De zwier en praal van onze taal

De Leidse historicus Johan Huizinga (1872-1945), auteur van het meesterwerk Herfsttij der Middeleeuwen (1919), was in 1936 de feestredenaar in Gent bij het vijftigjarig bestaan van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde....

Han van Gessel

Hij wilde zijn gehoor vooral wijzen op de bijzondere rijkdom van het klankstelsel in het Nederlands. 'De enkelvoudige klinkers zijn zuiver en helder van toon, elk met zijn duidelijke variatie van open en gesloten klank, de korte o nog bovendien met de variatie van ò en ó: spot en bot. De tweeklanken voegen daar een reeks van fijne nuances aan toe, zoo rijk als het palet onzer schilders; waar vindt men naast ou, ui, eu, ie nog ieuw en eeuw? (. . .) Men moge ten volle bereid zijn, het Duitsch een voorrang te laten van sonoriteit en vormkracht, het Zweedsch van kleur en bewegelijkheid, het Nederlandsch doet phonetisch voor geene andere onder.'

Dat hetzelfde ook anders onder woorden kan worden gebracht, had de schrijver Jacob van Lennep (1802-1868) bijna een eeuw eerder laten zien. Zijn Vermakelijke spraakkunst (1865) liet hij voorafgaan door een lofdicht op de Nederlandse taal, dat inzette met de regels:

Geen Engelsch, Duitsch of Fransch,

Geen Russisch of Japansch,

Verwint in zwier of praal

De Nederlandsche taal.

Vaak wordt gedacht dat Nederlanders weinig op hebben met hun taal. 'Taaltrots is in ons taalgebied voorbehouden aan de Vlamingen en ook nog aan wat Friezen. Die mening klopt niet helemaal.' Dat zegt de Nijmeegse hoogleraar dialectologie A.M. Hagen in zijn voorwoord tot O schone moedertaal, een bonte verzameling lofzangen op de Nederlandse taal vanaf 1500 (Contact; ¿ 29,90). 'De hier bijeengebrachte teksten en documenten laten zien dat het Nederlands vijf eeuwen lang in vele toonaarden bezongen is. En niet alleen in de Zuidelijke, maar ook volop in de Noordelijke Nederlanden.'

Hagen, die half december afscheid nam van de Nijmeegse universiteit en zijn afscheidscollege wijdde aan de lofzangen op de Nederlandse taal, bracht in het boek teksten bijeen die een beeld geven van de wijze waarop in vroeger eeuwen door schrijvers en geleerden het Nederlands werd bejubeld. Die lofzangen zijn, schrijft hij, tot op de dag van vandaag 'doorzinderd van waardering en liefde'. 'De toon was niet zelden bombastisch, nationalistisch, chauvinistisch, strijdbaar of sentimenteel.'

Vooral in de negentiende eeuw werd het verheerlijken van de taal gebruikt als middel om vaderlandslievende gevoelens wakker te roepen. Na de Franse tijd zette Nederland zich schrap om zich op te stoten in de vaart der volkeren. Op taalgebied liet iemand als de Leidse hoogleraar Matthijs Siegenbeek (1774-1854) zich niet onbetuigd. Hij was al op 23-jarige leeftijd hoogleraar geworden in de 'Hollandsche welsprekendheid' en was daarmee de eerste hoogleraar in de Nederlandse taal. Om dat te onderstrepen ontwierp hij in 1804 de spelling-Siegenbeek, die tot de spelling van De Vries en Te Winkel uit 1863 stand zou houden.

Bij verschillende gelegenheden roemde Siegenbeek de in zijn ogen meer dan voortreffelijke eigenschappen van het Nederlands, ook in vergelijking met het Frans, dat bij de elite populair was. 'De Nederduitsche taal zal zich, bij een onpartijdig onderzoek, tevens als rijk en als voortreffelijk aan ons voordoen, en dus in alle opzigten den hoogsten lof blijken waardig te zijn.'

Siegenbeek was van origine predikant en dat liet hij meer dan eens blijken bij zijn benadering van de taal. Hagen: 'Voor de vaderlandse deugden en eigenschappen voert Siegenbeek taalkundige bewijzen aan. Zo zegt hij bijvoorbeeld dat men de zucht tot onafhankelijkheid of de geest van betamelijke vrijheidszucht weerspiegeld vindt in onze zinsbouw, die lang niet zo streng is als de Franse. Voor de Nederlandse redenaar en dichter is deze vrijheid een groot voordeel.'

De dichter Hieronymus van Alphen (1746-1803) vond de Nederlandse taal bij uitstek geschikt voor de dichtkunst: 'Zij is zagt, vloeiend, deftig, edel, rijk, kragtig, duidelijk, zinnelijk: in één woord, zij heeft al die vereischten, welke noodig zijn aan eene taal, zal zij een goed werktuig zijn voor den digter, om zijne gewaarwordingen medetedeelen.'

Dat blijkt wel uit de golf van poëtische lofzangen die in vroeger eeuwen over de Nederlandse taal werd uitgestort. Een fraai voorbeeld is het gedicht 'Onze Taal' van de Amsterdamse dichtende arts Jan Pieter Heije (1809-1876). Het eerste couplet luidt:

Neêrland! was uw arm van staal,

't Hart was zacht en mild en goedig;

Zoo ook huwt zich, vroom en moe dig,

Kracht en teêrheid in uw Taal!

Kan ze in wilde stroomen bruisen,

Plettrend, waar zij weêrstand vindt -

Streelend ook als lentewind

Kan ze fluistren, kan ze suizen,

Waar zij, in 't bekorend lied,

Deugd en schoonheid hulde biedt.

'In vroeger eeuwen wist de moedertaal de dichtader werkelijk vervaarlijk te doen kloppen', schrijft Hagen. 'Die galm klinkt nu niet meer. Dat de grote woorden over de taal voorbij zijn, wil zeker niet zeggen dat ook de warme woorden verdwenen zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden