Delft en de wereld vullen elkaar mooi aan

E EN DICHTER, en óók nog een programma. Zo leek Arjen Duinker zich te presenteren, toen zijn eerste bundel, Rode Oever, in 1988 verscheen....

Op een zeer absolute dag,

absoluut van helderheid en kleuren,

absoluut ook van vrijheid, te zien

wat is, zonder meer,

zodat alles zichzelf is,

zal ik, blaffend, zeker ten strijde trek ken.

Tegen de Inhoud.

Tegen de Persoonlijkheid.

Tegen de Essentie.

En alsof dat nog niet genoeg was, voegde hij daaraan toe: 'Bloed, bloed zal vloeien./ En mijn diepste wezen zal verheugd zijn/ bij deze slachting (. . .).'

Dat waren regels die indruk maakten. Menigeen zal zich hebben afgevraagd of er wellicht een nieuwe 'keizer' was opgestaan, want toon en houding deden nogal denken aan de manier waarop Lucebert, de oude 'keizer', in zijn 'Verdediging van de 50-ers', afrekende met de deftige 'letterdames' en 'letterheren', die het in de literatuur voor het zeggen hadden: 'Wanneer gij blake, rimbaud of baudelaire leest: hoort door onze verzen jaagt hun heilige geest: de blote kont der kunst te kussen onder uw sonnetten en balladen.'

Maar als dat al zo was, van wie kon Duinker dan de keizer zijn? Van nieuwe Vijftigers, die nu wel nieuwe Tachtigers moesten heten?

Dat konden, in die tijd, hooguit de Maximalen zijn, die onder het piraten-banier van Joost Zwagerman ten strijde trokken tegen 'de figuurzagende Biedermeiers van de vaderlandse poëzie', zoals de Maximalen hun gevestigde confraters plachten aan te duiden.

Nee, Duinker als voorman van welke groep dan ook, dat moest wel een misverstand zijn. Het was niet het enige. Dat hij ook maar iets met de Maximalen van doen had, of wilde hebben, was een tweede misverstand, al blijft zijn oudere collega Herman de Coninck, die zo lovend en enthousiasmerend over zijn werk schrijft, hem tot op de dag van vandaag als Maximaal betitelen.

En dat Duinker een 'on-Nederlandse' dichter zou zijn, die zijn Pessoa en Drummond de Andrade beter kende dan zijn Leopold, Bloem en Nijhoff, was dat geen derde misverstand? Tja, dat is wat ingewikkelder. Hier schuilt in elk geval een addertje onder het gras - in de persoon van de dichter en criticus Rob Schouten.

Schouten heeft Duinker bij alle waardering die hij voor zijn werk had, steeds ook een grote, té grote invloed van zijn Portugeestalige voorbeelden in de schoenen geschoven. In zijn bespreking van Duinkers laatste bundel, Het uur van de droom, ging hij zelfs zo ver te beweren dat je bij sommige buitenlandse dichters 'haast de passages kunt aanwijzen waar Duinker zijn woordkeus vandaan heeft gehaald'.

Dat kwam hard aan. Het mag dan waar zijn dat beïnvloeding een ingewikkeld onderwerp is in een tijd die kunstenaars geen pasklare vormen meer aanreikt. En het mag evenzeer waar zijn dat kunstenaars daarom terugvallen op 'vormen' van grote voorbeelden, die ze vaak in zich opnemen op het moment dat ze zelf aan scheppen nog niet toe zijn - wat die vermaledijde 'intertekstualiteit' van tegenwoordig zo lastig traceerbaar maakt - een en ander neemt niet weg dat Arjen Duinker even zijn wenkbrauwen fronst om Schoutens suggestie van 'bijna-plagiaat'.

'Pessoa en Drummond de Andrade worden altijd genoemd', zegt hij. 'Ik heb er niks op tegen dat hun namen vallen. Je zou kunnen zeggen dat ik verwant ben. Maar als je het, zoals Schouten, hebt over bijna na-apen of kopiëren of naschrijven, dan denk ik toch dat hij een uitermate beperkt idee heeft van hoe het in zijn werk gaat, tenminste hoe het bij mij in zijn werk gaat. Wat mij beïnvloedt. Dan kan ik namen noemen van veel meer schrijvers dan die hij aanwijst. Wel twintig of dertig. En niet alleen Spaans- of Portugeestaligen.

'Jezuschristus, waar haalt-ie het vandaan.'

Met een hoeveelheid bundels op zijn naam, die de contouren van een oeuvre zichtbaar maken, is Duinker een geliefd object geworden voor de kritiek. Ze wil eindelijk wel eens vat krijgen op dit werk. Maar dat is niet eenvoudig, wat des te merkwaardiger lijkt, omdat de taal die Duinker hanteert allesbehalve vreemd of ontoegankelijk is.

Wat hij schrijft laat zich met hetzelfde gemak lezen als de speelse circulaire Aapnootmies - waarvan reeksen in Hollands Maandblad werden gepubliceerd -, die hij in de jaren tachtig samen met de dichter K. Michel begon te schrijven, nadat ze elkaar in Groningen bij filosofie hadden leren kennen en Arjen Duinker, ver weg van zijn geliefde Delft, de verlatenheid bestreed met 'briefjes naar huis, naar vrienden'.

Die noodzaak om te schrijven is voelbaar gebleven in het werk dat hij sindsdien publiceerde: een roman, Het moeras, en vier bundels gedichten: Rode oever, Losse gedichten, De gevelreiniger en anderen en Het uur van de droom. Maar behalve dat hij vader werd van een dochter, is er het afgelopen decennium wel iets veranderd.

Zijn bewonderaars, de al genoemde Herman de Coninck, de Revisor-redacteur Kees 't Hart, de dichter Remco Ekkers en anderen zien hem als iemand die 'het feest van de zinloosheid' - de uitdrukking is van De Coninck - steeds aangenamer weet op te tuigen. Zelf zegt de dichter: 'Er is nu meer. De taal heeft zich wat uitgebreid. Daardoor is er iets meer dat ik kan schrijven, is er meer dat ik met plezier kan schrijven.'

Als een Delftse werktuigbouwkundige - hij is per slot van rekening een bèta - kan hij uitleggen hoe hij zijn gedichten máákt, regel voor regel tot het af is. En wanneer het af is, ja, dat is eigenlijk ook weer iets waar je niet moeilijk over moet doen. 'Als ik besluit dat het af is. Dat het goed is. Maar het kan voor mijn part ook te maken hebben met ernstige zin om een partijtje te biljarten.'

In die relativering, waarin en passant ook zijn vermeende programma sneuvelt ('ach, dat programma, het ging me in die zinnen Tegen de Inhoud, Tegen de Persoonlijkheid, Tegen de Essentie vooral om de hoofdletters), valt te beluisteren hoe weinig zijn gedrevenheid met Levensvragen, met Thema's, met Ideeën te maken heeft.

'Als ik een woord als 'logica' gebruik', zegt hij, 'en dat komt voor, dan is het voornamelijk omdat dat woord me op een bepaald moment te binnen schiet, het van pas komt, maar niet omdat ik me vragen stel aangaande de logica. Zo zitten mijn gedichten niet in elkaar.'

'Woorden komen terug', zegt hij, 'Woorden. Ik weet wel waar mijn uitleggers heen willen, ze willen weten hoe diep het allemaal gaat, maar het is een stuk simpeler. Je probeert gedichtjes te maken. Dat doe je, dat doe ik, denkend. En kijkend. En gebruik makend van de dingen die ik zie. En dan ontstaat er een gedicht of er ontstaat geen gedicht. Natuurlijk zijn er dingen die mij bezighouden, maar niet zoals men denkt. Ik schrijf niet met een vooropgezet plan. Ik heb het niet over de liefde, of over droefenis of over weet ik veel wat, al die dingen waarover gedichten zijn geschreven. Natuurlijk komt bij mij het woord liefde voor, of woorden voor welk gevoel dan ook, maar die begrippen zijn nooit dragers van mijn gedichten.'

Arjen Duinker heeft de musculatuur van een voetballer. Hij speelde lang bij het oude Concordia in Delft. Maar niet alleen om die reden roept zijn gestalte het beeld op van Herman Gorter. Ook in zijn poëtische houding, zijn muzikaliteit ('ritmiek', zegt hij, 'is me liever') en zijn vermogen om in de meest alledaagse dingen, handelingen, gebeurtenissen, flora en fauna iets van de verrukking van het zien tot uitdrukking te brengen, lijkt hij op de oude Tachtiger. 'KLIMOP' juicht het in zijn eerste bundel, 'ER GROEIT KLIMOP!// ik ben ver weg geweest// KLIMOP!/ ER GROEIT KLIMOP TEGEN DE MUUR!/ ER GROEIT KLIMOP TEGEN DE MUUR!/ OOOH! ZO GROEN'

W E SPREKEN elkaar in de Oranje Plantage in Delft, waar hij woont. Daar kan hij, omringd door computers - waarmee zijn vrouw als grafisch ontwerper handiger omspringt dan hij - zijn blik laten weiden over De Schie. Soms komt er mét de vrachtboten de poëzie voorbijgevaren. 'Die namen alleen al', zegt hij opgetogen, 'Linquenda, Vagari, Spes mea. . . Prachtig.' Zo is hij, in alles wat hij opmerkt zit de vrolijke toon van een soort linguïstisch enthousiasme, dat hij - als de moeilijke klippen van zijn poëtica zo goed en zo kwaad mogelijk zijn omzeild - nog eens benadrukt door de prachtigste, Chinese, Afrikaanse en Papoea-woordenboeken uit de kast te halen.

Zijn werk sleept je mee, intrigeert, of hoe je het ook wilt noemen door iets wat al heel lang eigen is aan de moderne poëzie, het streven om een vermoede (en misschien ontleende) poëtische vorm zo met taal te vullen dat er een ritmisch gemoduleerd geheel ontstaat, waardoor de dichter als het ware één wordt met zijn gewaarwordingen, zijn gevoelens, de sensaties die in het meest nietige, maar ook dan nog volstrekt onbegrijpelijke besloten liggen.

Het esthetische, dat zo poëtisch wordt getoonzet, is niet gegeven, ligt niet klaar, maar wordt op de buitenwereld veroverd, zoals in zijn lange gedichten over de Delftse 'Gistfabriek' (door Schouten abusievelijk naar Rotterdam verplaatst) en 'De uren', die sommigen aan Awater of Het uur U van Nijhoff, en zelfs aan de Mei van Gorter deden denken.

- Kees 't Hart schreef in 'De Revisor' dat voor jou alles bruikbaar is, álles poëtisch materiaal is, maar is dat wel zo?

'In theorie wel, in de praktijk niet. Voor mij is alleen bruikbaar wat ik in mijn idioom of taal kan binnenhalen. De rest kan ik niet gebruiken. En dat is nogal wat. Er is heel veel niet bruikbaar voor mij. Dat heeft met woorden te maken. Tot nu toe vindt - hij wijst om zich heen - een woord als computer bij mij geen plaats. Het past niet.'

- In het lange gedicht 'De uren' lijkt sprake van een tamelijk traditonele ordening: de tijd én de ruimte, in dit geval een plein.

'Op het plein kon ik regels kwijt.'

- Pardon?

'Op het plein kon ik regels kwijt. Handelingen, gebeurtenissen, gebeurtenisjes, want zo klein zijn ze. Ik ben een liefhebber van pleinen, maar belangrijker is dat het plein de gelegenheid schiep voor het gedicht. En die tijd. . . Het moest 'De uren' heten, omdat ik de titel van de bundel al had vastgesteld: Het uur van de droom. Dat de tijd daar een rol in zou spelen, volgde daaruit.'

- Ondanks je reactie op Schoutens kritiek valt niet te ontkennen dat er door je gedichten, zeker de vroegere, een aangename zuidenwind waait. Wat heb je met het zuiden?

'Nou ja, ik ben er veel geweest. Ik hou ervan, maar de laatste zes jaar heb ik Spanje en Portugal niet meer aangedaan. Wat me in exotisch opzicht interesseert, heeft zich aanzienlijk uitgebreid. Dat waait alle kanten op. Ik luister even graag naar een mooi bandje met Mongoolse muziek als naar Monteverdi of het machtige strijken van de Marokkaanse sjig Sawt Al Jamal. De poëzie sluit daarbij aan. Niet alleen Spaans- of Portugeestalig, ook Afrikaans, Chinees, Amerikaans.'

- En Nederlands?

'Heel weinig, daar voel ik me niet mee verwant.

- Is dat niet eigenaardig voor iemand die zo Delfts is als jij?

'Die dingen vullen elkaar aan, om het wat boud te zeggen: Delft en de wereld vullen elkaar mooi aan.'

- Is niet een probleem voor je uitleggers dat jouw gedichten zich zo lastig laten interpreteren. Dat er nauwelijks van 'herkenning' voor de lezer sprake is?

'Dan had ik ze niet hoeven schrijven.'

- Je wilt iets anders.

'Ja, maar wat? Waarom schrijft de mensch? Om mooie dingen te maken. Ik hou van mooie dingen.'

- Je bent dus gewoonweg een estheticus. Iemand die van mooie dingen houdt en mooie dingen wil maken?

'Misschien wel. Maar als je het zo zegt, klinkt het alsof daarmee alles gezegd is. Alsof ik al weet wat mooi is, terwijl het steeds opnieuw ontdekt moet worden. Goed dan, het gaat mij niet om mooie dingen; het gaat mij om sterke dingen, om krachtige dingen, om sublieme dingen.'

Willem Kuipers

Arjen Duinker: Het uur van de droom.

Meulenhoff; 54 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 290 5370 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden