Doof kind kan met implantaat evengoed taalvaardig worden

Voor een slecht horend of doof kind hoeft taal geen probleem te zijn.Door Ellen de Visser..

Ellen de Visser

Wie niet goed hoort, leert niet goed praten. Slecht horende en dove kinderen lopen dan ook het risico problemen te krijgen bij hun taalontwikkeling. Jonge kinderen die niet of nauwelijks horen, en daarom niets aan een gehoortoestel hebben, kunnen sinds een jaar of tien een cochleair implantaat krijgen. Het elektronische apparaatje, dat deels in het binnenoor wordt geïmplanteerd, stimuleert de gehoorzenuw, waardoor er toch geluid kan worden waargenomen.

Zelfs als die implantaten op jonge leeftijd worden aangemeten, lopen kinderen aanvankelijk een taalachterstand op. Taalverwerving begint immers al vlak na de geboorte. Annemiek Hammer en Annemie Verbist van het Leiden University Center for Linguistics onderzochten of dove kinderen met een cochleair implantaat (ci) die achterstand kunnen inlopen. Over anderhalve week promoveren ze tegelijk op hun onderzoek.

Hun conclusie is overwegend positief: als ze naar groep 3 van de basisschool gaan, spreken kinderen die vóór hun 2de jaar een ci krijgen, vaak net zo goed als horende leeftijdgenoten. Die conclusie lijkt in tegenspraak met de bevindingen van Amerikaanse wetenschappers die eind vorige maand in de JAMA vaststelden dat kinderen met een ci, ook als die vroeg is aangemeten, toch achterblijven in hun taalontwikkeling.

‘De Amerikanen gebruikten de Reynell-test, die vooral taalbegrip meet’, verduidelijkt Annemiek Hammer, ‘terwijl wij hebben gekeken naar de taal die kinderen zelf produceren, en dan ook nog specifiek naar de complexiteit daarvan.’ Bovendien werden de kinderen in de Amerikaanse studie drie jaar gevolgd, twee jaar korter dan in de Leidse studie.

Hammer en Verbist onderzochten vijf jaar lang vijftig dove kinderen in Vlaanderen. Ze haakten aan bij een al lopende studie van de universiteit in Antwerpen, waarvoor sinds tien jaar tien kinderen met een ci worden gevolgd. De Leidse promovendi filmden de kinderen jaarlijks vanaf het moment dat ze een implantaat kregen. Dat was op een leeftijd van gemiddeld zestien maanden.

Verbist bestudeerde het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden: woorden die geen klemtoon hebben en niet erg opvallen in de zin, waardoor ze een goede maatstaf vormen voor taalontwikkeling. Ze constateert dat de ci-kinderen die voornaamwoorden weliswaar later leren, maar dat ze op 7-jarige leeftijd net zo veel voornaamwoorden produceren als hun leeftijdgenoten met een goed gehoor. Hoe vroeger de implantatie, hoe sneller het kind dat niveau bereikt.

Een ci kan al in de eerste levensmaanden worden aangebracht. Dat biedt voordelen, zegt Hammer: de periode waarin kinderen geen taal horen, blijft kort, en de periode waarin ze wél horen, wordt in die cruciale fase van taalontwikkeling langer, waardoor de taalgroei sneller gaat. Het brein van kinderen is op jonge leeftijd optimaal ontvankelijk voor taal, legt ze uit. ‘De neurale banen in de hersenen worden dan zo gelegd, dat ze de taal het beste kunnen leren.'

Hammer ontdekte dat de hoorleeftijd van groter belang is dan de leeftijd van implantatie. Ze analyseerde van alle ci-kinderen vijftig ‘spontane taaluitingen’ en bekeek hoeveel persoonsvormen ze produceerden. Drieënhalf jaar na implantatie bereikten de ci-kinderen het productieniveau van hun horende leeftijdgenoten, ongeacht hun leeftijd.

De kwaliteit van de gebruikte persoonsvormen blijft echter wél achter. Zo verzuimen ci-kinderen soms in de derde persoon enkelvoud een -t toe te voegen aan de werkwoordsvorm, of vergeten ze het hulpwerkwoord in ‘Hij moet zijn schoenen poetsen’. Hammer: ‘Horende kinderen maken dat soort fouten als ze 2, 3 jaar zijn, maar niet meer als ze 7 zijn.'

Hammer vermoedt dat die achterstand wordt veroorzaakt door omgevingslawaai, waardoor woorden die minder opvallen (omdat ze kort zijn of geen klemtoon dragen), niet worden opgepikt. Een cochleair implantaat levert weinig tot geen informatie over de lage frequenties in het spraaksignaal, en dat levert problemen op bij het verstaan van spraak in rumoerige situaties. ‘Thuis staat de tv aan, op straat is het lawaaiig, en in de klas kan de ruis oplopen tot 60 decibel. Daardoor missen ze net die subtiele verschillen in de spraak.’

Zij toetste haar hypothese door de ci-kinderen verledentijdsvormen te laten maken van regelmatige werkwoorden (‘werkt-werkte’). Vergeleken met horende leeftijdsgenoten brachten ze het er een stuk minder goed van af. Bij de onregelmatige werkwoorden (‘loopt-liep’) was dat verschil veel kleiner. De verleden tijd van een regelmatig werkwoord krijgt geen klemtoon, verduidelijkt Hammer, waardoor ci-kinderen die weinig opvallende woordgedeeltes vermoedelijk missen. Als aan de kinderen in stilte de verleden tijd van regelmatige werkwoorden werd voorgelegd, bleken ze die wel te herkennen, en snapten ze ook hun functie. Als ze echter zelf een verleden tijd moesten vormen, gebruikten ze eerder een voltooid deelwoord.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden