De zeldzame rijkdom van het moerasbos

Er zijn drie omgevingen waar in Nederland broekbossen of moerasbossen voorkomen: in beekdalen, in laagveen en in hoogveen. Samen beslaan ze 4500 hectare....

PIET VAN SEETERS

Deze conclusie valt te trekken uit het boek Broekbossen, het eerste deel van een nieuwe serie van de uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV). Die serie gaat over de ecosystemen van bossen in Nederland. In voorbereiding zijn delen over ooibossen en over bossen op de arme zandgronden.

Het deel over de broekbossen is geschreven door medewerkers van twee DLO-instituten, het Instituut voor Bos-en Natuuronderzoek en het Staring Centrum. De redactie was in handen van A. Stortelder, P. Hommel en R. de Waal. Diverse anderen hebben meegewerkt aan het onderzoek dat de basis vormde van de classificatie van deze bosecosystemen. Dat onderzoek gebeurde in opdracht van Staatsbosbeheer en het ministerie van LNV.

Omdat we ervan mogen uitgaan dat de volgende delen dezelfde opzet hebben als het eerste over de broekbossen, valt nu al te concluderen dat dit geen serie is voor het grote publiek. De KNNV Uitgeverij geeft dat zelf ook aan, met de stelling dat de boeken naslagwerken zijn voor bos- en natuurbeheerders, adviseurs en beleidsmakers op het gebied van natuurontwikkeling.

Dat blijkt uit de opzet. De bossen zijn ingedeeld naar groeiplaatsen. In dat opzicht verschilt deze nieuwe serie duidelijk met de nu bijna afgeronde reeks De vegetatie van Nederland, waarin plantengemeenschappen het uitgangspunt zijn.

De daarvoor gemaakte vegetatie-opnamen werden ook voor deze serie gebruikt en dus is samenhang tussen de twee projecten verzekerd. Bovendien is Stortelder redacteur van beide series.

In beekdalen en laagveen (dat contact heeft met grondwater) bestaan broekbossen vooral uit elzen, in hoogveen (dat voor zijn watervoorziening aangewezen is op neerslag) uit berken. Maar een tamelijk ingewikkeld ecosysteem als een bos kan in zijn ontwikkeling diverse kanten op, afhankelijk van factoren als bodemgesteldheid, watervoorziening, kwaliteit van het water en de leeftijd van het bos.

De auteurs onderscheiden van het elzenbroek twaalf verschillende types en van het berkenbroek negen. In elk type is er telkens één andere plant die kenmerkend is. Dat kan een plant zijn uit elk van de drie andere etages: behalve die van de bomen zijn dat mossen, kruiden en struiken. In het elzenbroek zijn dat bijvoorbeeld vier zeggensoorten en de struiken zwarte bes, framboos en braam. In het berkenbroek zijn onder meer pijpestrootje en gagel soorten die een bostype kenmerken.

Er is een duidelijk verschil tussen ooibossen en broekbossen, aldus de toelichting. Ook ooibossen zijn natte wouden maar ze liggen langs rivieren en dus in een dynamischer omgeving. Ooibossen kennen veel grotere verschillen in waterstand.

Broekbossen op laagveen en hoogveen hebben met slechts geringe fluctuaties in de hoogte van de grondwaterspiegel te maken. Broekbossen langs beken lijken wat meer op ooibossen langs de rivieren, maar de dynamiek van beken is geringer dan die van grote rivieren. In de meeste broekbossen ontbreken de heftige waterbewegingen die ooibossen kenmerken.

Van de broekbossen in beekdalen is nu nog maar een paar honderd hectare over. Dit type was vroeger in Nederland veel algemener, maar het is op grote schaal uit de weg geruimd of, zoals dat officieel heet, ontgonnen. Het beroemdste voorbeeld is het Beekbergerwoud, dat aan het eind van de vorige eeuw werd gekapt toen het naar schatting achtduizend jaar oud was. Veel bossen zijn verdwenen door het kanaliseren van beken. Wat er overbleef, werd aangetast door verlaging van het grondwaterpeil.

Voor de broekbossen op laag- en hoogveen geldt eigenlijk het tegenovergestelde. Deze typen kwamen ook vroeger al heel weinig voor. De broekbossen op laagveen beslaan de grootste oppervlakte van de twee, maar ze liggen in gebieden waar het veen grootschalig is afgegraven: de Wieden, de Weerribben en het oostelijke Vechtplassengebied bij Loosdrecht, Kortenhoef, Ankeveen en Naarden. In deze gebieden zijn hier en daar bossen ontstaan door het verlanden van plassen.

In hoogveengebieden waren de broekbossen altijd letterlijk een randverschijnsel. Het hoogveen zelf was te nat en te zuur voor bomen. Nu het hoogveen is aangetast, moet opslaand bos volgens de auteurs zelfs opgeruimd worden om het weinige hoogveen dat in Nederland is overgebleven, in stand te houden, in combinatie met de beboste randen.

Er komen in broekbossen betrekkelijk weinig zeldzame planten voor, constateren de onderzoekers. Dat komt doordat broekbossen, hoe karakteristiek en waardevol ze als vegetatiekundige eenheid ook zijn, nauwelijks eigen plantensoorten kennen. De soorten die er groeien, komen, met enkele uitzonderingen, ook op andere plaatsen voor.

In de beekdalen zijn broekbossen met bittere veldkers floristisch het interessantst. Op het hoogveen worden broekbossen tegenwoordig vaak gedomineerd door een begroeiing van pijpestrootje, een soort die andere planten nauwelijks het licht op de bladeren gunt.

Daarentegen hebben broekbossen grote waarde voor andere categorieën: paddestoelen, insecten, amfibieën en reptielen, en vooral voor vogels. Broekbossen herbergen tal van bedreigde en zeldzame soorten zoals houtsnip, purperreiger, waterral, rietzangers, karekieten, wielewaal, tuinfluiter, roerdomp, ijsvogel en grauwe klauwier.

Piet van Seeters

A. Stortelder, P. Hommel en R. de Waal: Broekbossen

KNNV Uitgeverij; ¿ 79,50

ISBN 90 5011 093 2

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden