verdwijnen van insectensoorten

Deltaplan moet insecten en vogels redden: ‘Dit keer gaat het wel werken’

Beeld Getty

Hoogleraar plantenecologie David Kleijn speelt een sleutelrol in het deltaplan voor de biodiversiteit om de ‘dramatische afname’ van insecten en vogels te keren. Dat is eerder geprobeerd, dus waarom zou het nu wel lukken? 

‘Ik geloof echt dat we dit keer wel het verschil gaan maken’, zegt David Kleijn, hoogleraar plantenecologie en natuurbehoud aan de Wageningen Universiteit, opeens, midden in het gesprek. Het gaat over Kleijns actieve deelname aan het Deltaplan Biodiversiteitsherstel, dat tot doel heeft om het verlies aan biodiversiteit om te buigen naar winst. Boeren, natuurbeschermers, Rabobank, de zuivelindustrie, de supermarkten, allemaal hebben ze het doel van de operatie onderschreven en zich verplicht tot inspanningen. Kleijn doet mee als vertegenwoordiger van het Netwerk van Nederlandse ecologen (NERN) en heeft een sleutelrol in de uitvoering. Her en der klonk kritiek: wetenschappers moeten niet meedoen aan dergelijke initiatieven die onherroepelijk leiden tot slappe compromissen. En zeker niet namens andere ecologen. ‘Maar’, zegt Kleijn, ‘er zit niets anders op. We hebben jarenlang zuiver wetenschappelijk vanaf de zijlijn geroepen wat er misging. Dat heeft helemaal niets opgeleverd. Onze invloed was nihil. Nu krijgen we de kans om onze kennis in de praktijk toe te passen.’

David Kleijn houdt zich bezig met biodiversiteit in agrarische landschappen. Hij doet onder meer onderzoek naar bestuiving en het belang van wilde bestuivers voor de voedselvoorziening. Juist over insecten zijn de berichten alarmerend. Recentelijk nog constateerden wetenschappers op basis van een overzichtsstudie dat er wereldwijd sprake is van een ‘dramatische afname’. Ze waarschuwden voor het massaal verdwijnen van insectensoorten in de komende decennia. Kleijn is voorzichtiger: ‘Het zorgwekkende is eigenlijk dat er heel weinig betrouwbare studies zijn die aantallen meten van insecten. En bijna alles wat we weten komt opvallend genoeg uit Nederland, Engeland en een beetje uit Duitsland.’

David Kleijn doet mee aan het Deltaplan Biodiversiteit als vertegenwoordiger van het Netwerk van Nederlandse ecologen.
Kneu. Carduelis cannabina Houdt van half open landschap, duinen, heide, akkerland met hagen. Broedt in lage struiken en struweel, in de buurt van kruidenrijke vegetatie. Zaadeter. Is vooral in het agrarische cultuurland flink in aantal afgenomen. Profiteert van zogeheten ‘vogelakkers’ met wilde planten en van kruidenrijke akkerranden. Beeld Getty

Maar er is wel iets aan de hand, dat is duidelijk. Om het even tot Nederland te beperken: ‘De negatieve trend is helder, dat kun je wel zeggen op basis van de informatie die er wel is. Van dagvlinders weten we redelijk goed wat er gaande is op basis van echte, getelde aantallen over een lange reeks van jaren. Zeventien soorten zijn recentelijk verdwenen en in vergelijking met 1992 worden er nu 43 procent minder exemplaren geteld. Daarnaast hebben we redelijk goede verspreidingsdata van bijen. Hier komen dezelfde patronen naar voren: een fikse achteruitgang. Van libellen weten we ook wel iets. Er was een toename sinds de jaren tachtig, door de verbeterde waterkwaliteit. Maar de laatste tien jaar is er weer sprake van achteruitgang. Dan zijn er nog de onderzoeken naar loopkevers in een paar natuurgebiedjes, die duiden op een forse afname.’

Over biomassa, de aantallen insecten, was tot voor kort haast niets bekend. Vandaar dat een Duitse studie vorig jaar zoveel indruk maakte, ook op Kleijn. ‘Een studie in Duitse natuurgebieden in een agrarische omgeving, dicht bij Nederland, waarin over een periode van dertig jaar systematisch is geteld: hoeveel zitten er nu eigenlijk?’ De conclusie: 75 procent minder insecten, biomassa, gewicht. In dertig jaar tijd dus. Kleijn controleerde het onderzoek, na kritische geluiden. Zijn conclusie: ‘Een prima onderzoek. Met schokkende uitkomsten, ook voor mij. Voor het eerst dacht ik echt: het is crisis.’ De Duitse studie was de directe aanleiding voor het initiatief van het ecologennetwerk voor het Deltaplan Biodiversiteitsherstel.

Grutto (Limosa limosa) Het overgrote deel van de Europese grutto’s broedt in Nederland. Heeft vochtige, kruidenrijke graslanden nodig met een goed bodemleven en insecten aan de oppervlakte. Late maaidata en kruidenrijke weilanden zijn een vereiste voor het overleven van jonge grutto’s. ‘Ambassadeur’ voor een natuurvriendelijke veehouderij. In 1960 waren er nog rond de 120 duizend broedparen, inmiddels zijn dat er minder dan 30 duizend. Beeld Getty

Hoe kan het eigenlijk dat er tot voor kort nauwelijks iets bekend was over insectenaantallen?

‘Ik vind dat zelf ook best ongelooflijk. Toen ik mijn promotieonderzoek deed, begin jaren negentig, was ecologie eigenlijk plantenecologie. Want planten zijn de basis, ze lopen niet weg, en er is ook geen factor gedrag, dus zijn planten veel makkelijker te bestuderen. Tot pakweg 2005 interesseerde bijna niemand zich voor insecten. Mensen die zich met insecten bezighielden werden gezien als rare vakidioten. Dagvlinders waren nog net acceptabel, want die zijn aaibaar. Zelfs in wilde bijen was bijna niemand geïnteresseerd. Dat is gelukkig omgeslagen. Vanwege de urgentie natuurlijk, maar ook omdat we nu veel meer technische middelen hebben om insecten te volgen. En omdat we nu in staat zijn om ingewikkelde datasets te analyseren. Ik heb goede hoop dat er nu wel het nodige gaat gebeuren in het kader van het deltaplan.’

Het is een van de redenen waarom David Kleijn enthousiast is over dat plan. Dat zoekt onder meer naar nieuwe verdienmodellen voor boeren en prikkels om zo biodivers mogelijk te boeren in plaats van zo goedkoop mogelijk. Kleijn: ‘Het gaat overigens niet alleen over boerenland, ook in natuurland en in de openbare ruimte kan nog veel verbeterd worden. We willen af van de eilandjes. Het beheer in boerenland, natuurreservaten en openbare ruimte moet niet tegen elkaar gaan werken. Idealiter is de landbouw naast een natuurgebied dan extensiever, met bijvoorbeeld minder dieren per hectare, minder bestrijdingsmiddelen, minder toegevoegde nutriënten. En minder opbrengsten. Dat kan alleen als dat financieel aantrekkelijk wordt gemaakt voor boeren.’

Gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) Komt nog veel voor in oude, gevarieerde, gemengde bossen en in duinbossen. Houdt van afwisseling. Open plekken, oude bomen, grasland, heide, kleinschalig boerenland. Holenbroeder. Hoogstamboomgaarden zijn favoriet, maar die zijn schaars geworden. Beeld Getty

Dit soort ideeën bestaan toch al heel lang? Er zijn in het verleden honderden miljoenen besteed aan agrarisch natuurbeheer. Uzelf kwam tot de conclusie dat dit niet of nauwelijks iets heeft opgeleverd. Waarom zou het nu wel lukken?

‘Precies omdat we het nu anders gaan doen. We gaan prestaties belonen en niet de maatregelen. In het verleden kreeg een boer betaald om een deel van zijn grasland later te maaien om de gruttonesten een kans te geven. Hij redeneerde dan: nou ja, ik heb daar nog een perceeltje liggen en dat maai ik dan wat later, dan kan ik nog wat geld binnenharken. Dat was het. En dat hielp dus niet. Omdat de gemiddelde boer het niet voor de grutto deed, en omdat er meer nodig is om weidevogels een kans te geven. We zijn nu een systeem aan het opzetten waarbij de prestaties tellen en de resultaten worden gemeten. En we laten de relatie zien tussen hun prestaties en biodiversiteit. Zodat een boer gaat denken: we moeten wel dit bepaalde waterpeil hebben op het land, anders komen die vogels niet.’

Slanke kegelbij (Coelioxys elongata) Parasitaire bij. Gebruikt dus andere bijensoorten als ‘waard’. Weinig over het land verspreide vindplaatsen. Aan de kust, op de hogere zandgronden, in het heuvelland. Recentelijk zeer weinig vondsten. Beeld Arnstein Staverløkk/ Norsk Inst

Uw voorganger als hoogleraar, Frank Berendse, stelde dat het deltaplan de sleutelproblemen negeert: het te kleine natuurareaal en een landbouw die extreem vervuilend is. Het enige wat helpt, is een stevig fiscaal beleid, waardoor milieubelastende producten duurder worden. De kritiek is ook dat over de noodzakelijke inkrimping van de veestapel en over landbouwgif niet gesproken wordt.

‘Tja. Op het moment dat wij gaan zeggen: 50 procent van het vee moet eruit, zijn we uitgepraat. Want landbouworganisatie LTO kan moeilijk zeggen: oké jongens, dat is goed. Zij vertegenwoordigen de boeren die dat vee hebben. Wat we wel zeggen: stikstof is een probleem. En wil je dat serieus aanpakken, dan moet je boeren met minder van buiten ingebrachte voedingsstoffen en meer met wat de beschikbare grond biedt. Minder intensief dus. En dan zeggen we erbij: dan moeten de boeren wel op een andere manier geld kunnen verdienen. Langs deze weg kun je ook een kleinere veestapel bereiken. Over bestrijdingsmiddelen wordt wel gesproken in het plan, maar indirect. Er staat dat er meer moet worden ingezet op biologische bestrijding en functionele biodiversiteit. Met andere woorden: meer gebruik maken van wat de natuur biedt. Insecten, vogels en schimmels kunnen ook een positieve rol hebben.’

Moshommel (Bombus muscuorum) Leefde in de vorige eeuw nog in heel Nederland, maar wordt nu bijna alleen nog gezien in het waddengebied en de delta. Prefereert kwelders, bloemrijke, natte graslanden, laagveengebieden en vochtige heidegebieden. Bloembezoek, onder meer: rode ogentroost, verschillende soorten klavers, kleine en grote ratelaar, vogelwikke.

Nederlandse boeren krijgen jaarlijks 750 miljoen euro uit Europa. Dat gaat vooral naar de intensieve landbouw, blijkt uit onderzoek van uw universiteit. Keer op keer wordt gezegd: gebruik dat Europese geld voor vergroening. Daarvoor is de politiek nodig. En minister Schouten vindt jullie Deltaplan prachtig, maar ze maakt er geen kabinetsbeleid van.

‘De minister heeft zojuist nog geld toegezegd voor onderzoek. Ik denk dat ze doet wat ze kan binnen de mogelijkheden die er in het kabinet zijn. Het heeft ook voordelen dat dit juist een maatschappelijk initiatief is.  Als Den Haag meedoet, loop je al snel tegen politieke grenzen aan. Bovendien oefenen we wel degelijk druk uit om het Europese landbouwgeld anders te besteden. En wij trekken nu samen op met LTO, de boerenvertegenwoordigers. Zij kunnen moeilijker dan voorheen zeggen: geef het geld maar direct aan de boeren, zonder verdere verplichtingen. Want ze hebben zich ook verbonden aan het deltaplan. Het ministerie faciliteert ons, zoals dat heet. Dat betekent ook dat ze iets proberen te doen aan de regelgeving als die onnodig, onlogisch is, of ongewenste prikkels geeft. Om een voorbeeld te noemen: ik wil dat het mogelijk wordt dat boeren bermmaaisel gebruiken als bodemverbeteraar op akkers. Dat kan nu niet, vanwege een oude regeling. Het mes zou aan twee kanten kunnen snijden: boeren kunnen bermen beheren en maaisel afvoeren, en ze hebben er ook nog iets aan. Nou, zo’n regeling moet je dus veranderen.’

Grauwe kiekendief (Circus pygargus) Zeldzame broedvogel in akkers. Vooral in Groningen. Door intensieve (nest)bescherming behouden als broedvogel (rond de veertig paar). Heeft een voorkeur voor open akkerland met graan, luzerne en braakliggende stukken. Roofvogel. Jaagt onder meer op veldmuizen, kleine vogels, sprinkhanen, grote insecten. Beeld Getty

Hoe groot is de kans dat er over vijf jaar weer wordt gezegd: er is veel geld gegaan naar het deltaplan, maar helpen deed het niet?

‘Nou, het mooie is juist dat we het allemaal op vrijwillige basis doen. Er is alleen wat geld voor de organisatie. Iedereen doet het uit enthousiasme. Dat werkt aanstekelijk. En er wordt niet alleen gepraat, we doen ook echt wat. Zelf maak ik een systeem om de resultaten te monitoren. Dan is het in elk geval mogelijk om over vijf jaar een discussie te voeren op basis van feiten. 

‘Er sluiten zich steeds meer partijen aan, ook waterschappen en gemeenten. Die deelname is niet vrijblijvend, alle deelnemers verbinden zich aan concrete actie. Zoals bijvoorbeeld: beter berm- of slootkantbeheer. En we delen volop informatie. Een promovendus van mij heeft de bijdrage van wilde bestuivers aan de zaadproductie van prei bekeken. Daaruit bleek dat de invloed van meer of minder bestuivers groter was op de productie dan meer of minder mest of irrigatie. Dat kun je delen met de agrarische sector: je hebt die wilde soorten nodig, en daar kun je iets aan doen. 

Boshommel (Bombus sylvarum) Kwam vroeger tamelijk algemeen voor in het gehele land, uitgezonderd Friesland en de kustgebieden. Is effectief uitgestorven, maar wordt nog incidenteel gezien in Limburg. Leeft bij voorkeur in bloemrijke graslanden, hagen en bosranden, en niet in het bos zelf. Foerageert onder meer op akkermunt, moerasrolklaver, hengel, paarse en witte dovenetel, rode klaver, veldlathyrus en heggenwikke. Beeld Getty

‘Ik werk ook aan een heel mooi project, helemaal in de geest van het deltaplan. In Zuid-Limburg proberen we in een gebied maatregelen te nemen die zorgen voor een beter landschap. Op een kansrijke plek in het Geuldal. Op beide flanken liggen soortenrijke habitats, maar veel van wat er tussenin ligt is ondermaats. We hebben alle partijen bij elkaar gebracht en gezegd: met relatief simpele ingrepen kan het beter. Dat betekent dat je op precies de goede plekken bloemenstroken inzaait bijvoorbeeld. Als je dan goed beheert knapt het hele gebied op. We gaan in de komende jaren meten wat het effect is. Ik doe dat onbetaald, met studenten, op vrije dagen loop ik soms te inventariseren. We zoeken nog wel financiering, maar het grappige is: omdat wij het onbetaald doen is het voor andere partijen ook makkelijker om mee te doen. Er komt enorm veel energie vrij. Ook daarom denk ik dat het dit keer wel gaat werken.’

Veldleeuwerik (Alauda arvensis) Fameus vanwege opgaande zangvlucht en minutenlange jubelzang hangend in de lucht. Soort van open landschappen. In vijftig jaar tijd met 95 procent in aantal afgenomen. Broedt bij voorkeur in grasland, maar ook in akkers, en in duinen. Jonge veldleeuweriken hebben 35 a 40 dagen nodig om onafhankelijk te worden. Die tijd is ze in de moderne landbouw nog maar zelden gegeven. Minder maaien, extensievere teelt en minder dichte gewassen zijn vaak genoemde remedies. Beeld Getty
Kustbehangersbij (Megachile maritima) Komt nog voor in de duinstreek, inclusief de waddeneilanden. In het binnenland nagenoeg verdwenen. Voorkeur voor warme en zandige plekken, zoals duinstruweel, warme droge hei en kalkgrasland. Nestelt in de grond, onder stenen bijvoorbeeld. Is onder meer gezien op planten als aardaker, gewone rolklaver, kruipend stalkruid, kattendoorn, zandblauwtje en vogelwikke.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.