De zure druiven van Alfred Nobel

De bekendmakingen in Stockholm stellen elk jaar de onderlinge verhoudingen in de wetenschap weer op de proef..

Dit jaar wint de Nederlands-Belgische maagzweerdeskundige Guido Tytgatnét niet de Nobelprijs voor Geneeskunde. Pijnlijk, maar zo gaat heteigenlijk altijd bij de bekendmakingen in Stockholm. Er zijn nu eenmaalmeer verliezers dan winnaars. En erover klagen doe je niet

Je moet stilzitten als je geschoren wordt, luidt een oud en wijsgezegde. Maar als het om de hoogste eer in de wetenschap gaat, kan tochniet iedereen dat opbrengen. Neem Ray mond Damadian, oprichter en directeurvan Fonar Corp. in New York, een bedrijf in medischebeeldvormingstechnieken. Damadian schopt ruzie sinds hij de Nobelprijs voorGeneeskunde 2003 niet kreeg. Met iedereen.

De van origine Armeense fysicus en ondernemer ontplofte bijkans toen datjaar de Nobelprijs ging naar de Amerikaan Paul Lauterbur en de Engelsmansir Peter Mansfield. Voor hun werk aan MRI-scanning voor medischetoepassingen, nu een standaardtechniek in alle ziekenhuizen.

Want wie had als eerste in 1969 gewezen op de mogelijkheden van hetgebruik van kernspinresonantie in de medische setting, met name voor hetopsporen van tumoren? Hij, Damadian. En wie had er als eerste apparatuurvoor de klinische praktijk voor ontworpen? Juist. Damadian. In 1977.

Damadian liet het er niet bij zitten. Hij plaatste paginagroteadvertenties in drie grote Amerikaanse dagbladen om zijn beklag te doen ente wijzen op het falen van het Nobelprijscomité in Stockholm. In deadvertenties riep hij collega's en sympathisanten te protesteren bij hetNobelprijscomité en een herziening van de toekenning te eisen.

Op 10 december van dat jaar kregen Lauterbur en Mansfield hun oorkondeen prijs uit handen van de Zweedse koning. Zij, noch het Nobelprijscomitéhebben ooit veel woorden vuilgemaakt aan de verongelijkte MRI-ondernemeruit New York. Want over de uitkomst wordt nu eenmaal niet gecorrespondeerd.

Feestje

Wat de opmerkelijke affaire-Damadian wel glashelder maakte, is dat deNobelprijs niet alleen maar een jaarlijks feestje is voor de wetenschap ende wetenschappers. De prijs der prijzen, sinds 1901 uitgekeerd uit denalatenschap van de Zweedse dynamietkoning Alfred Nobel, stelt ook deonderlinge verhoudingen in de wetenschappen op de proef. Omdat er steevastmeer verliezers zijn dan winnaars.

Collega's die meenden toch echt nauw bij een doorbraak betrokken tezijn, vallen opeens buiten de boot, als het erop aankomt. Doorbraken dievlakbij het bekroonde onderwerp zitten, blijven jammerlijk onbeloond enmaken waarschijnlijk in de toekomst zelfs minder kans op een prijs.

En nog veel meer onderzoekers zullen zich bij de jaarlijkse toekenningenin oktober met pijn in het hart realiseren hoe dicht ze zelf ooit bij debetreffende doorbraak zijn geweest. En hoe ze hun kans niet grepen. Pech,gemakzucht, onhandigheid in de wetenschappen, er is geen week in het jaardat het zo pijnlijk in herinnering terugkomt als de Nobelprijsweek.

Terwijl op tv en in kranten de winnaars in de schijnwerpers staan,toastend met haastig opengerukte champagne, treuren buiten beeld de tallozeverliezers en gaan over tot de orde van de dag.

Dat laatste werd deze week nog eens duidelijk bij de toekenning van deNobelprijs voor Geneeskunde, voor de ontdekking van de bacterieHelicobacter pylori die maagzweren veroorzaakt. Daarvoor krijgen de Australiërs Barry Marshall en Robin Warren op 10 oktober, de sterfdag vanNobel, de Nobelprijs. Maar alle insiders in de gastro-enterologierealiseerden zich maandagochtend meteen wie er níet op het lijstje stond:de Belgisch-Nederlandse maagzweerdeskundige Guido Tytgat,emeritus-hoogleraar in Amsterdam.

Een van de oorzaken van het hartzeer dat aan de natuurwetenschappelijkeNobelprijzen kleeft, is de regel in de statuten van de prijs dat nooit meerdan drie mensen een prijs kunnen delen. Dat schept weliswaar helderheid.Maar de regel staat wel haaks op de praktijk van de meestenatuurwetenschappen, waar teamwork na de Tweede Wereldoorlog volstrektnormaal is geworden.

Toen in 1984 Carlo Rubia en Simon van der Meer van het deeltjeslab Cernin Genève de natuurkundeprijs wonnen, was dat voor de ontdekking van hetW-deeltje en het Z-deeltje in een project waaraan honderden natuurkundigenhadden bijgedragen. De prijs, aldus het juryrapport, was dan ook voor 'hundoorslaggevende bijdragen aan het grote project dat tot deze ontdekkingenleidde', maar het kan niet anders dan dat menigeen in zijn hart vond dathij ook een deel van de prijs verdiende.

