur-historische aard, die op zichzelf allemaal even aannemelijk en onderhoudend zijn, maar het grote mysterie ligt toch in wat er daarna gebeurt. Dat mysterie heet Aleksander Poesjkin en je kunt het nog wat oprekken door het, naar goed slavistengebruik, 'de Gouden Eeuw van de Russische poëzie' te noemen. Want ineens is ze daar, de Russische poëzie, fris en briljant, bevrijd van het getob met uitheemse versvormen en onwerkbare metriek. Van het werk van die paar onhandige achttiende-eeuwse verzenbakkers tuimel je, als je deze Spiegel netjes chronologisch leest, ineens de lusthof binnen die Poesjkin en, in iets mindere mate, Fjodor Tjoettsjev hebben aangelegd.

Weg is de aanstellerij, weg het gedoe, verdwenen de omslachtige en dan ook nog weinig verrassende beelden. ('t Leven is voor mij een reeks van folteringen', schrijft de achttiende-eeuwse dichter Aleksander Soemarokov, 'k Wil me uiten, schaam me, durf het niet,/ En ik weet niet wat ik wil of moet beginnen,/ Enkel dat ik doodga van verdriet'. En zo verder: er is ook geen enkele reden op te houden, als je eenmaal zo ver heen bent.)

Het is aardig dat je, als de genade van de terugblik je deelachtig is, die allereerste lente al tijdig kunt zien aankomen - in een speelse regel van Vasili Zjoekovski, zestien jaar ouder dan Poesjkin ('Zangen zijn een valse echo/ Van geruchten over jou!'), in de vrije babbeltoon die Konstantin Batjoesjkov, twaalf jaar ouder dan Poesjkin, zich permitteert, al doet Poeskins bijna-leeftijdgenoot Pjotr Vjazemski ('Trojka') dan ook weer voornamelijk aan Drs. P. denken.

Er is, ook bij ons, veel over Poesjkins kwaliteiten gezegd en er is, vooral de afgelopen paar jaar, ook veel van zijn poëzie in vertaling verschenen. Tot die tijd kon je er alleen maar opervlakkig mee kennismaken, door middel van een heel voorzichtige selectie die Aleida G. Schot lang geleden had vertaald. De integrale vertaling die W. Jonker iets meer dan tien jaar geleden van Jevgeni Onegin maakte, is terecht de hemel in geprezen en ze was voor wie geen Russisch leest een openbaring. Maar in deze Spiegel wordt Poesjkins uniciteit pas goed zichtbaar en de verpletterende indruk navoelbaar die zijn optreden in het begin van de negentiende eeuw in Russische literaire salons moet hebben achtergelaten.

In het spreken over de literatuur in het algemeen wordt gretig gebruik gemaakt van de landschapsmetafoor: de literatuur is als een landschap, met pieken, dalen en vlakten (over de ravijnen hoor je zelden, die krijg je alleen onder ogen als je hedendaagse damesromans of pamflettistische poëzie moet lezen). Als de Spiegel van de Russische poëzie in dat verband op te vatten is als een reliëf-atlas, dan is Poesjkin daarin een eenzame bergtop.

En een beetje een rare, ongeveer zoals een kind een berg tekent: je hebt een vlakte en daaruit rijst pardoes een hele hoge piramide op, met een scherpe punt en steile hellingen. Hoeveel aardige dichters er ook nu weer om hem heen zijn gezet, Poesjkin staat er een beetje verloren bij. Zijn tijdgenoot Jevgeni Baratynski slaat ook tamelijk vrijmoedig om zich heen - in een Bilderdijk-achtig gedicht dat met de regel 'De bossen fluisteren' begint, bijvoorbeeld: 'Een beek. Bevroren/ Het land. Herboren/ De boze wind/ Vlokkengewemel,/ En heel de hemel/ Is grauw getint.' Andermaal enzovoort; de weerberichten zijn onuitputtelijk, ook in de Russische poëzie. (Wanneer schrijft iemand eens een vergelijkende studie over de rol van het weer in de Nederlandse en de Russische poëzie?)

Aardige dichter, die Baratynski, al wordt het je door de eigenaardige vertaling moeilijk gemaakt zijn 'Het Stoomschip' te waarderen. Maar 't is geen Poesjkin. De berg wordt door de heuvels eromheen alleen maar hoger.

't Zit hem in de prosodie bij Poesjkin (hij trekt zich geen reet aan van de verplichtingen van een versvorm en toch zitten zijn verzen volmaakt in elkaar; de vorm heeft iets natuurlijks), 't zit hem in de thematiek, 't zit hem in de beelden - en, natuurlijk, de werkelijke kracht is dat die zich allemaal tegelijk aandienen.

Eén voorbeeld moet volstaan, het gedicht 'God, neem mij mijn verstand nooit af!', dat ik niet eerder in het Nederlands onder ogen had gehad. Alleen die eerste regel al is om uit je vel te springen van jaloezie: 'God, neem mij mijn verstand nooit af!/ . . ./ Niet dat ik dat verstand van mij/ Zo hoogschat, niet dat ik niet blij/ Mij daarvan scheiden liet.' Volgt een strofe over het geluk der dwazen, en nog een, als in een roes van zalige zotheid - en dan breekt het. De vierde strofe is meesterlijk: 'Maar tja, word maar eens gek: protest!/ Men zal je mijden als de pest/ En kerkeren in een hok,/ Je aan de ketting leggen, gek,/ En jou, net als een dier, door 't hek/ Opporren met een stok.'

Bij ons duurt het toch tot Tonnus Oosterhof voordat iemand zo vrij iets in de orde van 'Maar tja, word maar eens gek' schrijft, tot Gerrit Komrij voordat iemand zo'n beeld doodgemoedereerd uitwerkt. De tegenstelling uit de laatste strofe van het gedicht doet het nog eens dunnetjes over; het zingen van de nachtegaal en het ruisen van de bossen wordt gesteld tegenover '. . .'t krijsen van een kameraad,/ des nachtverplegers grove praat'.

Een berg aan zee, wat duinen eromheen, de aanzienlijke heuvel die Fjodor Tjoettsjev heet (een paar jaar jonger dan Poesjkin, veel ouder geworden). En dan, daarachter, toch weer zo'n vreemde, moeizame vlakte, een ribbeltje hier, een zandverstuiving daar, tot je bij de 'Zilveren Eeuw' bent aanbeland, aan het begin van de twintigste eeuw - de tijd van Anna Achmatova, Osip Mandelstam, Marina Tsvetajeva en met Aleksander Blok en die wonderlijke Velimir Chlebnikov er vlak achter. Van allemaal was er, dikwijls ook in zelfstandige bundels, al het nodige in het Nederlands voorhanden. Maar het is mooi dat het nu bij elkaar, naast elkaar, achter elkaar staat. Lezen wordt vergelijken, vergelijken herlezen, proeven waarderen.

Zo wordt duidelijk dat het van de Gouden naar de Zilveren Eeuw maar een hanenstap is. 'Het leven leven is geen wandeling', staat in de slotregel van Boris Pasternaks gedicht 'Hamlet', maar in deze bloemlezing de negentiende eeuw van de Russische poëzie oversteken wel. Innokenti Annenski, vroeg in de renaissance van de Russische poëzie van begin twintigste eeuw, is een innemende dichter; van hem verscheen ook al eens een bloemlezing in vertaling. 'Levenslot', bijvoorbeeld, is zo'n aangenaam en memorabel gedicht, met als laatste strofe: 'Je krachten aan boos zijn besteden,/ Je ergeren tot, vroeg of laat,/ Je dochter met langzame schreden/ Een kist volgt bekleed met brokaat.'

Maar de groten van vlak na hem, dat is toch andere koek. Het is aardig van de samenstellers dat ze daarna nog zo'n breed panorama presenteren van Russische poëzie uit de twintigste eeuw (en een beetje mal van de inleider om te zeggen dat de contemporaine dichters 'een sterke oriëntatie op taal' demonstreren 'en op de verrassende betekenissen die door woorden en woordcombinaties opgeroepen kunnen worden'). Het is mooi dat zo ook een experimentele dichteres als Ljoedmila Chodynskaja gecanoniseerd wordt, want het experiment is niet de meest in het oog springende eigenschap van de Russische poëzie.

Maar zo mooi en zo aardig als dat is, je blijft de schaduwen voelen. 'Oprechte tederheid kun je meteen/ Herkennen - die is schuchter, stil. . .' staat in een van de minder dramatische gedichten van Anna Achmatova: zie daar maar eens overheen te komen. 'Bitterheid waarbij bergen verweken/ En de machtige rivier verstart', aan het begin van haar 'Requiem'. Daarbij vervagen alle beschrijvende termen van poëtische landschappelijkheid.

De samenstellers van de Spiegel van de Russische poëzie hebben gebruik gemaakt van bestaande vertalingen van Russische gedichten in het Nederlands, die bijeen werden gesprokkeld uit eerdere bloemlezingen, uit tijdschriftpublicaties, uit bestaande uitgaven van werk van individuele dichters; soms zijn die oudere vertalingen herzien. Daar zijn talrijke nieuwe vertalingen van niet eerder voor ons beschikbare verzen aan toegevoegd. Zo gaat de Russische poëzie nu - zie Anna Achmatova - over 'In andermans handen' en hebben we - dank, dank - er 'genoeg binnen eigen bereik'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden