Dobbelstenen uit Romeinse tijd en Middeleeuwen zijn historische schatkamer, ontdekten deze antropologen

Archeologie

In Nederlandse musea en depots worden honderden dobbelstenen bewaard, van Romeins tot Middeleeuws en jonger. Een historische schatkamer, ontdekten twee Nederlands-Amerikaanse antropologen.

'Bij veel opgravingen worden gevonden dobbelstenen gemakkelijk terzijde gelegd, omdat het wel grappig is maar weinig aan de geschiedenis leek toe te voegen. Wij laten zien dat dobbelstenen belangrijke extra informatie kunnen geven.' Beeld Alamy Stock Photo.

In moderne ogen zijn ze onwaarschijnlijk primitief, de dobbelstenen van voor de Middeleeuwen, waarvan er in Nederlandse musea en depots zo'n twintig bewaard worden. De meeste zijn uit been gesneden, min of meer zeszijdig maar zelden een nette kubus. Oneerlijk? Het wordt nog erger. Vaak staan uitgerekend op de platte zijden de 1 en de 6.


'De reden kunnen we slechts naar gissen, al kan het simpelweg zijn dat zes stippen beter op de grote vlakken passen', zegt antropoloog Alex de Voogt van het American Museum of Natural History in New York. 'Wij denken tegenwoordig in kansen en statistiek. Maar dat bestond destijds nog helemaal niet.' Kansrekening, bedoelt hij, is een uitvinding uit de 17de eeuw. Niemand weet of de dobbelaar begreep dat de steen er veel toe deed, misschien bepaalden het lot en de goden wat de steen deed.


Samen met een collega van de universiteit van Californië in Davis schreef De Voogt net een uitgebreide analyse van een groot aantal dobbelstenen die archeologen in Nederland hebben opgegraven. Dat waren er al snel zo'n 250, waarvan er 110 voldoende gedateerd waren. Niet reusachtig veel voor een periode van het jaar nul tot de 19de eeuw. Maar ze vertellen samen wel een intrigerend verhaal dat een hedendaags potje mens-erger-je-niet nooit meer helemaal hetzelfde zal maken.

Extra informatie

Een verhaal, zegt De Voogt, dat archeologen best wat serieuzer mogen nemen. 'Bij veel opgravingen worden gevonden dobbelstenen gemakkelijk terzijde gelegd, omdat het wel grappig is maar weinig aan de geschiedenis leek toe te voegen. Wij laten zien dat dobbelstenen belangrijke extra informatie kunnen geven.' Het net in Acta Archaeologica gepubliceerde onderzoek van de Nederlandse dobbelsteencultuur valt bijvoorbeeld zo mooi in herkenbare periodes uiteen, dat omgekeerd een gevonden dobbelsteen een opgraving zou kunnen dateren.

Het waren vermoedelijk de Romeinen die de zeskantige dobbelsteen in de Lage Landen introduceerden rond het begin van de jaartelling. Ze zijn echter al drieduizend jaar daarvoor aangetroffen in Azië.

De vroegste Nederlandse dobbelstenen zijn, zeker in hedendaagse ogen, een allegaartje. Negen van de tien stenen zijn duidelijk afgeplat, er is veel variatie in grootte en de decoraties variëren: soms zijn het stippen, andere keren cirkels of zelfs cirkels in cirkels. In een opzicht zijn ze wel heel herkenbaar: de cijfervlakken zijn op dezelfde manier verdeeld zoals we dat tegenwoordig doen. Dat betekent dat tegenover de 1 een 6 staat, tegenover de 2 een 5 en tegenover de 3 een 4. Dit systeem van zevens, zeggen De Voogt en Eerkens, lijkt een dominante regel die het voor spelers gemakkelijker maakt om stenen te controleren en voor makers makkelijker om een aanvaardbare steen te maken.

Tussen het jaar 600 en 1100 zijn er in Nederland weinig archeologische vondsten, en dus ook weinig dobbelstenen. Daarna blijkt de dobbelsteen populair en wordt er kennelijk veel gedobbeld. Er zijn middeleeuwse documenten met spelregels voor dobbelen en bordspelen.

Spectaculairste ontwikkelingen

Pas vanaf ongeveer 1450 beginnen de gevonden dobbelstenen min of meer symmetrisch te worden, laat het nieuwe onderzoek zien. De stenen worden wat groter en uitgevoerd met stippen in plaats van cirkeltjes. Dat laatste, denken De Voogt en Eerkens, kan komen doordat de stenen voor die periode steeds kleiner waren geworden, te klein wellicht om cirkels op kwijt te kunnen.

De spectaculairste ontwikkelingen spelen zich af in de verdeling van de cijfers over de dobbelsteen. In de Oudheid is er een duidelijke voorkeur: het zevensysteem dat we nu ook kennen. Maar er is een periode tussen pakweg 1250 en 1450 dat vrijwel alle gevonden dobbelstenen opeens een heel ander nummersysteem gebruiken. Daarbij staat steeds de 1 recht tegenover de 2, de 3 tegenover de 4 en de 5 tegenover de 6, zodat de som steeds een priemgetal is (3, 7, 11). Uit een verkenning van Engelse dobbelsteendata blijkt min of meer hetzelfde. Kennelijk was in de Middeleeuwen het priemsysteem opeens helemaal hoe het hoorde. Maar het nieuwe systeem houdt geen stand. Na 1500 keert in de vondsten opeens het zevensysteem weer terug.

Waar die tijdelijke voorkeur vandaan kan zijn gekomen, De Voogt zou het niet weten. Maar een systeem is belangrijk, zodat spelers verdachte dobbelstenen makkelijk kunnen ontdekken.

Volgens de dobbelwetenschappers is dat vermoedelijk de belangrijkste motor achter de uniformering van dobbelstenen geweest: met een standaard dobbelsteen kan minder gemakkelijk gerommeld worden. Op dezelfde manier kan het zevensysteem ook eerlijker hebben aangevoeld dan het priemsysteem. Een steen waarvan alle tegenoverliggende nummers tot 7 optellen, lijkt regelmatiger dan een steen waar dat niet zo is.

Onze onnatuurlijke dobbelstenen

Op een moderne dobbelsteen tellen de vlakken die tegenover elkaar liggen altijd op tot 7: de 1 tegenover de 6, de 2 tegen de 5 en de 3 tegenover de 4. Hoe logisch is dat eigenlijk? Dobbelantropologen Jelmer Eerkens en Alex de Voogt deden een paar jaar geleden experimenten met Nederlandse kinderen, om uit te vinden of er zoiets als een 'natuurlijke' dobbelsteenconfiguratie bestaat. Daartoe kregen de deelnemertjes blanco kubusjes van klei en de vraag er een dobbelsteen van te maken door er met een potlood stippen in te prikken oplopend van 1 tot en met 6. De resultaten, verschenen in Archaeological Science, waren veelzeggend. Van de 192 ingeleverde stenen waren er slechts drie ingedeeld volgens de zeven-regel. Toeval, welbeschouwd, en vooral een aanwijzing dat de moderne dobbelsteen niet vanzelfsprekend is. Eerkens en de Voogt ontdekten nog iets anders. Liefst 79 van de ingeleverde kleidobbelstenen bleken volgens een simpel systeem genummerd: de 2 rechts van de 1, de 3 rechts van de 2, de 4 rechts van de 3, en daarna de 5 en 6 nog op de open boven en onderkant. Eenderde van alle stenen vertoonde dit rondom-systeem, dat vanzelf ontstaat als deelnemers het blokje op tafel of in hun hand hebben en nummers aanbrengen, eerst rondom en daarna de rest. Antropologen spreken dan van een productiebias: de gemakkelijkste manier om iets te maken geeft een sterke voorkeur in het eindresultaat. Voor fabrieksmatige dobbelstenen gaat die voorkeur niet op. In een tweede experiment met Amerikaanse volwassenen kwam dezelfde natuurlijke voorkeur voor het handige rondom-systeem ook naar voren. Een enkele deelnemer had overigens een heel originele methode om de vlakken met cijfers te vullen: hij zette 1 bovenop, wierp de dobbelsteen, zette een 2 op het volgende bovenvlak, enzovoorts. Toevalliger kon niet.

Dat gevoel voor symmetrie kan tegelijk hooguit intuïtief zijn geweest, zegt De Voogt. Het duurt nog tot eind 17de eeuw voordat wiskundigen als Blaise Pascal een rigoureuze kanstheorie opstellen, die laat zien dat elke kant van een nette dobbelsteen even vaak boven zal komen. 'Onafhankelijk bijvoorbeeld van eerdere worpen', zegt De Voogt. 'Er zijn heel wat mensen die dat nog steeds niet kunnen bevatten.' Een beetje zoals middeleeuwers geloofden dat de voorzienigheid bepaalde of ze zes gooiden of één, in plaats van zuiver toeval.

Met de kennis van de statistiek weten we nu dat het voor de uitkomst van een worp helemaal niets uitmaakt hoe de cijfers over de dobbelsteen verdeeld zijn, of er stippen of cirkels op staan en of ze van plastic, glas of ivoor zijn. Wat er toe doet is een nette symmetrische steen. Maar een vast patroon is daarmee nog steeds niet onlogisch, zegt De Voogt, omdat het stenen bijvoorbeeld makkelijker in één oogopslag controleerbaar maakt. Zoals bij veel cultureel overgedragen ontwerpkenmerken geldt dat een gemakkelijke regel vaak langer meegaat dan een ingewikkelde.

Wat dat betreft is de intrigerendste dobbelsteen in de Nederlandse collecties er een met een fout, waar geen 5 op staat maar wel tweemaal 3. Is het een vergissing? Een truc? Of hij gebruikt is, weet niemand. En waarom hij in die beerput in Amersfoort zat evenmin. Het kan ook allemaal toeval zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.