Een alfa in het vrije veld

Naam: Victor Westhoff (1916) IN: Beroep: plantensocioloog Titels: prof. dr. Ook: dichter en filosoof En: vreemde eend in de roomse bijt..

BIJNA 81 jaar is hij nu, Victor Westhoff, aartsvader van de plantensociologie in Nederland, maar hij beent nog in het tempo van een jonge god door zijn grote tuin in Groesbeek. De bezoeker moet namelijk goed beseffen dat er een zorgvuldige opbouw in zit.

Kijk, hier is eerst de helling met stinsenplanten, dan het eikenhaagbeukenbos dat hij zelf heeft ontwikkeld, want het was er niet toen hij hier dertig jaar geleden kwam, vervolgens het oorspronkelijke eikenbeukenbos, dan het grasland dat hij dertig jaar lang verschraald heeft en waar nu achteloos een breedbladige wespenorchis staat te bloeien, tegen de haag aan, waar hij wel struiken maar geen kruiden heeft geplant. Toch groeien die er nu volop. En dan heeft hij ook nog een vijver en een boomgaard en een ruige hoek.

Er staan nu 420 soorten planten in de tuin van Westhoff. Dat zijn er ooit 450 geweest want er gaan soorten weg en er komen nieuwe bij. Het zijn niet alleen wilde planten, want hij heeft ook cultuurplanten gepoot. Dicht bij huis overheerst de cultuur, verderop de natuur. Exoten staan er ook, dat mag gerust, als ze maar uit een vergelijkbaar biotoop afkomstig zijn. Het handhaaft zich allemaal, als je een beetje helpt.

Want een tuin moet je verzorgen. Een tuin waar je niets in doet, zoals die man uit Friesland beweert, die Le Roy, dat is geen tuin maar een wildernis met alleen zevenblad en brandnetels. Nu heeft Westhoff maar liefst twintig soorten Carex, het geslacht waar hij altijd een voorkeur voor heeft gehad. Daar is zelfs de slanke zegge bij, een soort die in Nederland verder alleen nog voorkomt in het Kastanjedal in Beek bij Nijmegen.

Liefde voor planten is hem als kind al bijgebracht door zijn moeder. Toen hij vier was, kwamen ze uit Nederlands Indië naar Nederland en gingen ze in Laren wonen. Zijn moeder had een herbarium van wilde planten uit de omgeving. Dat heeft hij later gecompleteerd en het wordt nu nog bewaard bij de Universiteit Utrecht, waar hij gestudeerd heeft.

Toen hij twaalf jaar was, kende hij de flora al vrij goed en toen hij als vijftienjarige lid werd van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, werd hij meteen gebombardeerd tot excursieleider. Dat is eigenlijk het meest bevredigende dat hij ooit heeft gedaan, excursies leiden, mooier nog dan doceren en schrijven. Duizenden mensen heeft hij rondgeleid, in Nederland en in Europa en elders in de wereld.

Als biologiestudent interesseerde hij zich al voor de samenhang in de vegetatie, de wisselwerking tussen bodem en klimaat en de planten die er groeien, en waarom bepaalde planten in gemeenschappen bij elkaar groeien en waarom die gemeenschappen veranderen als er iets aan de omgeving, het milieu, verandert. Toen hij 26 was, verscheen al zijn eerste grote werk, Inleiding tot de Plantensociologie, geschreven samen met Meltzer.

Toen hij dertig was promoveerde hij op een proefschrift over de vegetatie van de duinen en kwelders van de Waddeneilanden. Daarover had hij een manuscript in het Nederlands van duizend bladzijden, maar daarvan is alleen de Engelse samenvatting verschenen.

Tijdens en net na de oorlog werkte hij voor de ANWB want er was geen andere baan. Maar in 1947 werd hij universitair docent in Wageningen, toen kon hij de studie van de plantensociologie uitdragen. Daar heeft hij zijn eerste leerlingen opgeleid. Ies Zonneveld was daarbij, die nu al als hoogleraar met pensioen is. Kijk, dan word je oud, als je leerlingen met pensioen gaan.

Dat was een aardige tijd in Wageningen. Plantensociologisch kon hij iedereen aan het werk zetten want er was nog bijna niets in kaart gebracht. Zonneveld kreeg de Biesbosch want daar kwam zijn vrouw vandaan, de Zeeuw Beeftink kreeg de schorren, de Hagenaar Boerboom de duinen, Doing de bossen want dat wilde hij graag, en Maas uit Limburg de bronvegetaties. Ja, dat waren leuke tijden.

Na Wageningen heeft hij elf jaar gewerkt als hoofd van de afdeling Botanie van het Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek ten behoeve van het Natuurbehoud. Dat waren de mooiste jaren van zijn beroepsleven. Maar toch zei hij 'ja' toen hij in Nijmegen hoogleraar in de plantkunde kon worden. Want zo kreeg hij weer leerlingen.

We moeten namelijk weten: tien jaar lang waren er nauwelijks mensen opgeleid in de plantensociologie en dat kun je nu nog merken. Twintig doctorandi zijn bij hem in Nijmegen gepromoveerd. Er zijn nu heel wat leerlingen hoogleraar. Werger in Utrecht, Blom en Van Groenendael in Nijmegen, Sykora in Wageningen en Schouten in Ierland. Die laatste heeft bijna op zijn eentje de venen in Ierland gered. Dat is een ongelooflijke prestatie. Westhoff heeft daaraan bijgedragen door Schouten in Ierland te laten studeren, dat is misschien wel het belangrijkste dat hij gedaan heeft.

Hoewel, hij wil niet onbescheiden worden maar in de Nederlandse natuurbescherming heeft hij ook zijn sporen verdiend. In 1945 hield hij in Drachten een voordracht die de basis werd voor een nieuw natuurbeheer dat meteen na de oorlog door Natuurmonumenten is aanvaard en later ook andere organisaties. Westhoff vond dat je natuur soms moet beheren door gras- en rietlanden te maaien. Als je dat niet doet, gaan er waardevolle vegaties verloren. De Groningse bioloog Van der Windt heeft daar in zijn proefschrift uitvoerig aandacht aan besteed. Goed boek.

Voor zijn werk voor de natuurbescherming werd hij al in 1978 ridder Nederlandse Leeuw. Dat is maar een van de vele onderscheidingen die hij heeft gekregen.

Behalve wetenschappelijke literatuur heeft hij ook veel geschreven over natuurbescherming. Zijn belangrijkste werk ligt op een stapel, klaar om toegelicht te worden. Daarbij is uiteraard ook zijn beroemde werk Wilde Planten, de serie van drie dikke delen die hij met zijn medewerkers voor Natuurmonumenten heeft geschreven en waarvan er meer dan honderdduizend zijn verkocht.

Maar het meest verknocht is hij aan zijn standaardwerk over de plantengroei op de Waddeneilanden, dat hij samen met Van Oosten, bodemkundige en florist, in 1991 heeft gepubliceerd. Want aan dat boek heeft hij zijn hele leven gewerkt. Eigenlijk is het een vervolg op zijn proefschrift. Op de stapel liggen ook de drie inmiddels verschenen delen van de nieuwe serie De Vegetatie van Nederland.

In al die jaren voor de natuurbescherming heeft Westhoff de natuur in Nederland achteruit zien hollen. Paradijselijke gebieden zijn opgeofferd aan de werkverschaffing, de ruilverkaveling, de hoge landbouwproductie en de stadsuitbreiding. Daarom heeft hij ook kleine meningsverschillen binnen de natuurbescherming met Frans Vera, exponent van de natuurontwikkeling, snel toegedekt. Want natuurbeschermers moeten samen ten strijde trekken tegen de echte vijanden, de boerenorganisaties en de projectontwikkelaars. De boeren zelf kunnen er ook weinig aan doen, die moeten mee in het systeem. Maar de landbouwconsulenten en de ruilverkavelaars, die hebben Nederland verpest. En de werkverschaffing en de Dienst Uitvoering Werken (DUW) voor en na de oorlog, volstrekt zinloos om natuurgebieden op de schop te nemen en er dan niets mee te doen.

Veertig jaar is hij lid geweest van de natuurwetenschappelijke commissie van de Natuurbeschermingsraad. Dan kwam hij vaak ambtenaren tegen die zich niet eens konden voorstellen dat er mensen waren met belangstelling voor planten en vogels. Van de politiek heeft hij ook geen hoge dunk. De grote roofvogelsterfte door landbouwvergiften kwam ter sprake op een hoorzitting in de Tweede Kamer. Toen men sprak over toxische stoffen wezen de Kamerleden lachend naar Toxopeus. En toen men zei dat er ook uilen doodgingen, begonnen ze te gniffelen over Den Uyl. Kinderachtig. Beneden elk peil.

Samenhang, dat kun je eigenlijk wel een sleutelwoord in zijn leven noemen. Samenhang in zijn tuin, samenhang tussen planten, samenhang in de schepping. Hij is wel bioloog geworden, omdat hij het veld in wou, maar eigenlijk is hij een echte alfa. Daarom is hij ook dichter, literatuurliefhebber, kenner van muziek en schilderkunst, filosoof, wat is hij eigenlijk niet, erelid van de Mozartvereniging en lid van het Humanistisch Verbond, als student al voor de oorlog lid van een pacifistische woongroep.

Hij heeft altijd generalist willen zijn. Dat blijkt ook uit het geschenk dat hij kreeg toen hij 75 werd, zijn bibliografie, een overzicht van alles wat hij tot dan geschreven had, boeken, artikelen, gedichten. Daarin staan 487 bijdragen vermeld over botanie en taxonomie, 24 titels van levensbeschouwelijke aard en 43 gedichten.

Wat hij zeker niet is, is katholiek. Het christendom heeft namelijk een slechte invloed gehad doordat het de mens heeft geleerd neer te zien op de rest van de schepping. Als Christus zegt dat wij onze naasten moeten liefhebben, bedoelt Christus alleen mensen en geen dieren of planten. Toen Westhoff twintig was, kreeg hij een roman in handen die in Tibet speelde en die mededogen met alle schepsels als thema had. Dat was een boeddhistische roman en sindsdien is Westhoff boeddhist. Want het boeddhisme is geen godsdienst of, nog erger, een kerk, maar een wijze van leven. Die is erop gericht het lijden van jezelf en alle andere schepsels zoveel mogelijk te verminderen.

Vroeger was hij fel antipapist, nu veel minder. Hij heeft tolerante, ruimdenkende katholieken leren kennen die wel degelijk respect hebben voor de natuur. En het dient gezegd, aan de Katholieke Universiteit Nijmegen heeft hij als vreemde eend in de roomse bijt altijd volledige vrijheid van spreken en handelen gehad. In zijn sollicitiegesprek met curatoren werd niet eens gevraagd of hij katholiek was. Pas na zijn benoeming informeerden ze naar zijn geloof.

Ze waren opgetogen toen hij vertelde dat hij boeddhist was. Die hadden ze nog niet. Ze hadden al wel protestanten en joden maar nog geen boeddhist. Hij was een aanwinst voor de collectie. Dat vond hij eigenlijk wel leuk.

In de tuin heeft hij ook een ginkgo, een exemplaar van de beroemde Chinese boom waar hij trots op is. Want het is een heel bijzondere boom. Het is namelijk een van de heel weinige voorbeelden van een positieve invoed van een godsdienst op de natuur.

De ginkgo is een Chinese en Japanse tempelboom waarvan alle familieleden zijn uitgestorven. Alle andere soorten van zijn geslacht en zijn familie en zelfs zijn klasse zijn verdwenen. De ginkgo heeft het gered omdat het een tempelboom was. Dat is het aardige van de tuin van Westhoff, hij kan er uren over vertellen.

Piet van Seeters

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden