De zoektocht is nog maar net begonnen DE ROMANSCHRIJFSTER VERDRINGT OPNIEUW DE REIZIGSTER IN AYA ZIKKEN

AYA ZIKKEN (1919) is een van die schrijvers die velen blind voor iemand van de jaren vijftig houden. Auteur van vele malen herdrukte romans als Alleen polenta vandaag (1954), enthousiast gelezen door een generatie die nu oud is, een 'Indische' schrijfster bovendien, die haar jeugd voor de Tweede Wereldoorlog doorbracht...

ALEID TRUIJENS

Het is een typering die haar tekortdoet. Ook na de jaren vijftig bleef Zikken gestaag publiceren, elke paar jaar een boek. Zij schreef ook contemporain, niet-autobiografisch werk - zoals Een warme regen, over een groep mensen rond het sterfbed van een lastige vriendin - en haar reisverhalen leiden niet altijd naar Indonesië. In haar 'Indische' romans heerst geen tempo-doeloeachtige sfeer: wel heimwee, maar altijd vermengd met de analytische blik van een westerling die beseft een vreemde in het land te zijn geworden. Een hoogtepunt was de mooie, geromantiseerde autobiografie Landing op Kalabahi (1996), gebaseerd op dagboeken uit haar puberteit.

Er is in de loop der jaren wel gewezen op het belang van Zikkens werk, onder anderen door Hella Haasse. En door de jury van de Anna Bijnsprijs die vorig jaar haar 'bijna onopgemerkt opgebouwde' oeuvre bekroonde. Nu is er alweer een nieuw boek van haar hand: De tuinen van Tuan Allah, een reisverhaal. De uitgever presenteert het, niet helemaal nodig, in een actie 'Kom op verhaal in Oost-Azië' met werk van auteurs als Colin Thubron, Alfred Russel Wallace, Michel Preissel en Ian Buruma - die niet meer gemeen hebben dan dat ze ruim genomen over hetzelfde gebied schrijven.

Zikken kies je niet om het onderwerp. Zij is iemand die zich niet verliest in de beschrijving van exotische landschappen en antropologische eigenaardigheden; evenmin is zij een reizigster die zwelgt in haar weergave van doorstane ontberingen, honger, dorst en tropenkoorts - hoewel het allemaal, terloops, aan de orde komt. In een rustige, klassiek verhalende stijl omcirkelt ze de levens van de mensen die ze ontmoet, en mensen die de bezochte plaatsen in haar herinnering terugvoeren, om dat wat die levens tot een verhaal maakt, de logica en onafwendbaarheid van hun geschiedenis. De romanschrijfster die Zikken van nature is, verdringt de reizigster.

Zij bezoekt in dit boek de Indonesische eilanden Klein Kei, Groot Kei, Tanimbar in de Arafoerazee, de palmentuinen waar Allah nog met strenge hand heerst, met een duidelijk doel. Zij wil, nu het nog kan, de plaatsen zien waar haar vader eind jaren veertig in zijn eentje woonde en werkte als hoofdonderwijzer. Al kort na de oorlog werd hij door onrust teruggedreven naar de rimboe. Hij verbleef in Toeal, op Klein Kei, en woonde met twee anderen, die zijn vrienden werden, een arts en een gouvernementsambtenaar, in een pasanggrahan, een logement voor ambtenaren, en later in een eigen huis.

Zikken gaat met grote vasthoudendheid op zoek naar dit gebouwtje, de school, het huis, en naar mensen die zich haar reeds lang overleden vader herinneren. Dat leidt tot vele dode sporen. Komisch beschrijft ze hoe iedereen, ook de jongeren, uit beleefdheid stellig beweert lezen en schrijven te hebben geleerd van de befaamde meester Zikken. Iedereen is erop uit om de nyonya besar, de rijke dame die zij in de ogen van de eilandbewoners nu eenmaal is, zoveel mogelijk geld afhandig te maken. En als ze eindelijk op het goede spoor is, duurt het door de beruchte oosterse traagheid, geharrewar met vervoer en een onwillige reisbegeleidster, nog lang voordat ze is waar ze wil zijn.

Maar dan, en dat is typerend voor Zikken in dit boek, gaat zij achteloos voorbij aan het verleden. Het resultaat van al haar tochten is onwil en afstandelijkheid. Over haar vader komen we weinig te weten, behalve dat hij, net als zij, een eenzaat was, die je 'niet te dicht op zijn huid moest zitten'. Eenmaal voor het vervallen huis van haar vader gekomen, keert ze het snel de rug toe. 'Ik had nog best kunnen gaan praten met de mensen van het huis dat nu op het voorerf van mijn vader staat. Ze zouden me vast wel iets hebben kunnen vertellen. Naar de destijds nog heel jonge kebon (tuinjongen) heb ik niet eens geïnformeerd. Dat is toch onverklaarbaar?'

De verklaring laat zij er direct op volgen: 'Is het soms zo dat ik er gewoon niet aan wil dat ik zo langzamerhand al aardig oud geworden ben en dat elke keer daarom waarschijnlijk wel de laatste keer is. Geef ik mezelf de kans om terug te keren naar Kei Kecil en dan alles af te maken wat ik nu heb nagelaten?' Want hoewel de bijna 80-jarige reizigster op haar Nikes geroutineerd rotshellingen beklimt, door het oerwoud waadt, en op goed geluk uit een boot springt, is zij bij alles wat ze doet doordrongen van het besef dat ze haar leven afmaakt, dat zij afscheid neemt. Nyong, de begeleider van haar eigen leeftijd die in de loop van haar verblijf een goede vriend wordt, zegt met spijt: 'U praat ook over gedichten. (. . .) Toch kan ik niet met u trouwen. We zijn te oud.'

Door je telkens, met hernieuwde energie te verdiepen in levens van anderen, houd je de dood ook op afstand. Zikken vat na een paar weken sympathie op voor de onuitstaanbare reisleidster Yekki, die haar voor zoveel mogelijk geld - 'twintigduizend zal gaan, dertigduizend is beter' - zo min mogelijk wil laten zien. Yekki is ten slotte ook maar iemand die droomt van een beter leven: een warung beginnen in haar golfplatenhut, of liever nog een rijke westerse toerist strikken die haar meeneemt naar het walhalla.

De vriendschap met Nyong blijkt het belangrijkste wat Zikken overhield aan deze reis, de oorspronkelijke motieven doen er niet meer toe. Deze scheepsbouwer vertelt haar een verhaal waaraan zij zich kan spiegelen. Zij trekt het verhaal uit hem. Hoe hij trouwde met Helena, een Nederlands meisje dat na de bevrijding uit het kamp op een zwerftocht in Toeal belandde. Het dorp zat niet te wachten op een dochter van de onderdrukker. Als zij op de huwelijksdag weigert zich te laten besnijden, worden zij en Nyong verstoten. Op een dag neemt Helena de benen, naar Nederland. Hun zoon Frederik wordt opgevoed door Sabaroe, de vrouw die al jong voor hem bestemd was. Nyongs liefde is uitgewist.

Als de lang verwachte Helena voet aan wal zet op het eiland, is dat voor Nyong een teleurstelling, én voor de schrijfster. De vlezige, luidruchtige vrouw die haar ex bijna over het hoofd ziet en niet van plan is om te blijven, is gewoon een opgedirkte toeriste. De heroïsche vreemdelinge met wie Zikken zich identificeerde is in het echt 'niet iemand waar ik uit mezelf met uitgestoken handen naar toe zou gaan'.

Verhalen moeten maar verhalen blijven. Zij pakt haar koffer, gaat weer aan boord. Zij wil nog naar Aru en naar de Riau-archipel. De zoektocht 'is nog maar net begonnen'. Het is te hopen dat dat voorlopig zo blijft.

Aleid Truijens

Aya Zikken: De tuinen van Tuan Allah.

Atlas; 146 pagina's; f 39,90

ISBN 90 254 2330 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden