De zaak van de fakkelende oermens

Die nobele wilde die zo in harmonie leefde met de natuur? Die brandde graag van alles plat (ja, ook gewoon voor de lol), hebben Nederlandse onderzoekers ontdekt. Met alle gevolgen van dien.

'Televisie kijken' Beeld F. Oldenburger & R. Norde

Er was iets raars aan de hand, bij Neumark-Nord. Het meertje, even buiten de Duitse stad Halle, lag in de prehistorie altijd zo leuk in het bos. Totdat er zo'n 121 duizend jaar geleden Neanderthalers kwamen wonen. In de grond vonden archeologen rare aanwijzingen van de kermis die toen losbarstte: stenen werktuigen, talloze dierlijke botfragmentjes - en een heleboel houtskool. En: geen bossen meer.

'Het landschap veranderde opeens', vertelt Eduard Pop, archeologiepromovendus in Leiden. 'De dichte begroeiing maakte plaats voor opener, parkachtig terrein. In combinatie met de houtskoolpiek die we in de grond vonden kan dat natuurlijk best duiden op een bosbrand. Maar het kan ook dat de Neanderthalers moedwillig hun omgeving in de fik staken.'

Wacht even: de fik? Moedwillig?

Dat sluit niet aan bij het beeld van de jager-verzamelaar zoals veel moderne westerse mensen dat hebben: een simpele wilde die door een sprookjesbos sluipt op zoek naar een hert, besjes plukt en noten zoekt, en die 's avonds in het kamp een eekhoorntje roostert boven het kampvuur. De nobele wilde was de ideale boswachter en campinggast ineen, is al snel het beeld. Toen de mens nog in harmonie leefde met de natuur.

Iedereen, overal: vuur

Nou, vergeet het maar, vertelt Fulco Scherjon, ook archeoloog in Leiden. 'Iedereen, overal: vuur. Dát is het patroon wat we vinden', vertelt hij. De afgelopen jaren bracht Scherjon 231 al eerder beschreven gevallen bijeen van landschappelijk vuurgebruik onder jager-verzamelaars. 'Wat we vinden, is dat bijna al die culturen wel op de een of andere manier branden stichtten. Het is ook zó makkelijk. Als je wild wilt opjagen, steek je het bos in de fik. Als je gebraden konijn wilt: hup, steek het gras in de fik.'

Tal van functies heeft het om de omgeving doelbewust in brand te steken, vertelt Scherjon. Ruimte vrijmaken. Vijanden dwarsbomen. Ongedierte bestrijden. Roofdieren verjagen. Grondstoffen zichtbaar maken. Signalen geven. 'Bij de Pémon uit Zuid-Amerika keken de vrouwen uit het dorp altijd of ze vuren zagen: dan wisten ze dat het goed ging met de mannen, dat ze aan het jagen waren. Eén van de mooiste voorbeelden die ik tegenkwam, was dat van een aboriginal die een veld in de fik stak, om te zeggen dat-ie naar huis kwam. Je kunt het je niet voorstellen!'

Een andere bizarre reden is amusement. 'Zoals het geval was in Suriname, waar een antropoloog er getuige van was hoe een indiaan een berg op liep, de top in de fik stak en er rustig naar ging zitten kijken.' Alsof het tv was. 'Puur voor de fun. Omdat ik het leuk vind, zei hij.'

Beeld Janssen R (109506)

Niet zo exotisch

Toch zijn zulke voorbeelden minder exotisch dan ze lijken. Onderzoeksleider Wil Roebroeks herinnert zich zijn jonge jaren in Limburg: 'Mijn vader stak bijvoorbeeld ook droge vegetatie aan in holle wegen. Om de paden goed open te houden, nieuwe planten te laten opkomen als voer voor het wild - hij was ook jager. En gewoon, omdat het leuk was. Dat hoef je nu niet meer te proberen: er hangt meteen een helikopter boven je hoofd.'

'De natuur in de hens steken is tegenwoordig natuurlijk hartstikke uit den boze', zegt Scherjon. 'Maar daardoor zijn we ook een beetje vergeten welke belangrijke landschappelijke rol vuur speelt in traditionele culturen. Als je geen telefoon hebt om te communiceren, geen honden om het wild op te jagen en geen grasmaaier om de wegen vrij te houden, hoe belangrijk is dan vuur?'

Veelzeggend dat de bevindingen van Scherjon en zijn collega's deze maand prominent figureren in het vakblad Current Anthropology, omlijst door liefst acht, overwegend lovende commentaarstukken van andere wetenschappers. 'Belangrijk', 'welkom' en 'uitvoerig', schrijven de onafhankelijke experts. Blijkbaar raken de Leidenaren een snaar.

'De waarde van onze database is dat hij kan dienen als naslagwerk', vertelt Scherjon. 'Wat doen jager-verzamelaars in een moerasgebied? O, daar branden ze om zicht te houden op de omgeving en om toegang te krijgen tot het water. Wat doen ze op grasland? Daar branden ze het oude spul weg zodat er nieuwe vegetatie kan groeien, omdat die prooidieren aantrekt.'

Maar uiteindelijk staat er voor wetenschappers als Roebroeks en Scherjon iets anders op het spel: de prehistorie, en het begrijpen van raadselachtige vondsten zoals die bij Neumark-Nord. Ergens tussen de 1,7- en de 1,4 miljoen jaar geleden leerde de mens vuur te beheersen, maar wat hij er daarna mee deed, is de vraag. 'Bij vuur denken we altijd meteen aan kampvuurtjes', zegt Scherjon. 'Niet aan het landschappelijk gebruik van vuur. Misschien doen we er goed aan om ook eens te kijken wat we buiten de archeologische vindplekken aan houtskoolsporen kunnen vinden.'

Vuur kan immers grote invloed hebben op de omgeving en de leefwijze. Zo gebruiken de aboriginals van Australië het branden bijna als een soort voorloper van de landbouw: 'Rondom het kamp kreeg je allerlei patches, een mozaïek met verschillende soorten vegetatie. En die verschillende soorten begroeiing trekt verschillende beesten aan: zo weet je waar je ze kunt vinden.' Of de aboriginals dat opzettelijk doen, is niet zonder meer duidelijk, benadrukt Scherjon. 'Als je ze vraagt waarom ze de boel platbranden, krijg je antwoorden als: zo hoort het nu eenmaal, mijn voorouders deden het ook.'

Wat zich bij het Duitse meertje precies heeft afgespeeld, is evenzeer in nevelen gehuld. Pop laat zijn vinger over een grafiek glijden met daarop de opeenvolging van bewoningslagen die hij en zijn collega's vonden. Een periode van 3000 jaar, met daarin een opvallend patroon: telkens als er Neanderthalers bij het meer woonden, zit er meer houtskool in de grond; als er een tijd lang geen bewoning was, zijn er ook nauwelijks sporen van verbrand hout te vinden.

'Neumark-Nord is een van de sterkste aanwijzingen voor het landschappelijk gebruik van vuur die we hebben', zegt Scherjon. Maar Pop, die zijn analyse van de opgraving binnenkort hoopt te publiceren, weet het zo net nog niet. 'Ik heb die vraag bewust open gehouden', zegt hij. 'Ik denk dat het heel moeilijk is om een onderscheid te maken tussen natuurlijke branden en menselijk gebruik van vuur in het landschap.'

Verbrand nooit het rendiermos

Het gebruik om met vuur het landschap te beheren kent één uitzondering, ontdekten Scherjon en zijn collega's: de toendra. 'Dat is het enige landschap waar men wel oppaste met vuur. Je zou er de rendiermossen mee wegbranden, en dan duurt het 25 jaar voordat die weer terug zijn. De rendieren waarop men daar jaagt, blijven dan ook weg.'
In hun onderzoek halen Scherjon en zijn collega's onder meer een gerechtelijke uitspraak aan uit het noorden van Zweden uit 1755: de inheemse Saami hadden geklaagd dat nieuwkomers te onvoorzichtig waren met vuur, waardoor het rendiermos wegbrandde.

Landschapsmanagement

Ook Robert Kelly, hoogleraar archeologie in Wyoming en een van de grote experts op het gebied van de omgang van jager-verzamelaars met hun omgeving, is nog niet helemaal overtuigd of dit soort landschapsmanagement wel zo oud is. Iets wat je vandaag overal ziet, hoeft dat in de prehistorie niet te zijn geweest. 'Geeft de alomtegenwoordigheid van mobiele telefoons vandaag aan dat ze heel oud zijn? Natuurlijk niet', schrijft Kelly.

De komende jaren hopen de Leidse archeologen de zaak van de fakkellende oermens stapje voor stapje sluitend te krijgen. Zo onderzoekt men in de groep van Roebroeks of het mogelijk is om meer over het vuurgebruik af te leiden uit subtiele chemische signalen die misschien in prehistorische botten zijn achtergebleven, en is een andere promovendus op zoek naar de werktuigen waarmee de Neanderthalers hun vuurtjes aanmaakten.

Scherjon, nog niet zo lang geleden overgestapt uit de informatica, mijmert intussen alweer over nieuwe databanken. 'Je kunt misschien iets afleiden uit de frequentie van dit soort houtskoolpieken,' zegt hij. 'Vind nóg tien of twintig plekken zoals Neumark-Nord waar het bos opeens in vlammen opging toen de mens er ten tonele verscheen, en het lijkt steeds minder op toeval.'

Opeens herinnert Scherjon zich iets dat hij meemaakte in Afrika. 'We kampeerden bij een meer waar nog nijlpaarden zitten, toen de plaatselijke boeren het gras in de fik begonnen te steken. Om de hippo's weg te houden van hun akkers, legden ze uit, anders zouden die beesten al grazend dichterbij komen. Kijk: alweer een toepassing van vuur in het landschap.'

Getuigenissen van de fik

'Bezoekers van de Kalahari zien bloedrode zonsondergangen in augustus en september, als tientallen gewasbranden een wazige sluier aan de horizon geven. Deze vuren branden de oude vegetatie weg en lokken nieuwe groei uit, wat prooidieren naar de verbrande gronden lokt.'

(Richard Lee bij de !Kung San, 1979)

'We zagen Masai over de dorre vlakte lopen terwijl ze voortdurend lucifers aanstaken, zodat ze een langgerekt spoor van kleine brandjes achterlieten die achter hen geleidelijk samenkwamen. Stukjes grond die we markeerden werden tot wel vier keer per jaar verbrand.'

(Lee Talbot bij de Masai, 1964)

'De jagers steken een gebied in brand van gewoonlijk 1 tot 10 hectare groot, waarna ze achter de vuurlinie optrekken om het platgebrande gebied te doorzoeken op sporen die leiden naar verse holen, waarna ze een speciale graafstok gebruiken om een bewoond hol uit te graven.'

(Rebecca Bliege Bird bij de aboriginals, 2008)

'Weinig Europeanen hebben in Amerika vegetatie gezien die niet al op een of ander moment was weggebrand. Als er iets te verbranden viel, staken de Indianen het in brand.'

(Omer Stewart over koloniaal Noord-Amerika, 2002)

'De Kayapó uit de Braziliaanse Amazone zeggen dat de branden zulke mooie effecten geven in de nachtelijke hemel.'

(Addison Posey in de Amazone, 1985)

'Doodziek ben ik van dat vuur. Soms schaam ik me als ze me vragen waarom er zoveel vuren zijn en ik geen antwoord voor ze heb, dus sluit ik mijn oren. Ik zeg altijd: ahhh! Dat is gewoon voor de lol. En ik zeg ze dat als de stamoudsten er niet meer zijn, er geen vuren meer zullen zijn.'

(Een Pémon-indiaan uit Venezuela tegen Iokiñe Rodríguez, 2007)

(Bron: Scherjon et al., Current Anthropology)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden