Interview Ate Kloosterman

Dna-onderzoeker Ate Kloosterman: ‘De perfecte moord bestaat straks niet meer’

Toon me je dna en ik zeg hoe je eruitziet. Die kant gaat het op, aldus Ate Kloosterman, een van de grondleggers van het forensisch dna-onderzoek in Nederland. Onlangs zwaaide hij af bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Foto ANP

Of hij zo snel mogelijk naar het ziekenhuis wil komen. De meeste mensen krijgen zo’n telefoontje liever niet, maar voor Ate Kloosterman is het die novemberdag 1988 precies het type verzoek waarop hij hoopte.

Twee weken eerder ontvoerde een onbekende vrouw een pasgeboren baby uit het Dordtse Merwedeziekenhuis. Totale paniek bij de ouders, massale zoekacties, het hele land leeft mee met de verdwenen baby René en zijn vader en moeder.

En dan, eindelijk, dat telefoontje. Na een tip doet de politie een inval bij een vrouw met een psychiatrisch verleden. Daar ligt een baby te slapen van wie de politie vermoedt dat het de kleine René is. Maar ja, hoe maak je dat hard?

Enter Ate Kloosterman. Voor de afgestudeerde biochemicus, werkzaam als wetenschappelijk medewerker bij het Gerechtelijk Geneeskundig Laboratorium (sinds 1999 het Nederland Forensisch Instituut), zijn het spannende tijden. In 1985 publiceerde het wetenschappelijk tijdschrift Nature een onderzoeksartikel dat nog altijd van invloed is. ‘Individual-specific ‘fingerprints’ of human DNA’, luidt de titel. Vrij vertaald: elk mens heeft uniek dna dat je kunt uitlezen. Al snel blijkt hoe nuttig die techniek is voor politie en recherche. Zo slaagt het NFI er in 1988 in om een verdachte van een reeks verkrachtingen nabij het World Trade Center in Amsterdam uit het beklaagdenbankje te krijgen, omdat zijn dna niet overeenkomt met de spermasporen die zijn gevonden bij de vrouwen. De analyse van het dna vindt dan nog plaats in Engeland, maar na die zaak gaat het roer om: Nederland moet dit werk zelf ook kunnen.

Ate Kloosterman

Pionier op het gebied van forensisch dna-onderzoek in Nederland.

Geboren op 25 september 1951.

1969-1976 Studie scheikunde aan de Universiteit Utrecht.

1989-2018 Forensisch wetenschapper bij het NFI.

2002 Cum laude gepromoveerd aan de medische faculteit van de universiteit van Santiago de Compostela.

2008-2017 Bijzonder hoogleraar forensische biologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Met een koelbox vol buisjes bloed, van de ouders en van de gevonden baby, verlaten Kloosterman en een collega het ziekenhuis. De perfecte testcase, weten de mannen, want mocht hun dna-analyse om wat voor reden dan ook mislukken, dan kunnen ze terug voor meer verse bloedmonsters. Bij een misdaad kan dat een heel ander verhaal zijn, zeker voor sporen van de dader.

In het lab blijkt al snel: een match. En zo krijgen de ouders van René zekerheid: dit is echt hun baby. Kloosterman: ‘Daarna is het hard gegaan met dna-onderzoek. Ongelooflijk hard.’

Het Reformatorisch dagblad van 4 november 1988. Foto Reformatorisch Dagblad

Stel, ik geef u een druppeltje bloed van iemand. Wat kunt u dan inmiddels allemaal over die persoon zeggen?

‘Of het bloed afkomstig is van een man of een vrouw. Hoe oud de persoon is, waarbij ik er maximaal vier jaar naast zit. Of de persoon blank is of van negroïde afkomst. Gedetailleerder onderscheid in huidskleur zit er ook aan te komen. Over de oogkleur kunnen we soms ook iets zeggen, al is dat bij sommige dna-profielen makkelijker dan bij andere. Hoeveel de persoon weegt...’

Dus u kunt in een druppeltje bloed zien of iemand 80 kilo weegt, of 180?

‘Nou, zo nauwkeurig niet. Maar je kunt wel zien of iemand genetische aanleg heeft voor obesitas, of voor kaalheid. Een ruwe profielschets van hoe iemand eruitziet op basis van zijn dna, daar gaan we wel naartoe. Sporenonderzoek is bovendien veel meer dan alleen dna. Op een plaats delict vinden we ook regelmatig kattenharen. Een van onze onderzoekers heeft in kaart gebracht of je die kattenharen kunt herleiden naar één specifieke kat. Dat gaat al heel aardig. Dus als de dader niet een eigen haar, maar een van zijn kat achterlaat, kunnen we misschien ook al op zijn spoor komen. Nog iets waarmee een NFI-onderzoeker bezig is: zaadjes van bomen identificeren. Als een verdachte dan zegt: ik was nooit in dat bos waar het slachtoffer is begraven, en wij vinden wel zaadjes in zijn jas die alleen bij die bomen in dat bos te vinden zijn, dan heeft die verdachte iets uit te leggen. Zo blijven de mogelijkheden van het sporenonderzoek groeien. Een moord die nu onoplosbaar is, wordt mogelijk over een paar jaar met nieuwe technieken toch opgelost. De ‘perfecte moord’, waarbij de dader op geen enkele manier ooit meer te vinden is, bestaat binnenkort niet meer.’

Toch heeft u ook weleens knarsetandend moeten toekijken hoe een zaak onopgelost bleef, omdat de rechter het forensisch bewijs niet overtuigend genoeg vond.

‘Ja, dit speelde onder meer bij een zaak waarbij iemand een handgranaat in een café had gegooid. Een leeg café gelukkig, maar toch wil je zo’n dader natuurlijk pakken. Om een handgranaat te ontgrendelen moet je een hendel induwen. Zeven seconden later ontploft-ie. Op die hendel vonden we dna. We waren heel tevreden met het dna-profiel: strak, enkelvoudig, duidelijk van één persoon, die de politie kon oppakken. Maar tijdens de rechtszaak zei de verdediging: onze cliënt lag eerder bij een vechtpartij in die kroeg al eens hevig bloedend op de grond. Dat was een feit, geen verzonnen verhaal. Zijn advocaat redeneerde: toen de granaat naar binnen rolde, is wat dna van de vloer op de hendel gekomen. De kans daarop leek mij zeer klein, maar ik kon het niet kwantificeren. De rechter oordeelde: tja, het valt niet uit te sluiten dat deze man onschuldig is, dus hij gaat vrijuit.’

Frustrerend?

‘Zo werkt de rechtstaat nu eenmaal. Ik baalde wel dat ik niet in getallen kon uitdrukken hoe onwaarschijnlijk het scenario was dat oud dna van de vloer op die rollende granaat zou plakken. Nu zou ik dat al beter kunnen, omdat er wereldwijd alweer veel meer onderzoek is gedaan naar de overdracht van dna van het ene voorwerp op het andere. Die cijfers misten we destijds nog. We doen nu onderzoek naar dna-overdracht op tiewraps, die inbrekers gebruiken om bewoners te demobiliseren. Sorry, dat is wetenschapsjargon voor vastbinden. Je vindt op zo’n tiewrap altijd dna van het slachtoffer, maar je wilt natuurlijk het dna van de dader hebben. Degene die de tiewrap heeft aangetrokken. Hoe groot is de kans dat iemand die een tiewrap aantrekt zijn dna achterlaat op dat plastic strookje, en hoe vaak vind je dna dat niks met de zaak te maken heeft? Daar doen we nu onderzoek naar. Hup, naar de bouwmarkt, allemaal tiewraps laten aanraken door medewerkers van het NFI, en weer door andere medewerkers laten aantrekken. We organiseren tal van dit soort experimenten. Zo slepen we ook weleens medewerkers door de gang van het lab; stagiairs of mensen die we niet zo aardig vinden. Nee hoor, dat laatste is een grapje. Maar we slepen wel echt medewerkers door het lab, dat kan nuttige kennis opleveren voor moordzaken waarbij een lijk is versleept. Waar pak je zo’n lichaam vast om het te verslepen? Die plekken zijn een goed startpunt om te zoeken naar sporen van degene die het gesleept heeft.’

Als iedereen bij het krijgen van zijn paspoort ook dna zou moeten afstaan: dat moet toch een droomscenario zijn voor iemand met uw beroep.

‘Momenteel bestaat zo’n databank alleen voor delinquenten die veroordeeld zijn voor zware misdaden. Meer mensen toevoegen aan de databank zou buitengewoon nuttig zijn voor opsporingswerk en voor identificatie van slachtoffers. Zo heb je bij een vliegramp nu altijd dna van familieleden nodig om slachtoffers met zekerheid te kunnen identificeren. Als ieders dna in een databank zit, hoeft dat niet meer. In Nederland zie ik geen bezwaren voor zo’n dna-databank, maar bij andere regimes lijkt het me minder wenselijk.’

Een koffiekopje van iemand van de oppositie achterlaten bij een moord. Valse getuigenis erbij. Klaar is Kees, opsluiten maar.

‘Dat werk, inderdaad.’

Foto ANP

Proberen daders u al met dna-sporen om de tuin te leiden?

‘Het is me twee keer overkomen dat daders aantoonbaar een peuk van iemand anders hadden achtergelaten op een plaats delict om ons op een dwaalspoor te brengen. Gelukkig is dna-onderzoek maar één element van het opsporingswerk, er is ook altijd steunbewijs nodig. Camerabeelden, getuigenverklaringen, telefoongesprekken, noem maar op. Forensisch sporenonderzoek wordt wel steeds belangrijker, en sommige criminelen zijn zich daarvan bewust.’

Moet ik nu denken aan criminelen die hun werk doen in een chirurgenpak met handschoenen aan en een mondkapje voor?

‘Dan zouden ze wel erg opvallen in het straatbeeld, denk je niet? Ik doel eerder op de vernietiging van sporen. Als ergens in Amsterdam iemand wordt neergeschoten, kun je de klok erop gelijkzetten dat er een uur later een brandende vluchtauto wordt gevonden. De daders willen zo al hun sporen wissen: haren, vingerafdrukken, zweet, bloed. Ik zeg altijd: zodra er een melding is van een schietpartij, direct de brandweer de weg op sturen. Dan kun je zo’n vluchtauto hopelijk sneller blussen, met een grotere kans op bruikbare sporen.’

U stuurde uw eigen dna onlangs in voor stamboomonderzoek, omdat u nieuwsgierig was naar het resultaat. Die commerciële bedrijven brengen je familiewortels in kaart. Denkt u dan niet: nu kan iemand mijn dna misbruiken? Bijvoorbeeld door het achter te laten op een plaats delict?

‘Nee, zo wantrouwend ben ik niet. En als je echt iemands dna wilt hebben, dan is dat vrij makkelijk. Een koffiekopje is genoeg. Dat stamboomonderzoek is trouwens zeer interessant: mensen leveren daar spontaan hun dna in, een goudmijn voor forensisch onderzoekers. Kijk naar het oplossen van de zaak van de Golden State Killer in de Verenigde Staten. Een onbekende man maakte zich in de jaren zeventig en tachtig schuldig aan een reeks moorden, verkrachtingen en inbraken. Onlangs pas kwamen ze hem op het spoor door dna van de dader te vergelijken met dna in zo’n commerciële database voor verwantschapsonderzoek. Je weet wel: van die websites waar je wat wangslijm instuurt en die je vervolgens informatie geven over je stamboom, soms tot eeuwen terug. Bij een van de mensen die deelnamen aan het stamboomonderzoek bleek er een gedeeltelijke match te zijn met het dna van de dader. Vervolgens bracht de politie de hele familiestamboom van die deelnemer in kaart, om te kijken of daar namen opdoken van eerdere verdachten of mensen die weleens verhoord waren. Zo kwam de zaak aan het rollen. De dader bleek uiteindelijk een oud-politieman.’

Verwantschapsonderzoek was ook cruciaal bij het oplossen van een aantal prominente zaken waaraan u meewerkte.

‘Absoluut, neem de zaak van Marianne Vaatstra, die in 1999 op 16-jarige leeftijd werd verkracht en vermoord in de buurt van het Friese dorp Veenklooster. Bij ruim achtduizend mannen in de omgeving namen we dna-monsters af. Allemaal volgens vast protocol, zodat we de analyse goed konden automatiseren. Al bij de eerste paar honderd dna-profielen kregen we het gevoel: we gaan deze zaak oplossen. Een gedeeltelijke match met het dna-profiel van een onbekende man die sporen had achtergelaten op het slachtoffer. Vervolgens is het nog een heel uitzoekwerk. Bij deze mannen moesten we ontzettend ver terug in hun familie, wel vijf of zes generaties, om het familieverband met de uiteindelijke dader te vinden. Puur wetenschappelijk gezien was het eigenlijk een anticlimax dat de dader zelf ook meedeed met het onderzoek, dus uiteindelijk vonden we hem direct.’

U gaat nu met pensioen. Welke onopgeloste zaak houdt u nog wakker?

‘De meeste zaken die me erg bezighielden, zijn opgelost. Andrea Luten, de Puttense moordzaak. Maar één grote zaak is nog steeds onopgelost. Nicky Verstappen, een jongen die in 1998 tijdens een zomerkamp bij de Brunssummerheide vermist raakte, en van wie het lichaam een dag later werd gevonden. We zijn nu bezig met een gigantisch verwantschapsonderzoek, waarbij 22 duizend mannen zijn opgeroepen om wangslijm voor dna-onderzoek af te staan. Die vergelijken we met sporen die op Nicky Verstappen zijn gevonden. Zelfs als de dader geen dna afstaat, kan dit belangrijke inzichten opleveren. Zo kunnen we bijvoorbeeld een spoor vinden waarvan je weet: hé, familie in de mannelijke lijn van deze persoon heeft dna achtergelaten op het slachtoffer. Dan breng je al die mensen in kaart, gaat nog ’ns met ze praten, en zo kun je toch verder komen. Ik ga met pensioen, maar zal deze zaak zeker in de gaten blijven houden. Ik heb goede hoop dat de dader uiteindelijk gevonden zal worden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.