Maar ook vóórdat topwetenschap bijna per definitie groot teamwork was,veroorzaakte het maximum van drie namen per prijs al bedenkelijkesituaties. Berucht is het geval van de Nobelprijs 1962 voor James Watson,Francis Crick, de ontdekkers van de dubbele helix-structuur van dna en hunconcurrent Maurice Wilkins. Zelfs in het juryrapport werd met geen woordgerept over het briljante kristallografische werk van Rosalind ElseFranklin, dat de basis voor de hele ontdekking vormde. Het was Wilkins dieongevraagd haar resultaten aan Watson toonde, die daarop de benodigdebrainwave kreeg. Franklin stierf in 1958 en maakte de genante vertoning inStockholm zodoende niet mee. In 2003 gingen stemmen op om Franklin postuumalsnog de Nobelprijs te geven. Bij wijze van uitzondering, want volgens deregels worden alleen levende onderzoekers gelauwerd.

Protesten

Ook minder in het oog lopende zaken leiden soms tot luide protesten uitde wetenschappelijke wereld. In 1998 wonnen drie Amerikanen degeneeskundeprijs voor hun onderzoek aan stikstofoxide, NO. Onder hen echterniet de echte grondlegger van het vakgebied, Salvador Moncada, een geleerdedie verder ongeveer alle denkbare prijzen voor zijn NO-werk had gewonnenen in elke serieuze publicatie op dat gebied wordt geciteerd. Woedendereacties van deskundigen, onder wie Nobelprijswinnaars, baatten niet.'Over vijftig jaar gaan de archieven van de beraadslagingen open', zei eenwoordvoerder van het Karolinska-instituut, dat de prijs uitdeelt.

Toch zijn er ook aanwijzingen dat de instellingen die de Nobelprijzentoekennen, het nog helemaal zo gek niet doen, ongelukken daargelaten.Studies van de citatietellers van het ISI in Philadelphia, bijvoorbeeld,laten zien dat potentiële Nobelprijswinnaars zonder meer herkenbaar zijnin de statistieken doordat ze al jaren bovengemiddeld veel worden geciteerdin het werk van anderen.

Onderzoeker Eugene Garfield van ISI wil nog wel iets verder gaan. Uitzijn analyses blijkt dat zelfs in die absolute toplaag nog onderscheidbestaat tussen winnaars in spe en niet-winnaars. De niet-winnaarspubliceren meer, maar artikelen van winnaars in spe worden iets vakergeciteerd.

Toch moet dat gerelativeerd, vindt sociologe en historica ElisabethCrawford van de universiteit van Strassburg, expert in de geschiedenis vande Nobelprijs. 'Met het spotlicht op de winnaars wordt te gemakkelijkvergeten dat zij gekozen zijn uit een pool van honderden kandidaten diezijn aangedragen door duizenden daartoe uitgenodigde vakgenoten.'

Crawford deed als eerste onderzoek in de archieven van deNobelstichting, toen in 1974 de eerste vijftig jaar werden vrijgegeven.Stockholm kan soms danig zitten te hannesen, was een van haar conclusiesin een in 1987 verschenen studie. Albert Einstein kreeg de Nobelprijs voornatuurkunde in 1921 voor het foto-elektrisch effect, vooral omdat hetcomité weinig begreep van de relativiteitstheorie. Lise Meitner kreeg in1944 niet de Nobelprijs voor de ontdekking van kernsplijting en haarmede-ontdekker Otto Hahn wel omdat het de scheikundeprijs betrof en de juryde betreffende natuurkunde niet bevatte.

Tot zover het feilbare systeem. Maar soms zitten briljante onderzoekerser - zie de kwestie Tytgat deze week - gewoon net naast. Gerard 't Hooftschreef in 1972 tijdens een symposium in Marseille een formule op het bordwaarvoor niet hij, maar drie Amerikanen vorig jaar de Nobelprijs kregen.'t Hooft had destijds namelijk verzuimd hem ook te publiceren, deAmerikanen deden dat in april 1973 wel. 't Hooft, Nobelprijswinnaar in 1999voor een ander onderwerp, wist sindsdien al dat hij een kans had latenlopen.

Minder bekend is het verhaal van Abraham van Luijk van het CentraalBureau voor de Schimmelcultures CBS in (destijds) Baarn, die in het dorpalgemeen bekend stond als de man die de penicilline net niet had gevonden.Van Luijk zag in de jaren twintig al dat een penicillium-schimmel opappelschillen anti-bacteriële werking had. Maar de betreffendeschimmelstam bleek te giftig voor mensen.

In 1928 waaiden bij toeval sporen van een wél bruikbare penicilliumstamin een petrischaaltje van de Engelsman Alexander Fleming. Hij kreeg er in1945 de Nobelprijs voor. Van Luijk kreeg een jaar later een eredoctoraatin Utrecht. Ook mooi.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden