Reportage

De zeearend heeft het weer naar zijn zin in Nederland – en toont daarmee de veerkracht van de natuur

Een zeearend wordt gepasseerd door een Hercules-transportvliegtuig. Volgens de jongste gegevens broedden in 2020 twintig paar in Nederland, een forse toename. Beeld Martijn de Jonge
Een zeearend wordt gepasseerd door een Hercules-transportvliegtuig. Volgens de jongste gegevens broedden in 2020 twintig paar in Nederland, een forse toename.Beeld Martijn de Jonge

De zeldzaam geworden zeearenden weten Nederland weer steeds beter te vinden. Dat zegt veel over de veerkracht van de natuur (en over de toename van de ganzen die zij eten). Op zoek naar de imposante roofvogel in de Noordoostpolder.

‘Wil je er een zien?’, vraagt Martijn de Jonge bij de entree in zijn huiskamer met riant uitzicht op het Ketelmeer. ‘Daar.’ De gastheer wijst naar zijn telescoop die permanent staat opgesteld voor zijn raampartij, richting de bomen van het tegenover gelegen eiland IJsseloog. En ja hoor: daar zit er een, op de takken. Een zeearend, de grootste jagende roofvogel van Europa, met een spanwijdte van tweeënhalve meter wanneer hij zijn vleugels uitslaat. Zo eenvoudig is het, als je woont in ‘de mooiste kijkhut van Nederland’.

We zijn in de Schokkerhaven, bij Nagele (aan de zuidrand van de Noordoostpolder), om met zijn motorzeiljacht de machtige vogel te gaan zoeken. De Jonge wordt al vele jaren gegrepen door de roofvogel, en kent alle stekken in de buurt als z’n broekzak, evenals de vaste bewoners. Deze frisse februaridag was het moment om ze te gaan zoeken, nu paren hun nesten gaan bezetten. Daar moesten we bij zijn.

‘We’, dat zijn, naast de verslaggever, natuurfotograaf De Jonge en journalist/bioloog Nienke Beintema. Beiden schreven, los van elkaar, een boek over de vogel die hen zo intrigeert.

Ooit vertrouwd

In zijn vorig jaar verschenen De zeearend in Nederland beschrijft De Jonge (met veel eigen fotomateriaal) de wederopstanding van een bijna uitgestorven roofvogel in Nederland. Beintema schetst in De zeearend, het jongste deel uit de reeks vogelmonografieën bij uitgeverij Atlas Contact, de verhalen rond de vogel. ‘Ik wilde geen strikt biologische monografie maken voor alleen liefhebbers van de zeearend, maar een boek voor iedereen die houdt van natuur, reizen en verhalen’, zegt Beintema. In haar boek gaat ze op stap met boswachters en onderzoekers. Ook De Jonge figureert erin.

Nee, ze zaten elkaar niet in de weg toen ze beiden aan een boek over dezelfde vogel bleken te werken. De Jonge, ironisch: ‘Zolang ik maar de eerste was die publiceerde’.

De zeearend was ooit een vertrouwde vogel in Nederland. Jacht en milieuvervuiling maakten hem tot een uiterst zeldzame verschijning. ‘Eind jaren zeventig dook er af en toe een op in de Oostvaardersplassen’, weet De Jonge uit eigen ervaring. ‘We hadden geen idee waar ze vandaan kwamen. Toen ben ik een aantal jaren als fotograaf mee geweest met een ringproject in West-Polen, waar ze volop zaten. Daar zag ik mijn eerste zeearend van dichtbij.’

In de jaren negentig had het Wereld Natuur Fonds plannen voor herintroductie in Nederland. Terwijl de discussie nog liep, vond de zeearend Nederland al op eigen kracht. Dat was maar beter ook, vindt De Jonge: ‘Met herintroductie belemmer je de natuurlijke gang van zaken. Bovendien had ik al ontdekt dat er helemaal geen geschikte arenden beschikbaar waren, behalve een paar dierentuinvogels uit Kazachstan. Experts vonden het heel slecht om een populatie te vervuilen met onbekende genen.’

‘Het was overweldigend’

Nienke Beintema zag haar eerste zeearend veel later. Begin deze eeuw werkte ze als walvisgids in Noorwegen. ‘Daar was een eiland waar vijftig paar broedden! Elke dag zag je er wel een stuk of twintig.’ De echte klapper volgde toen ze op het eiland wandelde en een zeearend haar bijna letterlijk in het gezicht vloog. Een vogel die met zo’n zeven soortgenoten speelde op de wind. ‘Hij kwam vanuit een rif verticaal omhoog, op een meter van mijn gezicht, en dook toen de diepte weer in. Het was overweldigend, zo’n machtig grote vogel zo dicht bij je. Ik moest er echt even van bijkomen. Even later dacht ik wel: van deze soort wil ik meer weten.’

De zeearend, met z’n grote haaksnavel op die zeemleren kop. Beeld Getty
De zeearend, met z’n grote haaksnavel op die zeemleren kop.Beeld Getty

Ze kwam in Amerika te wonen, waar de Amerikaanse zeearend, met kenmerkend witte kop, haar om de oren vloog. Terug in Nederland zag ze de opkomst van de vogel hier en vroeg ze zich af hoe dit mogelijk was. Haar zoektocht leidde tot haar boek, vertelt ze.

De zeearend is een vogel voor optimisten en gelovigen. Het symbool van de veerkracht van de natuur. Een van zijn succesfactoren is paradoxaal genoeg de achteruitgang van het boerenland. Waar de ooit zo gevarieerde en kruidenrijke Nederlandse weide is verworden tot monotone velden ‘grasfalt’ (Engels raaigras waartussen nauwelijks meer leven te bespeuren valt), stortten alleen grauwe ganzen zich massaal op het eiwitrijke gras. Zo’n twee miljoen vogels uit heel Europa weten jaarlijks het Nederlandse boerenland te vinden. Tot ergernis van de boer, die zijn land kaalgevreten en ondergescheten ziet worden, maar tot vreugde van de zeearend, die zijn tafel gedekt vindt.

Dat effect is zichtbaar in de ontwikkeling van de zeearend in Nederland, zegt De Jonge. Volgens de jongste gegevens broedden in 2020 twintig paar in Nederland, een forse toename vergeleken met het jaar daarvoor. Daarvan brachten er veertien succesvol jongen groot. Vooral in Friesland gaat het de vogel voor de wind, daar broedt hij zelfs steeds verder van water weg.

Beintema: ‘Dat is mijn les van het maken van dit boek: hoe het mogelijk is dat die zeearend zo succesvol is, terwijl de kwaliteit van de Nederlandse natuur alleen maar achteruit leek te gaan. Ik hoorde altijd tot de somberaars, die klaagden over de teloorgang. Nu weet ik dat het genuanceerder ligt: ja, vooral op het boerenland holt de biodiversiteit achteruit, maar op veel andere plekken neemt die juist toe.’

De zeearend, zo beschrijven Beintema en De Jonge in hun boeken, dankt zijn wederopstanding aan nog een ironische speling van het lot. Zijn nieuwe leefgebieden vloeien voort uit de watersnoden. Na de grote overstromingen van rivieren in de vorige eeuw legde Rijkswaterstaat waterbuffers aan in de uiterwaarden van die rivieren. Beintema: ‘Zo ontstond nieuwe natuur aan het water, die aantrekkelijk bleek voor verschillende soorten, waaronder de zeearend.’

Terwijl de boot gestaag verder vaart, passeert een blauwe kiekendief. Op het kabbelende water dobberen nonnetjes en grote zaagbekken. Boven ons trekken rietganzen over. Dan ziet De Jonge een zeearend vanuit een boom opvliegen, en zegt beslist: ‘Tweede kalenderjaar’. Nog geen witte staart dus, een van de kenmerken van de jongere vogels, die hun kenmerkende witte staart pas later krijgen.

‘Veel habitat erbij’

De vraag dringt zich op: hoeveel zeearenden kan de Nederlandse natuur eigenlijk aan? Dat regelt de natuur uiteraard zelf wel, maar De Jonge durft een speculatie aan: ‘Door alle nieuwe natuur is er gigantisch veel habitat bijgekomen. Het hele Friese merengebied lijkt geschikt voor de zeearend. Over 25 jaar zouden hier best vijftig tot honderd paar zeearenden kunnen zitten. Maar het blijft afwachten: als om wat voor reden ook de ganzenpopulatie instort, wordt het een ander verhaal.’

De zeearend kan in het wild tot zo’n 30 jaar oud worden. Wanneer een vogel elk jaar twee tot drie nakomelingen krijgt, er genoeg leefgebied is en de sterfte beperkt blijft, breidt de populatie exponentieel uit. Zo’n nieuwe rover heeft onvermijdelijk gevolgen voor de natuur. ‘Het kan spannend worden op de Waddeneilanden’, zegt De Jonge. ‘Als de zeearend Texel weet te vinden, wil ik de beheersorganisaties nog wel eens horen daar over de vogelpopulaties. In Duitsland zijn hele kolonies aalscholvers verdwenen, doordat de zeearend hun nesten leeg rooft. In de Wieden heeft voorjaar 2020 een zeearend dagelijks ontbeten met aalscholvereieren.’

Bedreigingen en onzekerheden zijn er ook. Nienke Beintema wacht met spanning af wat de invloed van zwaar giftige bestrijdingsmiddelen als neonicotinoïden voor invloed zullen hebben op de vogels. ‘In Nederland is nauwelijks geld voor toxicologisch onderzoek. Wanneer een dode vogel wordt gevonden, wordt die niet onderzocht op vergiftigingsverschijnselen.’

Windmolenparken stemmen de vogelliefhebber ook niet alleen maar vrolijk. Niet lang na deze vaartocht kwam een gezenderde zeearend uit de Dordtse Biesbosch in Duitsland om het leven door een botsing met de wieken van een windmolen. Beintema: ‘Het aantal windmolens zal in de toekomst alleen maar toenemen, dus zullen er meer slachtoffers gaan vallen. Het zwart schilderen van rotorbladen kan helpen, ook bestaan er video-detectiesystemen die de molen stilleggen wanneer vogels aankomen vliegen. Maar dat zijn forse investeringen.’

De Jonge is minder pessimistisch: ‘In Nederland zijn – in Flevoland – in twaalf jaar tijd twee zeearenden slachtoffer geworden van windmolens. Terwijl er in Flevoland al zevenhonderd windmolens staan. In Noorwegen staan veel windmolens, waardoor geregeld zeearenden verongelukken. Toch heeft dat geen grote invloed op de populaties.’

Tijdens de vaart over het Ketelmeer passeren we reigernesten. Omgevallen wilgen verraden een beverburcht. De motor bromt gestaag. De opvarenden warmen de handen aan Marokkaanse muntthee met stroopwafels, het gesprek krijgt onbedoeld het karakter van een theekransje. Dat krijg je wanneer je, zoals De Jonge, al je buren kent, al is het maar aan de hand van hun ringen. ‘De vrouw die nu in de IJsseldelta broedt en geringd is als AF19, is een kind van de oude Duitse vrouw S572 uit de Oostvaardersplassen’, roddelt hij. Beintema: ‘Zij is de eerste geringde arend van de Oostvaardersplassen. En haar dochter, AF19, is de moeder van de vogel die nu succesvol in de Lepelaarsplassen broedt, en die eerder moeder werd van ‘Jannie’, het boegbeeld van Het Flevolandschap. We zijn nu vier generaties verder, in zeventien jaar tijd.’

‘De kop ingeslagen’

De Jonge: ‘Ik zou je ook nog kunnen vertellen over de vrouw van het Zwarte Meer. Die is de kop ingeslagen door een andere vrouw – dat wil je niet weten.’

De Jonge loodst zijn boot naar een vers nest in de oude wilgen aan de oever. Daar is het wachten op de zeearend. Het is namiddag, een moment waarop de vogels wat rondjes maken, weet De Jonge. Bingo, voor de achtste maal deze tocht: binnen enkele minuten komt een zeearend recht op ons afgevlogen. Na een spectaculaire vliegshow poseert de vogel als sluitstuk op een boomtak als in het embleem op de motorkap van een klassieke oldtimer: vleugels gespreid, kop fier voorover.

Wanneer een buizerd voorbijvliegt, valt pas op hoezeer je je kunt vergissen in verhoudingen wanneer referentiepunten ontbreken. De buizerd, gezeten op paaltjes langs de snelweg toch een indrukwekkende vogel, verschrompelt tot mussenformaat vergeleken bij de machtige arend.

Minutenlang kunnen we hem bekijken, en ons verwonderen over die warm-bruine kracht en pracht, met z’n grote haaksnavel op die zeemleren kop.

Heeft De Jonge weleens een dag waarop hij geen enkele zeearend ziet? ‘Zelden. Als ik thuis op mijn werkkamer aan de computer zit, roept mijn vrouw weleens: ‘Martijn, zeearend!’ Ik heb haar geïnstrueerd dat ze me alleen nog mag roepen voor meer dan één zeearend.’

Beintema: ‘Het maakt niet uit hoe vaak je al een zeearend hebt gezien; élke keer weer is-ie indrukwekkend’.

Nienke Beintema: De zeearend. Atlas Contact; € 22,99.

Martijn de Jonge: De zeearend in Nederland – in 15 jaar naar 15 paar. KNNV; € 24,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden